vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer / rolnummer: C/08/153636 / KG ZA 14-114 Vonnis in kort geding van 17 april 2014 in de zaak van
(3)bijlagen en aanvulling kan de precieze en feitelijke invulling van het project (aard, locatie en aantal opstallen) worden afgeleid. En hoewel het doel van de samenwerkingsovereenkomst de ontwikkeling van het ANZA-terrein lijkt te zijn, is het moment van realisatie van die ontwikkeling niet objectief te bepalen nu de daadwerkelijke ontwikkeling en de omvang van die ontwikkeling afhankelijk is van tal van onzekere factoren. De voorzieningenrechter vindt hiervoor steun in artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst waarin is bepaald dat een gezamenlijk besluit tot bouw niet eerder wordt genomen dan nadat – kort gezegd – 75% van het betreffende projectdeel kan worden verkocht. De daadwerkelijke bouw en daarmee de daadwerkelijke projectrealisatie is dus afhankelijk van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangezien het project onvoldoende is bepaald in de samenwerkingsovereenkomst. 5.
- Nu naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd komt de voorzieningenrechter toe aan het verweer van Torenstad c.s. dat Woonbedrijf Ieder1 geen zwaarwichtig belang bij beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst heeft gelet op de belangen van Torenstad c.s. zodat die opzegging in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Ter nadere onderbouwing voeren Torenstad c.s. aan dat er (twee) grote projecten lopen die voorlopig niet zullen zijn afgerond. Torenstad c.s. stellen voorts een groot (financieel) belang te hebben bij de voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst. 5.
- Aan haar opzegging heeft Woonbedrijf Ieder1 – kort gezegd – de navolgende redenen ten grondslag gelegd (brief d.d. 27 november 2013): Torenstad c.s. slagen er al 12 jaar niet in om tot ontwikkeling van het project te komen terwijl Woonbedrijf Ieder1 daarvan de kosten draagt en het verlies voorfinanciert, er geen zicht is op een spoedige ontwikkeling, de situatie door de crisis steeds uitzichtlozer is geworden en Woonbedrijf Ieder1 alle kosten van de stagneerde ontwikkeling financiert. Ter nadere onderbouwing van de opzegging heeft Woonbedrijf Ieder1 bovendien het navolgende aangevoerd. Reeds geruime tijd voordat het ANZA-terrein in 2008 feitelijk voor ontwikkeling ter beschikking kwam, omdat de huurovereenkomst met ANZA Holland dan zou eindigen, hebben Torenstad c.s. daarvoor ontwikkelingsplannen samengesteld die echter nimmer als zodanig tot uitvoering zijn gekomen (feitelijk noch planologisch). Voorts is slechts sprake van deelontwikkelingen waarbij geen sprake is van een totale profijtelijke ontwikkeling. De reeds uitgevoerde en huidige deelontwikkelingen zullen naar rato en bij lange na niet de reeds gemaakte kosten dekken. Daarbij komt, aldus Woonbedrijf Ieder1, dat Torenstad c.s. tot op heden weigeren om conform het bepaalde in artikel 11 van de samenwerkingsovereenkomst tot tussentijdse betaling van hun deel van het geleden verlies over te gaan. Voorts stelt Woonbedrijf Ieder1 dat doorgang van het Saxion-project nog uiterst onzeker is omdat daarvoor nog vele voorwaarden en voorbehouden gelden. Tot slot stelt Woonbedrijf Ieder1 dat het kabinet in 2013 met de corporatiesector afspraken heeft gemaakt over de activiteiten die woningcorporaties nog mogen verrichten en niet meer mogen verrichten. Volgens Woonbedrijf Ieder1 is de kern van die afspraken – die zijn verwerkt in een Novelle, inhoudende een wijziging van de Herzieningswet Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting, die naar verwachting in 2014 kracht van wet krijgt – dat woningcorporaties zich nog slechts mogen richten op hun kerntaken: het ontwikkelen, beheren en verhuren van sociale woningen. 5.
- Of, en zo ja onder welke voorwaarden, een (duur)overeenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien, zoals hier, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging (zoals die in dit kort geding aan de orde is) geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap) en HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (De Ronde Venen/Stedin)). 5.
- Thans zal de voorzieningenrechter beoordelen of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen of er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging dient te zijn en, zo ja, of die er is. 5.
- Door Torenstad c.s. is aangevoerd dat partijen een financieel belang hebben bij voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst en OMA in het bijzonder, want zij genereert aanzienlijke inkomsten met haar werkzaamheden als hoofdontwikkelaar. Bovendien lopen er (twee) grote deelprojecten die voorlopig nog niet zijn afgerond en beëindiging van de samenwerking zal ook het afbreken van deze projecten tot gevolg kunnen hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat partijen een aanzienlijk financieel belang hebben bij voortzetting. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het door Woonbedrijf Ieder1 als productie 3 bij de bodemdagvaarding overgelegde “overzicht kosten en opbrengsten ANZA locatie” waaruit een geprognotiseerd verlies van ruim € 4.000.000,00 blijkt. Hoewel Torenstad c.s. de juistheid van dit overzicht bestrijden, erkennen zij wel dat er thans verliezen worden geleden. Zonder nadere onderbouwing door Torenstad c.s., die ontbreekt, is verder onvoldoende aannemelijk geworden dat de samenwerkingsovereenkomst binnen afzienbare tijd tot een winstgevend resultaat zal leiden dan wel dat Torenstad c.s. een bijzonder belang hebben bij het voortduren daarvan. Zo is niet duidelijk geworden in hoeverre OMA afhankelijk is van de inkomsten die zij genereert met haar werkzaamheden als hoofdontwikkelaar. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat het Saxion- en het Ketelhuisproject daadwerkelijk door zullen gaan. Zo is niet gebleken dat de ter zake van het Saxion-project gemaakte voorbehouden al zijn uitgewerkt. In het beperkte kader van dit kort geding kan, bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing, bovendien niet worden aangenomen dat het einde van de tussen partijen bestaande overeenkomst zal leiden tot substantiële schade aan de zijde van Torenstad c.s. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. 5.
- Gelet op het vorenstaande brengen de door Torenstad c.s. aangevoerde omstandigheden naar de in rechtsoverweging 5.10 geformuleerde maatstaven niet zonder meer mee dat een zwaarwegende grond voor de opzegging van de bestaande commerciële relatie aanwezig moet zijn. Tezamen met het feit dat de samenwerkingsovereenkomst reeds in oktober 2001 is aangegaan en dat partijen eerder met elkaar hebben samengewerkt (Havenkwartier, Sluiskwartier, Badhuisweg, Zuidbroek, Harten Aasje), brengen die omstandigheden wel mee dat een opzegtermijn in acht moet worden genomen. De in acht genomen opzegtermijn van vier maanden acht de voorzieningenrechter, gelet op de aard en inhoud van de samenwerkingsovereenkomst en de omstandigheden van het geval, niet onredelijk. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het belang van Woonbedrijf Ieder1 bij de opzegging in de kern is gelegen in het feit dat zij substantiële financiële middelen ter beschikking dient te stellen / dient te investeren zonder dat er concreet zicht is op de ontwikkeling en realisatie van de projecten en de daarbij behorende opbrengsten, zodat Woonbedrijf Ieder1 geen enkel zicht heeft op terugbetaling van de door haar geïnvesteerde bedragen. Bovendien, zo stelt Woonbedrijf Ieder1, zijn de projecten verliesgevend en lopen de verliezen alleen maar verder op. Voorts betrekt de voorzieningenrechter bij dit oordeel dat Woonbedrijf Ieder1 zich bereid heeft verklaard om ook na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, tot het moment van vereffening en verdeling, op basis van pariteit initiatieven te ondersteunen die voor alle partijen profijtelijk zijn en daarvoor 1/3 van de benodigde financiering te verstrekken. 5.
- Voorshands geoordeeld mocht de samenwerkingsovereenkomst, gegeven de omstandigheden van het geval, door Woonbedrijf Ieder1 eenzijdig worden beëindigd middels opzegging, zulks onverschillig of aan Torenstad c.s. enig tekortschieten terzake viel te verwijten. De discussie tussen partijen over de kwaliteit van de prestaties en werkzaamheden van Torenstad c.s. kan hier daarom buiten beschouwing blijven. 5.
- De slotsom is dat de vorderingen van Torenstad c.s. zullen worden afgewezen. 5.
- Torenstad c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonbedrijf Ieder1 worden tot op heden begroot op: griffierecht € 608,00 salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00) Totaal € 1.512,00 6De beoordeling in reconventie 6.
- Een partij die een eis in reconventie wenst in te stellen, deelt de eis en de gronden daarvan zo spoedig mogelijk, uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting, schriftelijk mee aan de wederpartij, aan eventuele overige partijen en aan de voorzieningenrechter (artikel 7.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie). Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor meebrengen dat een reconventionele eis tijdig wordt aangekondigd. Woonbedrijf Ieder1 heeft eerst ter zitting haar reconventionele eis ingesteld waarvoor zij desgevraagd geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Gelet hierop, heeft de voorzieningenrechter ter zitting beslist dat de eis in reconventie ontoelaatbaar is. Dit betekent dat Woonbedrijf Ieder1 in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 6.
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 7De beslissing De voorzieningenrechter In conventie 7.
- wijst de vorderingen af; 7.
- veroordeelt Torenstad c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van Woonbedrijf Ieder1 tot op heden begroot op € 1.512,00; 7.
- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; In reconventie 7.
- verklaart Woonbedrijf Ieder1 in haar vorderingen niet-ontvankelijk; 7.
- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.