RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/980 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 2] , te Agelo, eiser, gemachtigde: mr. A. Hurenkamp, en het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder, Procesverloop Bij besluit van 18 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een bijgebouw op het perceel [adres] te Agelo, kadastraal bekend gemeente Dinkelland, C2155. Bij besluit van 25 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. S. Grendelman en J.J.P. Groeneveld. Overwegingen 1. Op 12 juni 2014 heeft belanghebbende bij verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de uitbreiding van een bijgebouw op het onder Procesverloop genoemde perceel. Het bouwplan betreft een reeds gerealiseerde verbinding tussen de woning en het bij besluit van 19 december 2011 vergunde bijgebouw met zwembad. 2. Bij besluit van 18 september 2014, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd wegens strijd met artikel 16.2.3, onder b en d, van voorschriften van het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden”. Volgens verweerder kan geen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), nu in het vigerende bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor het oprichten van een bijgebouwen voor de voorgevel en het overschrijden van de maximale oppervlakte van bijgebouwen met meer dan 10%. Verweerder is niet bereid om onder toepassing van artikel 4 bijlage II van het Bor medewerking te verlenen aan een zogenaamde kruimelafwijking omdat dit planologisch niet aanvaardbaar is. Verweerder verwijst hierbij naar artikel 4 van de “Beleidsregel voor bouwen en gebruik met toepassing in strijd met het planologisch regime” volgens welke beleidsregel afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 4, bijlage II van het Bor mogelijk is als, onder andere, het totaal aan oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 100 m2. Op het perceel is reeds 246 m2 aan bijgebouwen aanwezig is. Tot slot geeft verweerder aan dat, anders dan eiser stelt, van een vergunningvrij bouwwerk geen sprake is, omdat het niet is gelegen in het achtererfgebied. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1685). 3. Eiser stelt dat sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Verweerder beroept zich volgens eiser in dat verband ten onrechte op de Afdelingsuitspraak omdat deze op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Het bouwwerk is volgens eiser gelegen op het achtererfgebied en grenst aan een niet openbaar toegankelijk gebied, en kan derhalve vergunningvrij worden gebouwd. Anders dan verweerder stelt, betreft het bouwplan niet een uitbreiding van het hoofd- of bijgebouw, maar de realisatie van een ingangspartij, welke vergunningvrij is. Volgens eiser heeft de woning op basis van het nieuwe Bor geen naar de openbare weg gerichte gevel. Strikte opvolging van de uitleg van het begrip achtererfgebied die verweerder kennelijk voor ogen heeft, is dat er in het buitengebied helemaal niet vergunningvrij gebouwd kan worden omdat gebouwen in het buitengebied veelal met alle zijden naar de openbare weg zijn gericht. Daar komt bij dat tussen de openbare weg en het hoofdgebouw een schuur staat. Volgens eiser bevat het bestemmingsplan een feitelijke fout. Door de tekst uit het Bor letterlijk te kopiëren naar het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden” kan niemand in het buitengebied vergunningvrij bouwen. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 16.6 van de planvoorschriften, waarin is neergelegd de bevoegdheid om het bouwvlak te wijzigen, en als voorwaarde is opgenomen dat de uitbreiding plaatsvindt achter de voorgevelrooilijn. Omdat het bestemmingsplan een fout bevat, had verweerder niet tot de betreffende toetsing van het bestemmingsplan kunnen komen. Volgens eiser is sprake van een hoekperceel en had verweerder op grond van artikel 16.2.4 van de bebouwingsvoorschriften de gevraagde vergunning kunnen verlenen. Uitgaande van twee voorgevelrooilijnen wordt ook voldaan aan de in artikel 16.6 onder b van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid van verweerder. 4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning alleen worden verleend: 1° met toepassing van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden; 2° in de in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen; 3° als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel 2, aanhef en onder derde lid, van bijlage II bij het Bor luidt voor zover relevant, als volgt: Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de daarbij vermelde eisen. Ter plekke geldt het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden ”. De bestemming ter plekke is “Wonen”. Ingevolge artikel 16.2.3 van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels: … De bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.