← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2014:5600

Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/955838-13 Datum vonnis: 21 oktober 2014 Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Liberia), wonende in [woonplaats], [adres]. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. de Jong en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.J.M. van Denderen, advocaat te Hengelo (O), naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 juli 2013 in Hengelo (O) [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft geprobeerd te zoenen. Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat: hij op of omstreeks 17 juli 2013 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  2. en)[slachtoffer] te dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), op voornoemde [slachtoffer] is toegelopen en/of (vervolgens) staande dicht en/of nabij die [slachtoffer] zijn, verdachtes, hoofd onverhoeds naar het gezicht, althans naar het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gebracht teneinde die [slachtoffer] op/tegen diens mond te zoenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren subsidiair dertig dagen hechtenis waarvan twintig uren subsidiair tien dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 4De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5De beoordeling van het bewijs Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. 5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er dusdanige discrepantie tussen de verklaring van aangeefster en haar vriendin zit, dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn. Verder ontbreekt enige vorm van dwang; er is geen sprake geweest van onverhoeds optreden. Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat het proberen te zoenen niet als ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan worden aangemerkt, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. 5.2 De overwegingen van de rechtbank [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 17 juli 2013 samen met haar vriendin [getuige] bij een sieradenwinkel op de markt in Hengelo was. Eenmaal buiten kwam verdachte naar haar toe en sprak haar aan. Verdachte wilde haar een hand geven, maar [slachtoffer] wilde dit niet en trok haar hand terug. Vervolgens wilde verdachte haar een kus op de mond geven, maar [slachtoffer] draaide zich om en daardoor kwam de kus van verdachte op haar rechter bovenarm terecht. [slachtoffer] was bang en is terug de sieradenwinkel in gegaan. [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte [slachtoffer] op het gezicht wilde zoenen, maar dat [slachtoffer] haar hoofd wegdraaide op het moment dat verdachte haar een zoen op het gezicht wilde geven. [getuige] zag dat de zoen van verdachte op de bovenarm van [slachtoffer] terecht kwam. Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 juli 2013 in Hengelo meerdere meisjes heeft ontmoet, maar dat hij zich aangeefster en haar vriendin niet kan herinneren. Verdachte is van mening dat mocht hij hebben geprobeerd om aangeefster een kus te geven die kus was bedoeld als begroeting. Verdachte had met deze kus geen seksuele intenties. De rechtbank dient te beoordelen of hier sprake is geweest van een poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, als bedoeld in artikel 246 Sr. Allereerst komt de vraag aan de orde of verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] op haar mond te zoenen. Vastgesteld kan worden dat de verklaring van aangeefster, afwijkt van de verklaring van haar vriendin [getuige] en verdachte. Aangeefster verklaart dat verdachte heeft geprobeerd haar op de mond te zoenen. Haar vriendin [getuige] verklaart dat verdachte heeft geprobeerd haar op het gezicht te zoenen. Verdachte verklaart dat, mocht hij geprobeerd hebben aangeefster een zoen te geven, dan was dat bedoeld als begroeting. De rechtbank kan uit deze verklaringen niet afleiden dat verdachte de intentie had om aangeefster op haar mond te zoenen, zoals in de tenlastelegging staat opgenomen. Alleen al om die reden wordt verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, als al bewezen had kunnen worden dat verdachte de intentie had om aangeefster op haar mond te zoenen, het geven van een enkele kus, al dan niet op de mond, zonder bijkomende (seksuele) uitlatingen en/of handelingen, dan wel andere omstandigheden waaruit een seksuele context is af te leiden, niet kan worden aangemerkt als ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 Sr. Niet is komen vast te staan, dat de gedraging van verdachte zich heeft afgespeeld binnen een seksuele context, zodat niet gezegd kan worden dat er sprake is van een handeling van seksuele aard, die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Ook in dat geval zou verdachte vrijgesproken zijn van het tenlastegelegde feit. Tenslotte merkt de rechtbank op, dat het (proberen
  3. te)zoenen van een verdachte onbekend 14-jarig meisje ongepast is. De rechtbank begrijpt dat het voor aangeefster een onaangename ervaring is geweest. 5.3 De conclusie De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 6De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. C.C.S. Koppes en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.