← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2015:4928

uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/23 15 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

  1. [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] ,
  2. [verzoeker sub 3] ,
  3. [verzoekers sub 4, 5 en 6] ,
  4. [verzoeker sub 7] , allen wonende te Deventer, verzoekers, gemachtigde: M.M. Geuzendarn, en het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder gemachtigde: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier. Als derde-partij heeft in de zaak geding deelgenomen: de gemeente Deventer. Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 1015 heeft verweerder besloten de reeds op 13 oktober 2015 aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de reconstructie van de openbare weg Pothoofd te Deventer, terstond in werking te laten treden. Verzoekers hebben zowel tegen het besluit van 13 en 27 oktober 2015 bezwaar gemaakt. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober
  5. [verzoeker sub 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde, voornoemd en [O] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mw. [W] . De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Overwegingen
  6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  7. Verweerder acht de reconstructie van het Pothoofd noodzakelijk om verkeerstechnische en veiligheidsredenen. De riolering en de verhardingen zijn op en moeten vernieuwd worden. Na het vervangen van de riolering wordt de weg ook ingericht. In de rijbaan wordt in de huidige fase ruimte gereserveerd voor de aanleg van een afslagstrook. Deze strook wordt definitief ingericht wanneer in het Sluiskwartier een tijdelijk parkeerterrein wordt aangelegd en de aanliggende panden zijn gesloopt (binnen circa twee jaar). Het aanleggen van een trottoir wordt vanuit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk geacht, omdat er anders geen goede en veilige ontsluiting is vanuit de nog aanwezige woningen en andere panden. Indien het trottoir ter plaatste van de huidige voortuinen niet wordt doorgetrokken heeft dat tot effect dat de bewoners vanuit hun tuin direct op het fietspad staan en ook andere voetgangers zullen dan voor een deel over de weg c.q. het fietspad moeten lopen, hetgeen volgens verweerder zeer onwenselijk is en tot verkeersonveilige situaties leidt. De werkzaamheden vinden plaats in een gebied waarvoor de volgende bestemmingsplannen gelden:- Bestemmingsplan “Sluiskwartier” Bestemmingsplan “Buitengracht —Oost”. Verweerder heeft vastgesteld dat het aanleggen van een trottoir in strijd moet worden geacht met de artikelen 3.
  8. en artikel 12.1 van het bestemmingsplan “Sluiskwartier”.
  9. Op grond van artikel 21, lid 1 onder b van dit bestemmingsplan kan worden afgeweken van de bestemmingsregels en worden toegestaan dat het beloop of profiel van wegen in geringe mate worden aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of-intensiteit daartoe aanleiding geven. Met toepassing van dit artikel heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
  10. Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft verweerder besloten deze omgevingsvergunning terstond in werking te doen treden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat bij de besluit- vorming tot vergunningverlening is nagelaten om met toepassing van artikel 6:2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de omgevingsvergunning terstond na bekendmaking in werking te laten treden. Verweerder heeft alsnog besloten gebruik te maken van deze bevoegdheid, gelet op de zwaarwegende belangen die zijn aangedragen bij een zo spoedig mogelijke uitvoering van het project.
  11. Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat de gemeente Deventer binnen een maand zal komen met een realistische visie over het gehele gebied “Het Sluiskwartier”, waaronder het Pothoofd. Daarbij zal de gemeente Deventer tot een besluit komen over nut en noodzaak omtrent de huidige (sloop-)plannen van het Pothoofd. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat verweerder artikel 21 van de planregels heeft gebruikt voor een ander doel dan in dit artikellid beschreven.
  12. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De voorzieningenrechter is gebleken dat zowel [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] als [verzoekers sub 4, 5 en 6] gebruikers zijn van de woning [adres 1] en het recht om deze woning te gebruiken ontlenen aan een bruikleenovereenkomst, zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn en zonder recht te hebben op de gebruikelijke huurbescherming. [verzoeker sub 3] is huurder is van het appartement op de eerste etage van het [adres 2] en ontleent het recht dit pand te gebruiken aan een gesloten huurovereenkomst voor woonruimte. Tenslotte is [verzoeker sub 7] huurder van (kantoor)ruimte op het [adres 3] en ontleent dit recht aan een gesloten huurovereenkomst voor kantoorruimte, die hem het recht geeft het pand als bedrijfsruimte te gebruiken voor uitsluitend opslag- en werkruimte.
  13. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het kader van de onderhavige procedure niet op voorhand kan worden gesteld dat (alle) verzoekers slechts een afgeleid belang hebben bij de door verweerder verleende omgevingsvergunning. Verzoekers kunnen derhalve in het door hun gezamenlijk ingediende verzoek om voorlopig voorziening worden ontvangen.
  14. De vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen zal verder, gelet op het korte tijdsverloop, uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de uitkomst van een belangenafweging. In dat verband heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen.
  15. Zoals gezegd ontlenen [verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 4, 5 en 6] hun recht op bewoning aan een bruikleenover- eenkomst, waarin zij contractueel zijn gewezen op de plannen tot herontwikkeling van de locatie en het tijdelijk karakter van hun hieraan gekoppelde gebruik om niet. Verder is [verzoeker sub 7] in paragraaf 8.
  16. van de gesloten “huurovereenkomst kantoorruimte” er uitdrukkelijk op gewezen dat hij er mee bekend is en het feit accepteert dat de te sluiten huurovereenkomst een tijdelijk karakter heeft door het feit dat het gehuurde deel uitmaakt van een gebiedsontwikkelingsplan en het object in dit kader in de toekomst gesloopt zal worden. Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat ter hoogte van het pand, waar [verzoeker sub 3] een appartement huurt, al een trottoir aanwezig is. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan te nemen dat verzoekers door de geplande reconstructie in betekenende mate geen gebruik meer kunnen maken van hun woon- dan wel werkplek.
  17. In het kader van genoemde belangenafweging acht de voorzieningenrechter verder van belang dat verweerder uitvoerig heeft toegelicht dat de reconstructie noodzakelijk is om verkeerstechnische- en veiligheidsredenen. Na de uitvoering van de werkzaamheden is de veiligheid van de weginrichting verbeterd en zijn de riolering en verhardingsmaterialen vernieuwd. Dat er ruimte is gereserveerd voor de aanleg van een afslagstrook doet niets af aan de noodzakelijkheid van de reconstructie. Ter zitting hebben de gemachtigden van vergunninghouder toegelicht dat een schorsing van de verleende vergunning desastreus zou zijn, omdat eind 2015 het financieringsprogramma van de provincie Overijssel vervalt, waaruit een belangrijk deel van de reconstructie wordt gefinancierd. Verder dienen de werkzaamheden voortvarend te worden opgepakt in verband met de nu al aanwezige verkeersoverlast en de kans op hoog water en vorst in de winter van 2015 en het voorjaar van
  18. Daarbij is aangegeven dat het Pothoofd in Deventer een belangrijke verkeersader vormt, die voor een zo kort mogelijke periode afgesloten dient te zijn voor het verkeer. Daarbij tekent de voorzieningenrechter verder aan, dat zij de omstandigheid dat is voorzien in een reservering voor een afslagstrook, in het licht van het uitvoeringskader “Ondertussen in het Sluiskwartier”, zoals dat op 28 januari 2015 door de raad van Deventer is vastgesteld, niet voorbarig acht. Dat de herinrichting van het Pothoofd opnieuw op de politieke agenda is gezet, brengt de voorzieningenrechter evenmin tot een ander oordeel nu, zoals gezegd, verweerder voldoende heeft onderbouwd dat reconstructie van het Pothoofd (mede) noodzakelijk is om verkeerstechnische en veiligheidsredenen, ook los van de mogelijke sloop van genoemde Pothoofdpanden.
  19. De voorzieningenrechter wijst op grond van al het voorgaande het verzoek om voorlopige voorziening af.
  20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.