RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Team jeugdrecht zaaknummer.: C/08/163647 / FA RK 14-2520 (HA) beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de rechtbank Overijssel d.d. 6 maart 2015 op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Almelo, verzoeker, hierna ook de Raad te noemen, met betrekking tot het minderjarige kind: [A] (roepnaam: [A]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]. Belanghebbenden zijn: [belanghebbende 1] , de moeder, en [belanghebbende 2] , de vader, samen te noemen: de ouders, advocaat: mr. B. Bentem. Voorts zijn betrokken bij het belang van de minderjarige: 1. Samen Veilig Flevoland (voorheen: Bureau Jeugdzorg Flevoland), de gecertificeerde instelling, hierna ook: de GI, 2. Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, te Flevoland, hierna: LJ&R, 3. de heer en mevrouw [B], hierna: de pleegouders. Het procesverloop De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende stukken: het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 29 oktober 2014; de bij dat verzoekschrift behorende bijlagen, waaronder een rapport en een bereidverklaring van de GI, gedateerd 30 oktober 2014; een faxbrief van LJ&R, ontvangen op 20 januari 2015; het verweerschrift van de ouders, ontvangen op 3 februari 2015. Op 4 februari 2015 heeft de kinderrechter, in bijzijn van de griffier, een gesprek gehad met [A]. Van dit gesprek heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Op 5 februari 2015 is ter griffie een e-mail van LJ&R ontvangen. De mondelinge behandeling van de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren op 6 februari 2015, gelijktijdig met de behandeling van het beroep van de ouders tegen een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling over omgang tussen ouders en [A]. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw [C], moeder, bijgestaan door mr. Bentem, LJ&R, vertegenwoordigd door mevrouw [D], gezinsvoogdes; de heer en mevrouw [B], vergezeld van de heer [E] namens Vitree Pleegzorgbegeleiding. De vaststaande feiten De minderjarige [A] is geboren uit de relatie van de ouders. De ouders zijn gehuwd op [datum]. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Sinds 26 oktober 2004 is [A] onder toezicht gesteld en met een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst. De maatregel wordt uitgevoerd door LJ&R krachtens door de gecertificeerde instelling verleend mandaat. Sinds mei 2005 woont [A] in het perspectiefbiedende pleeggezin van de familie [B]. Bij beschikking van1 juli 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo de ouders ontheven van het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 16 maart 2010 heeft het gerechtshof Arnhem de beschikking van 1 juli 2009 vernietigd. Bij beschikking van 31 maart 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken en de machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De maatregel wordt uitgevoerd door LJ&R te Lelystad krachtens door de gecertificeerde instelling verleend mandaat. Laatstelijk is de ondertoezichtstelling verlengd bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 juni 2014 voor de duur van acht maanden, ingaande 31 juli 2014 tot 31 maart 2015. De machtiging uithuisplaatsing is bij dezelfde beschikking verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het verzoek van de Raad De Raad verzoekt om de ouders van het gezag over de minderjarige te ontheffen. Als grondslag voor het verzoek stelt de Raad dat is gebleken dat de ouders ongeschikt of onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. De Raad verzoekt voorts om bij ontheffing de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd. Het verweer De ouders verzetten zich tegen de verzochte ontheffing. De standpunten Raad voor de Kinderbescherming In zijn op 29 oktober 2014 uitgebrachte onderzoeksrapport en de ter zitting gegeven toelichting baseert de Raad zijn verzoek, samengevat, op het navolgende. De ouders en de pleegouders delen een geschiedenis met elkaar, waarin naast positieve ook negatieve ervaringen zijn opgedaan. Hoewel de ouders aangeven dat zij de langdurige plaatsing van [A] bij de pleegouders accepteren, blijven zij een beroep doen op de loyaliteit van [A]. Hierdoor ontstaat er continu wrijving tussen de ouders en pleegouders. Om gezagsbeëindiging te voorkomen hebben de ouders en hun advocaat medio april 2014 gepoogd om in een convenant afspraken vast te leggen over de samenwerking met de pleegouders, waardoor de plaatsing van [A] mogelijk zou moeten zijn vanuit een vrijwillig kader. De pleegouders hebben echter onvoldoende vertrouwen dat het vrijwillig kader stand zal kunnen houden. Een ondertoezichtstelling past niet langer in de onderhavige situatie. De dagelijkse zorg voor [A] wordt niet door de ouders gedaan en vast staat dat zij dit in de nabije toekomst niet zullen doen. Het jaarlijks ter discussie stellen van de ondertoezichtstelling brengt voor alle betrokkenen spanningen mee en [A] heeft thans een leeftijd bereikt waarin zij deze spanningen voelt. Dit alles maakt dat een verderstrekkende maatregel wenselijk en noodzakelijk is. [A] heeft behoefte aan rust en heeft er recht op dat er wordt gestopt met procederen. De ouders blijven een appel doen op de loyaliteit van [A] en daar kan [A] niets mee. Ze heeft het gevoel dat ze zelf een dossier moet opbouwen en tegen een muur botst. Dit kan worden voorkomen indien een neutraal persoon, die tussen de ouders en de pleegouders staat, de volledige zeggenschap heeft over [A]. Een goede en prettige omgang voor [A] met haar ouders moet gewaarborgd zijn. De ouders Mr. Bentem heeft namens de ouders ter zitting het verweerschrift toegelicht en geconcludeerd tot afwijzing van het verzochte. In aanvulling daarop heeft de moeder het woord gevoerd. De bezwaren tegen het verzoek zijn als volgt samen te vatten. De goede bedoelingen van de ouders zijn door de huidige -zoveelste- gezinsvoogdes verkeerd opgepakt. De ouders voelen zich niet serieus genomen. Zij ervaren dat de huidige gezinsvoogdes stelling tegen hen neemt in het voordeel van de pleegouders. Ieder woord van de ouders en iedere handeling wordt gewogen en dit alles wordt consequent negatief uitgelegd. Dit heeft er onlangs zelfs toe geleid dat de gezinsvoogdes van mening is dat de contacten tussen [A] en de ouders moeten worden begeleid en dat deze dienen plaats te vinden in het omgangshuis van de gecertificeerde instelling. De ouders zien geen meerwaarde in een gezagsbeëindiging. De pleegouders zeggen wel omgang tussen [A] en de ouders niet in de weg te staan, maar zij handelen daar niet naar. De ouders accepteren uitdrukkelijk dat [A] in het pleeggezin woont en dat zij daar opgroeit. Zij nemen genoegen met een goede omgangsregeling en willen graag op de hoogte worden gehouden. De gezinsvoogdes De gezinsvoogdes ondersteunt het verzoek van de Raad. Van een aanvankelijk goede samenwerking tussen de ouders en de pleegouders is geen sprake meer en de spanningen lopen op. [A] heeft hiervan last. [A] heeft aangegeven dat zij het leuk vindt om haar ouders te zien maar ze vindt het lastig dat ze antwoord moet geven op vragen van de ouders, terwijl ze dat liever niet doet. [A] heeft zelf aangegeven dat ze het prettig vindt als er een neutraal iemand bij de contacten aanwezig is. In de huidige situatie, waarin ze bij in het pleeggezin woont, is sprake van stabiliteit voor [A] en het moet voor haar duidelijk zijn dat zij bij het pleeggezin kan blijven wonen. Bij de jaarlijkse besprekingen over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wordt die onduidelijkheid voor [A] en voor de ouders in stand gehouden. De pleegouders De Pleegouders ervaren dat [A] ondanks de langdurige plaatsing bij hen nog steeds regelmatig stress ervaart over het antwoord op de vragen waar zij zal opgroeien en wie beslissingen over haar dient te nemen. De pleegouders hebben geen vertrouwen in een plaatsing in het vrijwillig kader. Het heeft hun voorkeur dat de gecertificeerde instelling beslissingen neemt over zaken die het belang van [A] betreffen. Volgens de pleegouders is er tussen hen en de ouders onvoldoende wederzijds vertrouwen ontstaan en er is te vaak sprake van miscommunicatie waar [A] last van heeft. De pleegouders vrezen dat de spanningen alleen maar groter worden wanneer er geen instantie meer zal zijn die hierin een bemiddelende rol heeft. De pleegouders willen dat [A] een leuk en goed contact met haar ouders heeft vanuit de zekerheid dat zij bij de pleegouders kan blijven wonen. [A] heeft in het gesprek met de kinderrechter gezegd dat zij zich op haar plek voelt in het pleeggezin en ze heeft het liefst dat haar pleegouders het gezag over haar hebben. Ze vindt het leuk om contact met haar ouders te hebben, maar ze vindt het erg als haar ouders en pleegouders ruzie met elkaar hebben. Ze wil de omgang het liefst in de omgeving van [plaats 1] en ze wil graag tevoren weten wat zij met de ouders tijdens de omgang gaat ondernemen. Het liefst wil ze niet op bezoek in [plaats 2] en aan overnachten bij haar ouders is ze nog niet toe, ook niet als dat in de omgeving van [plaats 1] zou zijn. De beoordeling van de verzoeken en de motivering van de beslissing 1. Aan het verzoek van de Raad tot (gedwongen) ontheffing liggen de artikelen 1:266 en 1:268 leden 1 en 2a Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:254 BW, zoals deze luidden ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, ten grondslag. 2. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over zijn/haar kind c.q. kinderen worden ontheven, op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind c.q. kinderen zich daar niet tegen verzet. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouders zich daartegen verzetten, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de ouders niet instemmen met de ontheffing van het gezag over [A] ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor of er gegronde vrees bestaat dat na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden van de minderjarige, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de (gezaghebbende) ouders om de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid (als bedoeld in artikel 1:254 BW) van de minderjarige af te wenden. Daarbij doet niet ter zake of de dreiging van zedelijke of lichamelijke ondergang aan (één van) de ouders kan worden verweten. 3. Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.