RECHTBANK OVERIJSSEL Afdeling Strafrecht - Meervoudige Kamer te Zwolle Parketnummer: 08.760226-13 (P) Uitspraak: 7 juli 2014 VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN: het openbaar ministerie tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1988 te Mogadishu (Somalië), zonder vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende in de PI Leeuwarden, Huis van Bewaring De Marwei te Leeuwarden. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2014, 14 april 2014 en 23 juni 2014. De verdachte is op 20 januari 2014 en op 14 april 2014 niet verschenen en is ter terechtzitting verdedigd door mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem, die uitdrukkelijk was gemachtigd. Verdachte is op 23 juni 2014 verschenen, bijgestaan door mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem. Als officier van justitie was telkens aanwezig mr. W.E.M. van Erp. TENLASTELEGGING De tenlastelegging is ter terechtzitting van 14 april 2014 overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Aan verdachte is tenlastegelegd dat 1. hij op of omstreeks 6 oktober 2013, te Heeten, gemeente Raalte, althans (in ieder geval) (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer 1] - in/tijdens de uitoefening van zijn functie van/als politieagent, werkzaam bij de Regiopolitie IJsselland - en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2] - in/tijdens de uitoefening van haar functie van/als aspirant, werkzaam bij de Regiopolitie IJsselland - van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - tijdens een (langdurige) (wilde) achtervolging, waarbij voornoemde [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], in zijn/haar/hun (opvallende) politievoertuig, de (personen)auto, waarin hij, verdachte en/of zijn mededader(
(1)persoon een kaal hoofd had danwel kort geschoren haar had. Ik zag dat de manspersonen rond de 20 a 25 jaar oud waren.(..) Ik heb de centralist de positie van de manspersonen doorgegeven. Ik hoorde dat er meerdere eenheden nagenoeg ter plaatse waren.(..) Ik hoorde van de centralist dat de collega's op de kruising Kaagstraat met de Aakstraat twee personen hadden aangehouden.(..) Ik zag dat er twee manspersonen waren aangehouden. Ik zag dat dit de twee manspersonen betroffen die ik gevolgd had. Uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 oktober 2013 is onder meer het volgende gebleken. Op maandag 7 oktober 2013 te 02:50 uur, hielden wij, verbalisanten, op de locatie Aakstraat, 8102 HH Raalte (Aakstraat kruising tjalkstraat), als verdachte aan: Verdachte: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [voornamen verdachte] Geboren: [geboortedatum 1] 1988.(..) Omstreeks 02:45 uur kregen collega's van Raalte een melding van de meldkamer uitgegeven. In Raalte, op de Almelosestraat, zouden twee Marokkaans uitziende personen lopen. De melder bleek collega [verbalisant], die het hele incident, inclusief de zoektocht naar de verdachten, had meegekregen.(..) Uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 oktober 2013 is onder meer het volgende gebleken. Op maandag 7 oktober 2013 te 02:50 uur, hielden wij, verbalisanten, op de locatie Aakstraat, 8102 HH Raalte (Aakstraat kruising tjalkstraat), als verdachte aan: Verdachte: Achternaam: [medeverdachte 1] Voornamen: [voornaam medeverdachte 1] Geboren: [geboortedatum 2] 1997. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2013 is onder meer het volgende gebleken. Op 19 november 2013, zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vanaf De Hunneberg op transport gesteld.(..) Tijdens dit transport heeft er een OVC plaatsgevonden, waarvan de volgende geluidsbestanden zijn uitgeluisterd en uitgewerkt. [medeverdachte 1]: hey luister dan. [medeverdachte 2] : joh, [medeverdachte 1]: weet je wat ze hebben [medeverdachte 2]: wat dan? (..) [medeverdachte 1]: ze hebben DNA [medeverdachte 2]: van wie ? [medeverdachte 1]: van mij en jou [medeverdachte 2]: van mij en jou? [medeverdachte 1]: van mij hebben ze een bij een tabacca gevonden [medeverdachte 2]: watte? [medeverdachte 1]: bij mij hebben ze tabacca DNA [medeverdachte 2]: van de Tabacca? [medeverdachte 1]: en van jou van die IBAHAARSPELD (FON) (..) Samenvatting gesprek [medeverdachte 2] heeft [bijnaam verdachte] gehoord in het cellencomplex, ze hebben aan elkaar kunnen vragen hoe het gaat en waar ze vast zitten.(..) Het gesprek gaat over [bijnaam verdachte] dat deze zijn baard laat staan en dat hij twee jaar in Londen vast heeft gezeten, ze vinden hem een strijder. (..) [medeverdachte 2]: Ik heb respect voor [bijnaam verdachte] man. [medeverdachte 1]: he ? [medeverdachte 2]: respect voor [bijnaam verdachte] ulla.(..) [medeverdachte 1]: (verheft zijn stem) hij zei die dag: "hey hey schoot, schoot, schoot, schoot" [medeverdachte 2]: watte? [medeverdachte 1]: "hij zei : [medeverdachte 2] schoot, schoot, schoot" [medeverdachte 2]: watte? [medeverdachte 1]: "hij zei: [medeverdachte 2] nu ! Shoot, schoot. [medeverdachte 2]: watte? [medeverdachte 1]: hij zei die dag [medeverdachte 2]: ssssssst, (verheft zijn stem) hey, ho,ho,ho, ik hoorde jou [medeverdachte 2]: hou stil of zo Ulla, ben je gek of zo? [medeverdachte 1]: wat? [medeverdachte 2]: niet praten in deze ding joh. [medeverdachte 1]: ze verstaan mij niet die bitchass [medeverdachte 2]: jawel jongen. Dan nog, er kan een microfoon in zitten, mijn advocaat zei tegen mij. [medeverdachte 1]: hey mijn moeder was op bezoek gekomen. [medeverdachte 2]: ulla, vanuit België?(..) [medeverdachte 1]: ze zei: "ja [medeverdachte 1](FON) .. uhh schietpartij .. je maakt er een film van". [medeverdachte 2]: ulla. [medeverdachte 1]: ze zegt: "ja je kunt beter gaan bekennen, ik weet zeker. jou vrienden gaan?" Zeg maar dat jullie mij gaan snitchen, je weet toch? Ik zeg: "luister, nieuw onderwerp (lachje) (..) [medeverdachte 1]: je weet toch…Ik vertrouw jullie, zo wie zo. [medeverdachte 2]: dat had ik ook met jou en [bijnaam verdachte], alleen dinges, die TURK dat weet ik niet, weet je, ik ken hem niet weet je. [medeverdachte 1]: die TURK, al die niet op zijn zwijgrecht gaat ... [medeverdachte 2]: ulla ik maak hem dood. [medeverdachte 1]: snap je, en hij? Hij gaat vast zitten hij heeft ook vast gezeten op OV op een casino. [medeverdachte 2]: ik weet anderhalf jaar hier in de HUNNEBERG [medeverdachte 1]: ja. [medeverdachte 1]: welke bureau zat je? [medeverdachte 2]: in Deventer. [medeverdachte 1]: ik ook. [medeverdachte 2]: ulla. [medeverdachte 1]: of nee ik zat in Zwolle. [medeverdachte 2] : in Zwolle? [medeverdachte 1]: ja ik en [bijnaam verdachte] waren kanker ver gaan lopen. [medeverdachte 2]: Ik uhh…hahah ... en die ander ook. [medeverdachte 1]: ik was bijna bij het station. Samenvatting gesprek: [medeverdachte 1] zegt; "[bijnaam verdachte], zo wie zo, op zijn zwijgrecht, ik had gelijke tijd met hem verhoren. Ulla hij was maar tien seconden weg. [bijnaam verdachte] zei: ‘ik beroep mij op mijn zwijgplicht’. [medeverdachte 2] wil weten of [medeverdachte 3] (fon) niets gezegd heeft, [medeverdachte 1] denkt dat hij niets heeft gezegd. [medeverdachte 1]: die turk, kon niet zo heel goed rijden. [medeverdachte 2]: ulla ik had hem beter geplankt. [medeverdachte 1]: ja mattie .. [medeverdachte 2]: zo wie zo. [medeverdachte 1]: hij raakt in paniek dat is niet goed. [medeverdachte 2]: nee man. [medeverdachte 1]: we waren bijna .. botsing he. [medeverdachte 2]: ja jongen ulla. Ik zei ook tegen hem, volgende keer gaat niet zo goed van afkomen he?? [medeverdachte 1]: ja, snap je. [medeverdachte 2]: klopt, klopt. [medeverdachte 1]: volgende keer, komt geen volgende keer. [medeverdachte 2]: ik zei? [medeverdachte 1]: er komt geen volgende keer. Volgende keer zijn gewoon twee mans, verder niemand. [medeverdachte 1]: Hoe laat was je opgepakt? [medeverdachte 2]: om uhh .. half twaalf man. [medeverdachte 1]: zo snel? [medeverdachte 2]: hahaha, zo snel?? [medeverdachte 1]: Weet je hoe laat ik was opgepakt? [medeverdachte 2]: nee?? [medeverdachte 1]: half drie. [medeverdachte 2]:ulla. [medeverdachte 1]: in de nacht. [medeverdachte 1]: je bent een lange Jan. [medeverdachte 2]: ja hahaha. [medeverdachte 1]: ik schiet je naar huis?????? .een revolver door zijn kop [medeverdachte 2]: (schreeuwt) bang. [medeverdachte 1]: (schreeuwt) bang, bang, bang, bang. [medeverdachte 2] : (schreeuwt) raaaaa. [medeverdachte 1]: (schreeuwt) jaaaaaa. [medeverdachte 2]: jaahahahaha. [medeverdachte 1]: bang, bang, bang, tadu tadu tadu,?? bang, bang, bang.(..) [medeverdachte 1]: die IBAHJS(FON) zijn auto ging zig zag, hij wist niet waar die heen ging, hij maakte mik mak. [medeverdachte 2]: met iets in de koplamp. [medeverdachte 1]: rakketak. [medeverdachte 2]: raaaaa, hahahah. [medeverdachte 1]: kanker transport. [medeverdachte 2]: laat ze lood spugen, die lBAHJS (FON) zijn gewoon kanker joden. Uit de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] op 8 oktober 2013 is onder meer het volgende gebleken. (Vraag: Wat kan je vertellen over [verdachte]?) Antwoord: Afkomst? (Vraag: Somalisch.) Antwoord: Dat is die jongen met wie ik ben aangehouden. Ik noemde hem Somaliaan. (Vraag: Waarom denk je dat hij die jongen is met wie je bent aangehouden?) Antwoord: Ik liep met hem. De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, vastgesteld kan worden dat verdachte [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op de avond van 6 oktober 2013 gezamenlijk zijn opgetrokken en vervolgens omstreeks 21.00 uur met zijn vieren in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] hebben gezeten. Uit de camerabeelden die zijn opgenomen in het flatgebouw waar [medeverdachte 1] woont, is immers gebleken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om 19.51 uur gezamenlijk het flatgebouw hebben verlaten en dat ongeveer één minuut later ook verdachte, [verdachte], het flatgebouw heeft verlaten. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] is voorts gebleken dat zij op het parkeerterrein omstreeks 20:30 uur – derhalve 40 minuten later, hetgeen qua tijd past binnen het overbruggen van de afstand Arnhem – Schalkhaar - vier personen bij de Volkswagen Polo heeft gezien. Ook uit de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gebleken dat sprake is geweest van vier personen die in de Volkswagen Polo hebben gezeten. Voorts stelt de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat tijdens de achtervolging van de Volkswagen Polo diverse goederen uit de auto zijn gegooid, dan wel goederen op de vluchtroute zijn aangetroffen – te weten een politiejas, een politiepet en een politie-overhemd. Tevens is de Volkswagen Polo die avond om 23:05 uur aangetroffen en zijn goederen – een muts, handschoenen en twee sigarettenpeuken - in de Volkswagen Polo aangetroffen. Op deze goederen heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij op de politiepet een DNA-spoor is aangetroffen dat matcht met een referentiemonster van verdachte, [verdachte], en op de handschoen, de muts en de peuken DNA-sporen zijn gevonden die matchen met het referentiemonster van [medeverdachte 1]. Later op diezelfde avond zijn om 23:35 uur [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] samen lopend in Haarle aangehouden en om 2:50 uur zijn verdachte en [medeverdachte 1] samen lopend in Raalte aangehouden. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank tevens van belang dat in de hiervoor uitgewerkte OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], naar het oordeel van de rechtbank is gesproken over het incident op 6 oktober 2013, gelet op het feit dat de tijdens het OVC-gesprek besproken zaken in belangrijke mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Zo komen de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan elkaar vertelde tijdstippen van aanhouding én met wie zij zijn aangehouden overeen met het relaas van de politie hierover, en komen hun gesprekken over naar welk politiebureau zij zijn gebracht, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] die avond ver hadden gelopen, dat DNA van hen is aangetroffen, dat er een wilde achtervolging heeft plaatsgevonden en er bijna een botsing is geweest en er is geschoten, overeen met de inhoud van de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen. De rechtbank leidt tevens uit dit OVC-gesprek af dat met de ‘Turk’ [medeverdachte 3] wordt bedoeld, nu [medeverdachte 3] van Turkse komaf is, hij in het gesprek [medeverdachte 3] wordt genoemd en wordt besproken dat hij eerder wegens een overval op een casino anderhalf jaar in JJI De Hunnerberg heeft gezeten, hetgeen blijkt te kloppen met zijn justitiële documentatie. Tevens leidt de rechtbank uit dit OVC-gesprek af dat met ‘[bijnaam verdachte]’ verdachte wordt bedoeld, nu verdachte van Somalische afkomst is en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [verdachte] ‘Somaliaan’ noemt en [bijnaam verdachte] daarvan naar het oordeel van de rechtbank een evidente afkorting is. Tevens wordt in het OVC-gesprek verwezen naar het feit dat [bijnaam verdachte] twee jaar in Londen heeft vastgezeten, hetgeen blijkt te kloppen met de justitiële documentatie van verdachte ([verdachte]). De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de rechter-commissaris op 19 juni 2014 dat het OVC-gesprek over een andere gebeurtenis zou gaan, waarover hij echter geen nadere gegevens wil verstrekken, legt de rechtbank als onvoldoende specifiek en niet verifieerbaar terzijde. Bij al het voorgaande neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte, hoewel daarnaar meermalen gevraagd, geen enkele andere verklaring heeft gegeven voor de hiervoor vermelde belastende feiten en omstandigheden. Enige andere denkbare gang van zaken is door dit stilzwijgen van verdachte dan ook niet aannemelijk geworden. Op grond van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien - staat voor de rechtbank dan ook vast dat het verdachte was die op 6 oktober 2013 samen met drie medeverdachten in de Volkswagen Polo heeft gezeten. De rechtbank zal in tegenstelling tot de volgorde op de tenlastelegging nu eerst het onder 2 ten laste gelegde feit bespreken (het treffen van voorbereidingshandelingen) en vervolgens het onder 1 ten laste gelegde feit (de poging doodslag). Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De rechtbank heeft ten aanzien van feit 2 naast de hiervoor bij de bespreking van de bewijsmiddelen met betrekking tot de vaststelling dat verdachte één van de inzittenden van de Volkswagen Polo is geweest, die hier als herhaald en ingelast beschouwd worden, acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Getuige [getuige 4] heeft op 7 oktober 2013 onder meer het volgende verklaard. Ik woon met mijn vriendin, [naam 2], aan [adres 8] 8 in Schalkhaar. Op zondag 6 oktober 2013, omstreeks 20.45 uur zaten mijn vriendin en ik op de bank in onze woonkamer.(..) Van daaruit hadden wij zicht op de parkeerplaats bij de voetbalvelden.(..) Op genoemd tijdstip zag ik een auto de parkeerplaats op komen rijden.(..) Ik zag dat de auto zwart van kleur was.(..) Ik zag dat persoon 2 en 3 zich kennelijk aan het omkleden waren.(..) Ik zag vervolgens dat de auto omstreeks 21.00 uur wegreed.(..) Ik zag dat de auto verder geen verlichting aan had.(..) Ik zag dat ze heel rustig wegreden. Ik kon niet zien waar ze vanaf de parkeerplaats naar toe reden. Er is daar een splitsing met een weg richting de Colmschaterstraatweg en naar [adres 1].(..) Ik zag toen dat er vanaf het begin van de parkeerplaats een auto aan kwam rijden. Ik zag dat de auto twee kleine lampjes aan de voorzijde aan had en verder geen verlichting. Ik wist meteen dat het om dezelfde auto ging. Dit was ongeveer 5 minuten nadat de auto in eerste instantie de parkeerplaats afgereden was.(..) Mijn vriendin belde weer met de politie om te melden dat de auto weer terug was op de parkeerplaats. Ik zag dat de personen niet uit de auto zijn kwamen. Ik zag op een gegeven moment een politieauto de parkeerplaats op komen rijden. Ik zag dat zij eerst rustig reden. Ik zag dat de politieauto gekeerd werd. Ik zag dat de donkere auto vervolgens de parkeerplaats afscheurde en dat de politie er achteraan reed. Na ongeveer 10 tot 15 minuten zag ik een politieauto de parkeerplaats op komen rijden. Mijn vriendin en ik zijn toen naar de politieauto toe gelopen om ons verhaal te doen. Ik zag op de plek waar de donkere auto als eerste had gestaan, dus op positie 1, een donker stuk stof of iets dergelijks. Ik denk dat het om kleding ging, maar heb het niet goed gezien. Uit de gemaakte foto van het in de auto aangetroffen papiertje is onder meer het volgende gebleken. [adres 2], [adres 2] Barneveld [adres 1], Schalkhaar. Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek is onder meer het volgende gebleken. BVH-nummer: 2013084723.(..) Op zondag 6 oktober 2013 te 23:00 uur, werd door mij verbalisant als forensisch onderzoeker op verzoek van de Meldkamer Oost-Nederland van Regiopolitie IJsselland een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot doodslag/moord, gepleegd tussen zondag 6 oktober 2013 te 20:55 uur en zondag 6 oktober 2013 te 23:00 uur.(..) Verzocht werd de gegevens veilig te stellen die mogelijk in het inbeslaggenomen goed aanwezig waren en onderzoek te doen naar gegevens van locaties welke in dit navigatiesysteem waren opgeslagen. Nummer goed: 13-0875-1 Soort goed: Navigatiesysteem Merk: Mio Type: Spirit 475(..) Op de gegevensdrager trof ik onder de map "my documents" logbestanden aan. Deze bestanden bevatten informatie over, kennelijk, gereden routes. (..) Deze bestanden heb ik uitgecopieerd en op een CD-Rom geplaatst, welke is toegevoegd als bijlage aan dit proces verbaal.(..) Ik zag dat als thuis-locatie ingesteld stond: [adres 7] Arnhem Gelderland Nederland(..) Uit PV Mio bijlage handmatig onderzoek is onder meer het volgende gebleken. [adres 1], Schalkhaar 05/10/13. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 11 oktober 2013 is onder meer het volgende gebleken. Op verzoek van de meldkamer Oost-Nederland, heb ik sporenonderzoek verricht op de parkeerplaats aan [adres 8] te Schalkhaar waar de personenauto en de vier personen zich hadden opgehouden.(..) Ik zag in deze hoek een witte tierip van ongeveer 50 cm lang en 1 cm breed op de grond liggen. Uit het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] d.d. 28 juli 2012 is onder meer het volgende gebleken. Feit: Diefstal van personenauto Plaats delict: [adres 9] Schalkhaar, binnen de gemeente Deventer Pleegdatum: Tussen 28 juli 2012 te 04:00 uur en zaterdag 28 juli 2012 te 07:00 uur. Ik doe aangifte van diefstal van de mij in gebruik zijnde personenauto, merk Volkswagen Polo GTI, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken 2]. Uit de internetaangifte d.d. 28 juli 2012 van [naam 4] is onder meer het volgende gebleken. Maatschappelijke klasse: Diefstal uit/vanaf personenauto Pleegdatum/tijd: Zaterdag 28 juli 2012 te 20:48 uur Plaats voorval: de A1 Markelo 27, Holten (..) Werden wij door het RMC gestuurd naar de Al bij het AC restaurant, aldaar zou er van een personenauto de beide kentekenplaten gestolen zijn. TP troffen wij AAB met zijn gezin aan en bleek dat er rond 20 :30 uur door een onbekend gebleven persoon in het restaurant was gezien dat er een zwartkleurige personenauto bij de personenauto van AAB stil ging staan en dat de beide personenauto's van hetzelfde model waren. Er was blijkbaar iemand uitgestapt en deze had van het geparkeerde voertuig de beide kentekenplaten gestolen en op zijn eigen voertuig gedaan. Voorbereidingshandelingen Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft. Daarom zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die de verdachten en zijn (eventuele) medeverdachte(
- n)bij zich had(den) bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf. Krachtens de geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar de uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen, dienstig konden zijn voor het misdadige. De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen bij de bespreking van feit 1 reeds is overwogen vast is komen te staan dat verdachte en zijn drie medeverdachten tijdens de vluchtpoging meerdere politiekledingstukken uit de auto hebben gegooid en dat tevens in de Volkswagen Polo kledingstukken van de politie zijn aangetroffen. Daarnaast is op de parkeerplaats in Schalkhaar waar de Volkswagen Polo heeft gestaan een tie-rip aangetroffen. Uit het politieonderzoek is voorts gebleken dat het adres “[adres 1], Schalkhaar” op een briefje in de auto is aangetroffen en dat dit adres op 5 oktober 2013 in het navigatiesysteem dat in de Volkswagen Polo is aangetroffen is geprogrammeerd. Verdachte en zijn drie medeverdachten zijn op 6 oktober 2013 in de avonduren in de Volkswagen Polo – welke Volkswagen Polo gestolen blijkt te zijn én daarbij voorzien blijkt van gestolen kentekenplaten – aan komen rijden op een donkere plek op de parkeerplaats te Schalkhaar. Zij hebben zich daar omgekleed, zijn weggereden en korte tijd later wederom teruggekomen op de parkeerplaats. Gebleken is dat de parkeerplaats in de nabije omgeving van de [adres 1] te Schalkhaar is gelegen. Daarbij overweegt de rechtbank dat alle vier de verdachten ten tijde van het ten laste gelegde woonachtig waren in Arnhem en verdachte geen enkele uitleg heeft gegeven over wat hij op dat tijdstip deed op een voor hem – reeds ten opzichte van diens woonplaats – als niet zonder meer voor de hand liggende en als zeer afgelegen aan te merken plek als Schalkhaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de combinatie en de onderlinge samenhang van de aangetroffen voorwerpen – waaronder politiekleding, tierips, kabels, ijzerdraad, een zaklamp - en de bij de achtervolging gebleken aanwezigheid van een (vuur)wapen én hun gedrag op de parkeerplaats van Schalkhaar alsook door het gebruik van een gestolen auto en gestolen kentekenplaten, worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachten deze voorwerpen voorhanden hebben gehad met het voornemen om daarmee een diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel afpersing te plegen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke vermommingen - waarbij gebruik wordt gemaakt van politiekleding - worden gebruikt om de te overvallen personen te misleiden door hun vertrouwen te winnen en zo toegang te verkrijgen tot hun woning en hen daarna in hun woning te overvallen. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat gebruikmaking van een gestolen auto en gestolen kentekenplaten de identiteit van – voortvluchtige - overvallers verhult en hun pakkans verkleint. Voornoemde omstandigheden zijn in samenhang met de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen en de overige genoemde andere omstandigheden in sterke mate redengevend voor het bewijs, mede vanwege het feit dat verdachte hiervoor geen enkele andere, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven aangezien hij zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is er tevens sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de drie medeverdachten. Zij zijn immers met zijn vieren vanuit Arnhem naar de parkeerplaats van Schalkhaar gereden, hebben zich daar omgekleed, zijn met zijn vieren in de auto weer weggereden, zijn vervolgens weer met zijn vieren terug naar de parkeerplaats gegaan en zijn wederom weer met zijn vieren in de auto weggereden, waarna de achtervolging door de politie is begonnen. Daarbij is nergens uit de bewijsmiddelen gebleken dat één van de verdachten zich op een bepaald moment heeft gedistantieerd. De rechtbank is, gelet op al het hiervoor overwogene, dan ook van oordeel dat verdachte zich op 6 oktober 2013 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen, gericht op een (woning)overval dan wel afpersing. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 - naast de hiervoor bij de bespreking van vermelde bewijsmiddelen met betrekking tot de vaststelling dat verdachte één van de inzittenden van de Volkswagen Polo is geweest en met betrekking tot feit 2 - acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Getuige [getuige 5] heeft op 9 oktober 2013 onder meer het volgende verklaard. Zondagavond, 6 oktober 2013, om 21.05 uur bracht ik mijn zoon naar boven, naar bed. Toen hoorden we in de verte al sirenes. Toen ik enkele minuten later naar beneden liep, de keuken in, hoorde ik weer sirenes. Ik keek via het keukenraam naar buiten, naar de Holterweg. Wij wonen twee- a driehonderd meter vanaf de Holterweg.(..) Ik hoorde en zag dat een grijze personenauto op de Holterweg reed in de richting van Nieuw Heeten. Vlak hier achter reed een politieauto met zwaailicht en sirene. (..) Ik hoorde 3 of 4 knallen vlak voordat de auto's voor mij zichtbaar werden. (..) Ze reden hard, als ik moet schatten 100 tot 120 km per uur, in ieder geval harder dan dat ze normaal op deze weg mogen rijden, dat is 80 km per uur.(..) Ik heb 3 of 4 knallen gehoord, het klonk als een buks. Twee of drie knallen hoorde ik direct achter elkaar en het laatste schot, dus de derde of vierde, enkele seconden later. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 9 oktober 2013 is onder meer het volgende gebleken. Op zondag 6 oktober 2013 omstreeks 23.30 uur heb ik een onderzoek ingesteld aan de veiliggestelde dienstauto. Ik zag dat het een herkenbaar dienstmotorvoertuig betrof van de politie. Het betrof een Volkswagen voorzien van het kenteken [kenteken 3]. Ik zag dat er in de linker koplamp een inschotopening zat. In de reflectiekap die erachter zat zag ik ook een inschot zitten. De beide inschot openingen lagen in 1 baan. Gezien dit zijn beide inschoten veroorzaakt door 1 projectiel. Via het tweede gat kwam ik uit in het motorgedeelte van het voertuig. Na onderzoek trof ik op de beschermkap aan de onder binnenzijde van de auto een projectiel aan. Sporendrager(
- s)(..) Object: Munitie (projectiel) (..) Bijzonderheden: aangetroffen in motorgedeelte dienstauto 6-10-13 te 23.30. Poging doodslag De raadsman van verdachte heeft ter zitting aangevoerd, dat verdachte door het schieten op de politieauto geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van de verbalisanten. Ook door het handelen van verdachte is volgens de raadsman geen aanmerkelijke kans geweest op de dood van verbalisanten. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen – en gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen - vast is komen te staan dat verdachte samen met drie medeverdachten in de Volkswagen Polo heeft gezeten en dat er uit de Volkswagen Polo meermalen is geschoten, nu aangever [slachtoffer 1] dit heeft verklaard en getuige [getuige 5] meerdere knallen kort op elkaar heeft gehoord. Voorts is uit het politieonderzoek gebleken dat in de koplamp van de dienstauto een kogelgat is aangetroffen en in het motorblok munitie is aangetroffen, waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk– met scherpe munitie - gericht op de dienstauto is geschoten waarin op dat moment twee verbalisanten als bestuurder én passagier zaten. Daarbij was de afstand tussen de vluchtauto en de politieauto op het moment dat vanuit de Volkswagen Polo werd geschoten relatief klein. Door met een vuurwapen uit een rijdende auto met scherpe munitie meermalen te schieten op een achteropkomende auto bestaat, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans dat de inzittenden geraakt zouden kunnen worden door de door de schutter afgevuurde kogels en daarbij letsel zouden kunnen oplopen waarvan de dood het gevolg kan zijn. Het gegeven dat beide auto’s tijdens de achtervolging mogelijk wilde voertuigbewegingen hebben gemaakt kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aan de aanmerkelijkheid van de trefkans afdoen aangezien de auto’s op relatief korte afstand van elkaar hebben gereden terwijl er bovendien meerdere malen geschoten is. Het dossier bevat daarnaast geen enkel aanknopingspunt dat de aanname rechtvaardigt dat de schutter louter het oog heeft gehad op het toebrengen van materiële schade. De voornoemde gedragingen van de schutter kunnen in dit geval naar hun uiterlijke verschijningsvorm genomen dan ook worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van een levensgevaarlijke verwonding aan de verbalisanten dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, de dood van de verbalisanten, bewust moet hebben aanvaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er gelet op het voorgaande sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen. Medeplegen De rechtbank overweegt dat voor medeplegen in de eerste plaats is vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het plegen van het delict. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten, maar de samenwerking moet intensief zijn. De intensieve samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. Uit de hiervoor omschreven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor reeds is overwogen blijkt dat verdachte en de drie medeverdachten op de avond van 6 oktober 2013 langdurig gezamenlijk hebben opgetrokken, voorbereidingshandelingen voor een (woning)overval dan wel afpersing hebben getroffen én samen in de Volkswagen Polo hebben gezeten van waaruit meermalen met scherp is geschoten. Gelet op de hierboven reeds omschreven gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten, vóór, tijdens en kort na de achtervolging door de politie, een en ander in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en diens medeverdachten zo nauw met elkaar samenwerkten, dat niet van belang is wie welke rol bij of rond het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft vervuld, doch dient elk van hen als mededader van die feiten en mitsdien als dader te worden aangemerkt. Hierbij heeft de rechtbank tevens gelet op de omstandigheid dat noch verdachte noch zijn medeverdachten zich op enigerlei wijze of op enig moment heeft gedistantieerd van de gedragingen van de ander. Integendeel, de achtervolging door de politie – waarbij ook meermalen met scherp op de politie is geschoten - heeft langere tijd geduurd en nergens uit het dossier is gebleken dat één van de verdachten toen heeft aangegeven dat de vlucht voor de politie moest stoppen, dan wel dat niet op de politie moest worden geschoten. Integendeel, uit de hiervoor weergegeven OVC gesprekken is juist gebleken dat tijdens het rijden aanmoedigende woorden zijn geuit en door ‘[bijnaam verdachte]’ is geroepen ‘[medeverdachte 2], shoot, shoot’ in plaats van dat is getracht de bestuurder van de auto, dan wel de schutter van zijn handelen af te houden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aard van de voorwerpen, zoals verdachte en medeverdachten deze voorhanden hebben gehad zoals hiervoor onder 2 bewezen is verklaard, erop duidt dat bij verdachte en diens medeverdachten de bereidheid tot het toepassen van geweld dan wel het accepteren dat geweld zou kunnen worden toegepast op 6 oktober 2013, reeds vanaf het begin af aan aanwezig is geweest. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten medeplegen van poging tot doodslag, wettig en overtuigend is bewezen. Voorbedachte raad De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 6 oktober 2013 heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat verdachte van dit onderdeel vrijgesproken dient te worden. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat 1 primair hij op 6 oktober 2013 te Heeten, gemeente Raalte, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1] - in/tijdens de uitoefening van zijn functie van/als politieagent, werkzaam bij de Regiopolitie IJsselland - en een persoon, genaamd [slachtoffer 2] - in/tijdens de uitoefening van haar functie van/als aspirant, werkzaam bij de Regiopolitie IJsselland - van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet - tijdens een wilde achtervolging, waarbij voornoemde [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], in hun opvallende politievoertuig, de personenauto, waarin hij, verdachte en zijn mededader(
- s)zich op dat moment bevonden met hoge snelheid op/over de N332 achtervolgden - vanuit die personenauto - met een vuurwapen - meermalen in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], althans in de richting van dat opvallende politievoertuig heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 6 oktober 2013 te Schalkhaar, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging van geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan (een) perso(o)n(en), woonachtig op het adres [adres 1] te Schalkhaar opzettelijk: - een of meer tie-rip(
- s)en - een (politie)muts en - een politie overhemd en - een politiepet en - een (vuur)wapen en - handschoenen (soortgelijk aan politiehandschoenen) en - een (personen)auto en - een zaklamp en - ijzerdraad (lengte 25
- cm)en - een briefje met daarop geschreven de adressen [adres 1] te Schalkhaar en [adres 2] te Barneveld, zijnde voorwerpen, een vervoermiddel, bestemd tot het begaan van die misdrijven, voorhanden heeft gehad en hij, verdachte, en/of zijn (mede)dader(
- s)- een personenauto in een donkere hoek - bij de voetbalvelden (te Schalkhaar)- heeft geparkeerd en - zich (aldaar) hebben omgekleed en - (vervolgens) met die personenauto in de richting van [adres 1] zijn gereden en - (vervolgens) met die personenauto weer terug naar een donkere hoek bij de voetbalvelden zijn gereden. Van het onder 1 primair en onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Het bewezene levert op: 1 primair. Medeplegen van poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij de artikelen 287 juncto 47 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht. 2. Medeplegen van voorbereiding van diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij de artikelen 312 juncto 317 juncto 46 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. STRAFBAARHEID van de VERDACHTE Vrijwillige terugtred De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit (subsidiair) ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat er sprake zou zijn van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Het als beoogd veronderstelde misdrijf is niet voltooid als gevolg van omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn geen concrete feiten en omstandigheden gebleken waaruit de door de verdediging gestelde vrijwillige terugtred volgt. Verdachte en zijn medeverdachten zijn op 6 oktober 2013 omstreeks 20.30 uur in de gestolen Volkswagen Polo op de parkeerplaats te Schalkhaar aangekomen, hebben zich daar op een donkere plek omgekleed, zijn met zijn vieren in de auto weggereden, zijn vervolgens weer met zijn vieren bij de parkeerplaats teruggekomen en zijn omstreeks 21.00 uur wederom gezamenlijk in de auto weggereden, waarbij één van de verdachten een gele politiejas heeft gedragen. Op het moment dat de opvallende politieauto de parkeerplaats is opgereden, zijn verdachte en zijn medeverdachten ondanks het door de politie gegeven stop-teken doorgereden en hebben daarbij hun snelheid verhoogd. Tijdens de wilde achtervolging die daarop is gevolgd, zijn vervolgens diverse goederen – waarvan de rechtbank onder 2 bewezen heeft verklaard dat deze goederen bij uitstek geschikt zijn voor het plegen van een overval – uit de Volkswagen Polo gegooid. De rechtbank is van oordeel dat de komst van de opvallende politieauto op de parkeerplaats derhalve tot gevolg heeft gehad dat de beoogde woningoverval niet heeft plaatsgevonden, hetgeen een omstandigheid is geweest die van buitenaf is gekomen en niet afhankelijk is geweest van de wil van verdachte, dan wel zijn medeverdachten. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte en zijn medeverdachten zélf op hun besluit om een (woning)overval te plegen waren teruggekomen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte, noch bij zijn medeverdachten, sprake geweest van vrijwillige terugtred. Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar. MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van het voorarrest. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en van het onder 2 ten laste gelegde en dat derhalve geen straf dient te volgen. Het oordeel van de rechtbank Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door tijdens een wilde achtervolging, die langere tijd heeft geduurd, meermalen met scherpe munitie richting een politieauto te schieten waarin verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten, die op dat moment in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Uit de slachtofferverklaringen van de verbalisanten zoals deze ter terechtzitting zijn voorgedragen is gebleken dat de verbalisanten tijdelijk niet hebben kunnen functioneren als gevolg van het gebeuren. Daarnaast moet worden aangenomen dat de verdachte met zijn medeverdachten met het tegen ambtsdragers gerichte geweld in het bijzonder bij die groep en overigens in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid hebben versterkt. De verdachte heeft tevens samen met zijn medeverdachten voorbereidingshandelingen verricht voor een diefstal met geweld dan wel afpersing op/van een persoon wonende aan de [adres 1] te Schalkhaar. Het is niet aan de verdachte en zijn medeverdachten, maar aan externe factoren te danken geweest dat een dergelijke gewapende (woning)overval, met alle mogelijke ernstige gevolgen van dien, niet heeft plaatsgevonden. Gewapende (woning)overvallen zijn zeer ernstige misdrijven die een forse inbreuk maken op de rechtsorde en veel gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. Voor de slachtoffers hiervan zijn dit bijzonder traumatische ervaringen. Vanwege de ernst van dergelijke feiten heeft de wetgever ook de voorbereidingshandelingen daartoe strafbaar gesteld. De verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de impact van een gewapende (woning)overval op het slachtoffer toen hij samen met zijn medeverdachten voorbereidingen trof voor een dergelijke overval. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank heeft als strafverzwarende omstandigheden nog meegewogen dat sprake is van medeplegen en dat sprake is geweest van het meermalen schieten op ambtsdragers tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Daarnaast heeft verdachte tevens voorbereidingshandelingen getroffen voor een (woning)overval waarbij sprake is geweest van een weldoordachte en geraffineerde wijze van handelen, zoals is gebleken uit het feit dat gebruik is gemaakt van een gestolen auto met gestolen kentekenplaten én van politiekleding. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de brief van de Reclassering d.d. 17 december 2013 en de overige stukken van verdachtes persoonsdossier waaruit is gebleken dat verdachte thans geen vaste woon- en/of verblijfplaats heeft in Nederland en tevens het intakegesprek bij de reclassering heeft geweigerd, zodat de reclassering zich - gelet op laatstgenoemde omstandigheid – heeft onthouden van het geven van een advies met betrekking tot de op te leggen straf. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande - alsmede gelet op het feit dat verdachte geen enkel inzicht wil geven in zijn handelen - geen aanleiding om van de gevangenisstraf een gedeelte voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval de oplegging van een gevangenisstraf van 5 jaar passend en geboden. Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de justitiële documentatie d.d. 4 juni 2014. De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht. VORDERINGEN VAN DE BENADEELDE PARTIJEN De benadeelde partijen [slachtoffer 1] (gemachtigde B. Korenberg) en [slachtoffer 2] (gemachtigde B. Korenberg) hebben zich beide met een vordering tot schadevergoeding gevoegd in het strafproces van een bedrag van € 3.500,-- aan immateriële schade. De benadeelde partij Politie eenheid Oost, District IJsselland (gemachtigde A.C. Daudeij) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding gevoegd in het strafproces van een bedrag van € 312,43 aan materiële schade. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en Politie eenheid Oost, District IJsselland in zijn geheel dienen te worden toegewezen, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en Politie eenheid Oost, District IJsselland niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de verzochte vrijspraak voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde, dan wel de verzochte ontslag van alle rechtsvervolging voor het onder 2 ten laste gelegde. Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer 1] Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] (gemachtigde B. Korenberg) als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de vordering is onderbouwd voorzover deze betrekking heeft op de psychische gevolgen tijdens én kort na de achtervolging en het schietincident, zodat de immateriële schade, gelet op de aard en de ernst van het feit en de gevolgen die het feit voor de benadeelde heeft gehad tot € 500,-- voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vordering ten aanzien van de psychische gevolgen op langere termijn onvoldoende is onderbouwd zodat de gestelde immateriële schade voor het overige onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal dan ook voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij. [slachtoffer 2] Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] (gemachtigde B. Korenberg) als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de vordering is onderbouwd voorzover deze betrekking heeft op de psychische gevolgen tijdens én kort na de achtervolging en het schietincident, zodat de immateriële schade, gelet op de aard en de ernst van het feit en de gevolgen die het feit voor de benadeelde heeft gehad tot € 500,-- voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vordering ten aanzien van de psychische gevolgen op langere termijn onvoldoende is onderbouwd zodat de gestelde immateriële schade voor het overige onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal dan ook voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij. Politie eenheid Oost, district IJsselland Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij Politie eenheid Oost district IJsselland als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende, weersproken. De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 312,43, vermeerderd met de wettelijk rente over dit bedrag vanaf de dag dat het onder 1 primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij. Beslissing Het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar. Het onder 1 primair en onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht. Schadevergoeding De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (gemachtigde B. Korenberg) van een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2013 (de dag waarop het onder 1 primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,--, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (gemachtigde B. Korenberg) van een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2013 (de dag waarop het onder 1 primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,--, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Politie eenheid Oost, district IJsselland (gemachtigde A.C. Daudeij) van een bedrag van € 312,43 (zegge: driehonderdtwaalf euro en drieënveertig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2013 (de dag waarop het onder 1 primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening. Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en/of een van zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 312,43,--, ten behoeve van het slachtoffer Politie eenheid Oost, district IJsselland, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. K. van Leeuwen en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2014. Mr. Van Leeuwen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Politie Oost Nederland, Recherche Deventer, BVH nummer 2013084723, opgemaakt op 16 maart 2014. Proces-verbaal bevindingen uitkijken beelden d.d. 18 oktober 2013, pag. 362 t/m 366. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 7 oktober 2013, pag. 256 en 257. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 7 oktober 2013, pag. 177 t/m182. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 7 oktober 2013, pag. 183 t/m186. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 14 oktober 2013, pag. 281 en 282. Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 7 oktober 2013, pag. 269. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2013, pag. 230. Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 11 oktober 2013, pag. 236 en 237. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2013, pag. 224 t/m226. Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 10 oktober 2013, pag. 289, 290 en 292. NFI rapport d.d. 25 maart 2014, losbladig. Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 3] d.d. 7 oktober 2013, pag. 65 en 66. Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 2] d.d. 7 oktober 2013, pag. 24 en25. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pag. 219 en 220. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2013, pag. 227 en 228. Proces-verbaal van aanhouding [verdachte] d.d. 7 oktober 2013, pag. 98 en 99. Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 1] d.d. 7 oktober 2013, pag. 117. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2013, pag. 241 -251. Pagina 241. Pagina 242. Pagina 244 Pagina 245. Pagina 246. Pagina 247. Pagina 248. Pagina 250. Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d.8 oktober 2013, pag. 140. Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 7 oktober 2013, pag. 260 t/m 262. Pagina 29 Proces-verbaal onderzoek navigatiesysteem d.d. 9 oktober 2013 met bijlage, pag. 368 t/m 370. Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 11 oktober 2013, pag. 294 en 295. Proces-verbaal van aangifte van [naam 3] d.d. 28 juli 2012, pag. 190-191. Internetaangifte door [naam 4] d.d. 28 juli 2012, pag. 200 en 201. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 9 oktober 2013, pag. 254. Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 9 oktober 2013, pag. 343 en 344.