← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2015:4952

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/2200 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen Stichting Werkgroep Zwartendijk, te Kampen, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Kampen, verweerder, gemachtigde: mr. R.J.J. Aerts. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Isala Delta vof, te Kampen, gemachtigden: mr. M.G.J. Maas-Cooymans en mr. B. Ebben. Procesverloop Bij besluit van 15 september 2015 (het primaire alsmede het bestreden besluit) heeft verweerder aan Isala Delta vof (hierna: Isala) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijke wegverbinding en het aanbrengen van de voorbelasting voor de definitieve brughoofden nabij de Nieuwendijk te Kampen. Verzoekster heeft op 7 oktober 2015 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter bij brief 13 oktober 2015 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 19 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november

  1. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. B.F. Zeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Jager, mr. J.L. Bogerd en ing. J.K. de Vries, bijgestaan door zijn gemachtigde. Isala heeft zich laten vertegenwoordigen door D.H. Rakers, dhr. Hassing en dhr. Van der Stouwe, bijgestaan door zijn gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter heft de getroffen voorlopige voorziening, zoals uitgesproken in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2015, met onmiddellijke ingang op. Overwegingen
  2. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  4. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat verzoekster gelet op haar doelstelling, zoals verwoord in haar statuten, dient te worden aangemerkt als belanghebbende.
  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345, bij haar tussenuitspraak ter zake van het in geding zijnde bestemmingsplan “IJsseldelta-Zuid” het plandeel “Water” met nadere aanduiding “Vaarweg” heeft geschorst. Bij zijn uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1566, heeft de voorzitter van de Afdeling de op 11 februari 2015 uitgesproken schorsing deels opgeheven maar voor de gronden waarop de thans vergunde werkzaamheden plaats (zullen) vinden in stand gelaten. De voorzieningenrechter is van oordeel, partijen gehoord hebbend ter zitting, dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het navolgende. De voorzieningenrechter stelt vast dat, ten tijde van de op 19 oktober 2015 getroffen voorlopige voorziening, de bij het in geding zijnde besluit vergunde werkzaamheden in uitvoering waren dan wel deels reeds waren uitgevoerd. Gelet op de ter zitting door verweerder en verzoekster gegeven toelichting dient thans nog een relatief klein deel van die vergunde werkzaamheden binnen het door de Afdeling geschorste plandeel te worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat deze nog te verrichten werkzaamheden tijdelijk van aard zijn (de vergunning heeft een geldigheidstermijn tot 15 september 2017) en niet onomkeerbaar zijn. Tevens stelt de voorzieningenrechter vast dat ter zitting onweersproken is gebleven dat voortgezette schorsing van de verdere uitvoering van de vergunde werkzaamheden zal leiden tot grote vertraging, niet alleen voor wat betreft de in de verleende omgevingsvergunning vergunde werkzaamheden maar tevens voor wat betreft andere werkzaamheden in gebieden waarvoor de schorsing van de Afdeling niet geldt. Gelet voorts op de in geding zijnde belangen ziet de voorzieningenrechter bij afweging van die belangen, mede in ogenschouw genomen hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om de op 19 oktober 2015 bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank getroffen voorlopige voorziening per direct op te heffen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november
  6. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.