RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer: C/08/132895 HA ZA 12-394 datum vonnis: 30 oktober 2013 Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,verder te noemen [eiser], advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,verder te noemen [gedaagde], advocaat mr. M.F. Admiraal te Enschede. De weergave van het procesverloop
- Voor de weergave van het procesverloop moet eerst worden verwezen naar watdaarover staat vermeld in het in deze zaak op 3 juli 2013 gewezen tussenvonnis. De daarin bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 5 september
- [gedaagde] is bij die gelegenheid niet (meer) verschenen. Daarna is namens [eiser] vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden. Waarvan kan worden uitgegaan
- Bij na verwijzing door de Hoge Raad (HR 20 april 2010 (LJN: BK3369)) gewezenarrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 14 juni 2011 (LJN: BQ8103) is [eiser]terzake van “Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en “Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstrafvoor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest alsmede tot betaling aan de benadeelde partij van een schadevergoeding groot € 58.666,-.
- De bewezenverklaring van het hof luidt aldus: “hij op 12 juli 2004 te Arnhem opzettelijk brand heeft gesticht in perceel (.....), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandende stof, ten gevolge waarvan een gedeelte van genoemd perceel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor belendende percelen en de inventaris van die belendende percelen en levensgevaar voor zich in een ander perceel bevindende personen te duchten was en terwijl dit feit de dood van (.....) ten gevolge heeft gehad.”;
- Uit dit arrest blijkt dat het hof deze bewezenverklaring mede heeft doen stoelen op het volgende, waarbij vermelding verdient dat getuige 3 [gedaagde] is: “B. 1 Tijdens het opsporingsonderzoek is een aantal voor de verdachte belastende getuigenverklaringen afgelegd. Het hof maakt bij zijn bewijsvoering gebruik van de verklaringen van drie getuigen, namelijk van (getuige 1), (getuige 2) en (getuige 3). Deze getuigenverklaringen houden, voor zover hier van belang, het volgende in. “B. 2 (getuige 1) heeft op 1 februari 2007 bij de politie verklaard dat zij verdachte een paar jaar daarvoor heeft leren kennen in een club in Limburg en dat zij veel met hem omging. Haar verklaring houdt voorts in dat de verdachte haar in zijn slaapkamer op een gegeven moment in een emotionele bui heeft verteld dat hij het huis van (bijnaam benadeelde) (het hof begrijpt: benadeelde), zijnde de echtgenote van het slachtoffer, moeder van de ex-vrouw van verdachte en eigenaresse van (woning) in de fik had gestoken, maar dat er nog een man in dat huis aanwezig was, hetgeen hij niet geweten had, omdat hij nog naar de auto van die man had gezocht om er zeker van te zijn dat hij niet thuis zou zijn. (getuige 1) is daarna zowel ter terechtzitting van de rechtbank Arnhem d.d. 10 december 2007 als ter terechtzitting van het hof Arnhem d.d. 2 december 2008 als getuige gehoord, bij welke gelegenheden zij haar eerdere verklaring onder ede heeft bevestigd. B.
- 1 (getuige 2), een familielid van de verdachte, heeft op 20 maart 2007 bij de politie verklaard dat verdachte hem in de ochtend van 12 juli 2004 heeft gebeld om 06.30 uur en om 06.56 uur met de mededeling dat hij de hut van (.....) in de fik had gestoken door iets door de brievenbus naar binnen te gooien en aan te steken. Zijn verklaring houdt voorts in dat verdachte echter niet wist dat het slachtoffer in de woning aanwezig was. B. 3.2 De telefonische contacten met verdachte waarover (getuige 2) heeft verklaard worden bevestigd door een door de politie uitgevoerde analyse van de historische printgegevens van de mobiele telefoon die ten zijde van het onderhavige feit in gebruik was bij de verdachte. Uit die analyse komt immers naar voren dat op 12 juli 2004 te 06:30:24 en te 06:56:44 uur telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoon van verdachte en die van (getuige 2). De telefoon van verdachte is bij die contacten aangestraald op een mast gelegen aan de (.....) straat te Arnhem, een mast gelegen in de buurt van de woning van verdachte. B.
- 1 (getuige 3) heeft in eerste instantie een verklaring op schrift gezet, inhoudende dat verdachte hem heeft verteld dat hij de brand heeft gesticht, welke verklaring hij in zijn verhoor door de politie d.d. 4 augustus 2008 heeft bevestigd en aangevuld met details. Deze laatste verklaring houdt – zakelijk weergegeven – in dat: - hij in juni of juli 2008 samen met de verdachte was gedetineerd in het Huis van Bewaring Zutphen, waar hij samen met de verdachte op een cel zat; - op een bepaalde dag de verdachte hem in hun gezamenlijke cel vertelde dat hij inderdaad brand had gesticht en dat hij niet wist dat er iemand lag te slapen in het huis; - de verdachte hem voorts vertelde dat de woning die hij in brand had gestoken in Arnhem was gelegen; - verdachte hem vertelde dat de reden dat hij dit had gedaan was dat hij een vrouw had gevraagd hem geld te lenen en die vrouw had dat geweigerd; - hij (.....) van verdachte had begrepen dat de woning eigendom is van die vrouw en dat die vrouw in Limburg in de prostitutie zaten een escortbureau zou hebben; - verdachte hem voorts vertelde dat de betreffende vrouw de moeder was van de omgekomen vrouw van verdachte en je dus kunt concluderen dat deze vrouw de ex-schoonmoeder van verdachte is; - verdachte hem ook heeft verteld dat het 5.00 uur in de ochtend was dat hij deze brand stichtte. B.
- 2 Bij brief van 5 augustus 2008 heeft (getuige 3) aan de politie te kennen gegeven deze verklaring in te willen trekken, omdat hij bang is dat hem en zijn familie iets wordt aangedaan. Vervolgens heeft hij ter terechtzitting van het hof Arnhem d.d. 2 december 2008 verklaard dat hij enige tijd bij verdachte op cel heeft gezeten en dat verdachte hem in die periode heeft verteld dat hij in vroege ochtend de brand heeft aangestoken in de woning gelegen aan de (adres). B. 5 Op grond van hetgeen hierboven is weergegeven stelt het hof vast, dat de getuigen (getuige 1), (getuige 2) en (getuige 3) onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat de verdachte tegenover hen heeft erkend de brand te hebben gesticht. Daarbij is van belang dat uit hun verklaringen blijkt dat de verdachte aan ieder van hen heeft verteld dat hij niet wist dat (slachtoffer) zich op het moment van de brandstichting in de woning bevond.
- Voormeld arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is onherroepelijk geworden.Door [eiser] zijn naar eigen zeggen van diens advocaat inmiddels stappen gezet om via de weg van artikel 457 e.v. van het wetboek van Strafvordering herziening van voormelde strafrechtelijke veroordeling gedaan te krijgen. Daarvan zijn geen stukken in dit geding gebracht. Het standpunt van [eiser]
- [eiser] vordert na wijziging van eis bij repliek:
- te verklaren voor recht “dat [gedaagde] de verklaring zoals die onder ede bij het gerechtshof te Arnhem op 1 december 2008 door [gedaagde] over de door [eiser] tegenover [gedaagde] gedane bekentenis te Zutphen, inhoudende dat [eiser] te Arnhem op 12 juli 2004 een brandstichting tegenover [gedaagde] bekend zou hebben en/of dat [gedaagde] over de omstandigheden waaronder [eiser] die bekentenis tegenover [gedaagde] in het huis van bewaring te Zutphen gedaan zou hebben, onrechtmatig is jegens [eiser] en dat [gedaagde] om die redenen en door aldus te handelen en/of na te laten tevens in strijd met zijn wettelijke plicht niet de waarheid dan wel niet niets anders dan de waarheid onder ede heeft verklaard en aldus doende meineed in de strafzaak van [eiser] heeft gepleegd, althans een verklaring voor recht zoals de rechtbank dat behoort.”.
- [gedaagde] te verplichten tot betaling van de schade aan de zijde van [eiser] (inclusiefwettelijke rente tot de dag van de dagvaarding), op te maken bij staat, en tevermeerderen met de wettelijke rente over dat nog vast te stellen bedrag vanaf de dagvan de dagvaarding tot aan de dag van betaling;
- [gedaagde] te verbieden dat hij zich na betekening van het nog te wijzen vonnis openigerlei wijze nog verder in negatieve zin uitlaat over [eiser] en tegenover anderen op welke wijze dan ook te uiten dat [eiser] tegenover [gedaagde] een brandstichting heeftbekend die [eiser] op 12 juli 2004 gesticht zou hebben, waarbij een persoon om hetleven is gekomen, en zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- telkens;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, een en ander zoalsomschreven in het petitum van de dagvaarding onder
- [eiser] stelt daartoe dat thans (mede op basis van de resultaten van een voorlopiggetuigenverhoor) is komen vast te staan dat door [gedaagde] in de strafzaak vals en meinedig is verklaard, en dat dit onrechtmatig handelen jegens [eiser] heeft opgeleverd. Immers is door[gedaagde] in strijd gehandeld met diens wettelijke plicht (artikel 215 Sv), inhoudende dat hij de waarheid moet spreken. [gedaagde] is aldus mede verantwoordelijk geworden voor de strafrechtelijke veroordeling van [eiser], en is hiervoor ook civielrechtelijk aan te spreken. Zonder de verklaring van [gedaagde] zou [eiser] niet strafrechtelijk zijn veroordeeld. Het standpunt van [gedaagde] 8.[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde onder aanvoering van de volgende verweren: - weergesproken wordt dat door [gedaagde] onrechtmatig is gehandeld door te verklaren en te blijven verklaren zoals hij heeft gedaan, te weten over – kort gezegd – de bekentenis die [eiser] in 2008 tegenover hem in het Huis van Bewaring te Zutphen heeft gedaan. [gedaagde] heeft daarover als getuige onder ede de waarheid verklaard en hij blijft daar bij. De omstandigheid dat [gedaagde] na verloop van tijd de finesses van die destijds tegenover hem afgelegde bekentenis niet meer kent, maakt dit niet anders; - de verklaringen van de getuigen van de zijde van [eiser] vormen geen bewijs voor diens stelling dat de verklaringen van [gedaagde] vals waren. De verschillen betreffen ook slechts ondergeschikte punten; - naast de verklaringen van [gedaagde] zijn in de strafzaak belastende verklaringen afgelegd door twee andere getuigen, welke verklaring door de strafrechter ook zijn gebruikt als bewijs; - van het vereiste causaal verband kan geen sprake zijn. De verklaring(en) van vormt/vormen bepaald niet het enige bewijs waarop [eiser] is veroordeeld. Er is een brandtechnisch onderzoek verricht waarbij de hoofdbrandmeester als getuige is gehoord. Ook is er een toxicologisch onderzoek gedaan en is er sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Reeds is uiteengezet dat er eveneens belastende verklaringen zijn afgelegd door twee andere getuigen. Zonder de verklaring(en) van [gedaagde] zou [eiser] ook strafrechtelijk zijn veroordeeld met deze bewezenverklaring en met de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren; - een afzonderlijke schadestaat procedure is niet nodig en brengt nodeloos kosten met zich mee; - nimmer is door [eiser] een bedrag aan schade genoemd. Wettelijke rente is derhalve niet toewijsbaar; - [eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij – uitvoerbaar bij voorraad – te worden verwezen in de kosten die in dit geding zijn gevallen aan de zijde van [gedaagde]. De beoordeling van het geschil
- Vooropgesteld moet worden dat het de strafrechter is die in ons rechtsbestel moetbeoordelen of een op schrift gestelde verklaring en/of een verklaring van een ter zitting door de strafrechter gehoorde getuige geloof verdient en mede daarom als bewijsmiddel in de zinvan artikel 339 lid 1 onder 3 (verklaring van getuige) of onder 5 (schriftelijk bescheid) in hetstrafvonnis wordt gebezigd. De bewezenverklaring (van wat door de Officier van Justitie istenlastegelegd) moet steunen op de inhoud van de in het strafvonnis op te nemen bewijsmiddelen, inhoudende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden, aldus artikel 359 lid 3 van het wetboek van Strafvordering. Door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is dat voor wat betreft de gebezigde (getuige)verklaringen gedaan op de wijze zoals dat hiervoor is aangehaald.
- In het geval de stelling is dat daarbij door de strafrechter niet juist is overwogen en beslist omdat aan een verklaring geen geloof kan worden gehecht en deze daarom niet als bewijsmiddel had mogen worden gebezigd, dient zulks met behulp van de in het wetboek van Strafvordering aangeduide gewone rechtsmiddelen door een hogere/andere strafrechter te worden beoordeeld. In casu staat vast dat de gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput en dat alleen het buitengewone rechtsmiddel van herziening (art. 457 e.v. van het wetboek van Strafvordering) in beginsel nog open staat.
- Het in het wetboek van Strafvordering opgenomen systeem van gewone en buitengewone rechtsmiddelen betreft een zogenaamd gesloten systeem: daarbuiten bestaan dus in beginsel geen juridische mogelijkheden meer om op te komen tegen een overweging en/of beslissing van de strafrechter. Dit brengt mee dat van de rechter oordelend in civiele zaken niet kan worden gevergd dat hij beoordeelt of de strafrechter een door hem als bewijs gebezigde schriftelijke verklaring of een verklaring van een getuige afgelegd ter zitting van de ondeugdelijk/onbetrouwbaar is (gebleken). Die vraag moet en had moeten worden voorgelegd in de strafza(a)k(en) die volgen op het daartoe instellen van de meergenoemde gewone en buitengewone rechtsmiddelen.
- Daarbij komt dat hier vastgesteld moet worden dat het buitengewone rechtsmiddel van herziening nog niet is uitgeput. [eiser] is thans kennelijk doende om daarvan gebruik te (gaan) maken.
- Een en ander brengt mee dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in diens vorderingen. Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan onbesproken worden gelaten.
- [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in dit geding zijn gevallen aan de zijde van [gedaagde]. Rechtdoende De rechtbank: I. Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in diens vorderingen om reden als voormeld. II. Veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de aan de zijde van [gedaagde] in dit geding gemaakte kosten, welke kosten tot op heden moeten worden begroot op € 73,- voor griffierecht en € 1421,-- voor salaris van de advocaat. III. Verklaart de hiervoor onder II gegeven betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Koopmans, Zweers en Marsman en op woensdag 30 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.