Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer (P): 08/770167-15 Datum vonnis: 25 maart 2016 Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] , [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. C. Verrillo, advocaat te Denekamp, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontucht heeft gepleegd met het minderjarige zoontje van zijn partner.. Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat: hij - als partner van de (biologische) vader van [slachtoffer] - in of omstreeks de periode van 01 september 2014 tot 08 januari 2015 te Denekamp, gemeente Dinkelland, één of meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2005, door één of meermalen de ontblote penis van die [slachtoffer] vast te pakken en/of (daarbij) op- en/of neergaande beweging(en) te maken en/of (vervolgens) de voorhuid van de ontblote penis naar achteren te schuiven en/of te trekken en/of (vervolgens) vasaline, althans een middel op de penis van die [slachtoffer] aan te brengen; 3De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van de door verdachte in verzekering doorgebrachte tijd, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarde een (direct en indirect) contactverbod met [slachtoffer] . De civiele vordering kan naar de mening van de officier van justitie geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel. 4De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5De beoordeling van het bewijs Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, overeenkomstig de ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, dat verdachte zich bezig hield met het (mede) opvoeden van de zoon van zijn partner en dat daarbij de door hem, verdachte, verrichte handelingen niet seksueel van aard zijn geweest, zodat van het plegen van ontucht geen sprake is en verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Er is onvoldoende bewijs, maar bovenal is er zoveel twijfel dat er geen overtuigend bewijs is. Er is alle aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] . De verdediging heeft voorts betoogd dat aangeefster (de moeder van de minderjarige [slachtoffer] ) slechts tracht verdachte in een kwaad daglicht te stellen, zoals zij dat ook al eerder heeft gedaan en haar eigen problemen projecteert op [slachtoffer] . [slachtoffer] is gaan geloven in een verhaal dat hem is verteld. Volgens de verdediging is het een feit van algemene bekendheid dat rancuneuze ex-partners nogal eens seksueel misbruik erbij halen om iets gedaan te krijgen en een valse aangifte doen. 5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In de onderhavige zaak is de minderjarige [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) op 3 februari 2015 in de daarvoor bestemde verhoorstudio gehoord door de verbalisante [verbalisant 1] . Van dat verhoor is een gedetailleerd proces-verbaal opgemaakt (blz. 45-66). Daaraan voorafgaand blijkt uit het relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] (blz. 18-19) en [verbalisant 3] (blz. 20-21) in hun processen-verbaal van bevindingen dat zij op 7 januari 2015 naar het adres [adres 2] in [woonplaats] zijn gegaan, zijnde de woning van [slachtoffer] en zijn moeder. Aldaar is in de berging van de woning, door de moeder aan beide verbalisanten meegedeeld dat haar zoontje van negen jaar mogelijk aangerand/misbruikt was door de vriend van zijn vader, genaamd [verdachte] . De moeder gaf aan dat [slachtoffer] zijn verhaal nu wilde vertellen en dat zij bang was dat hij dat morgen niet meer zou durven. Verbalisant [verbalisant 2] heeft hierop contact opgenomen met de afdeling zeden en is daarna naar de woonkamer gegaan, alwaar [slachtoffer] zat. [slachtoffer] heeft met beide verbalisanten afzonderlijk gesproken en beide verbalisanten hebben daarvan een gedetailleerd proces-verbaal opgemaakt. Op 13 januari 2015 heeft de moeder, [moeder] , aangifte gedaan. In haar aangifte heeft zij tegenover de verbalisanten verklaard over hetgeen haar zoon [slachtoffer] haar heeft verteld. Uit de vier hiervoor vermelde processen-verbaal blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat [slachtoffer] consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Verdachte is meerdere keren door de politie gehoord, te weten op 30 maart 2015 (blz. 84-93), 31 maart 2015 om 9.20 uur (blz. 98-105) en om 13.45 uur (blz. 106-110) en op 1 april 2015 (blz. 111-116). Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet alleen de shampoo aan [slachtoffer] heeft gegeven toen deze onder de douche stond, maar dat hij ook de penis van [slachtoffer] heeft gewassen met een washandje. Geconfronteerd met het feit dat verdachte tegenover de politie wisselend heeft verklaard, zoals: - hij kon niet bij de shampoo en die heb ik hem gegeven. Verder niets (blz. 84-85); - ik heb nooit alleen in de douche gestaan met hem (blz. 100-101); - [vader] of ik hielp [slachtoffer] met afdrogen tot zijn zesde jaar, toen kon hij het helemaal zelf; - toen heb ik hem de shampoo gegeven en heb ik hem afgedroogd (blz. 103); - hij vroeg me wel een keer of hij ook zo’n grote kon krijgen als mij. Ik zei dat ik daar geen antwoord op kon geven; - het kan zijn dat ik die shampoo heb gegeven en dat hij toen heeft gevraagd hoe hij zich moest wassen en dat ik gezegd heb dat hij zich goed tussen de billen en bij zijn piemel moest wassen (blz. 104); - ik was beneden en ik hoorde hem roepen “ [verdachte] , ik ben klaar” en dat ik naar boven ben gegaan en vroeg of hij zijn voeten goed had afgedroogd (blz. 105); - hij vroeg hoe moet ik mijn piemeltje schoon maken. Hij hamerde er op dat ik dat moest doen. Ik ben toen maar met een washandje zijn piemeltje schoongemaakt (blz. 112); - ik heb dat direct toen ik beneden kwam aan [vader] verteld (blz. 113); - het kan wel dat ik het later heb verteld (blz. 113); - ik heb [slachtoffer] zo vaak gezegd dat hij zijn piemel goed moest schoonmaken. Dat heb ik zo vaak gezegd, altijd als hij onder de douche ging (blz. 113), heeft verdachte ter terechtzitting verklaard: - dat hij door de spanning bij zijn politieverhoren niet meer weet wat hij heeft verklaard; - dat hij door [slachtoffer] werd gedwongen om diens penis te wassen; - dat hij bij het wassen het velletje naar achteren heeft geduwd; - dat hij geen vaseline op de penis van [slachtoffer] heeft gesmeerd en dat, als zijn partner [vader] heeft gezegd dat hij dat wel gezegd zou hebben, zijn partner dat dan verkeerd heeft gehoord. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op wezenlijke onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, terwijl ook de waarnemingen van de hiervoor vermelde verbalisanten eensluidend zijn. Dat verdachte zich zou hebben laten overhalen om de penis van [slachtoffer] te wassen, acht de rechtbank gezien de verhouding tussen verdachte- die volwassen is - en [slachtoffer] - een kind van negen jaar – niet geloofwaardig. De rechtbank is verder van oordeel dat de handelingen van verdachte niet kunnen worden beschouwd als wassen of verzorgingshandelingen. Gezien de verklaring van [slachtoffer] kunnen deze niet anders worden uitgelegd dan als handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en aldus als ontuchtige handelingen. Uit het dossier komt naar voren en ook ter zitting is gebleken dat de verhoudingen tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer] moeizaam zijn. De rechtbank ziet hierin aanleiding om behoedzaam met haar verklaringen om te gaan. De rechtbank is echter niet gebleken dat zij [slachtoffer] verklaringen in de mond zou hebben gelegd. Van enige manipulatie op welke wijze dan ook is niet gebleken en ook overigens niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. 5.4 De conclusie De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij - als partner van de biologische vader van [slachtoffer] - in de periode van 1 september 2014 tot 8 januari 2015 te Denekamp, gemeente Dinkelland, meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2005, door de ontblote penis van die [slachtoffer] vast te pakken en op- en neergaande bewegingen te maken en de voorhuid van de ontblote penis naar achteren te schuiven en te trekken en vaseline op de penis van die [slachtoffer] aan te brengen. De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd . 7De strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 8De op te leggen straf of maatregel 8.1 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal plegen van ontucht bij de negenjarige zoon van zijn partner. Door het plegen van die feiten heeft verdachte op kwalijke wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het jongetje. Verdachte heeft daarbij bovendien het vertrouwen dat het jongetje in hem mocht hebben, als nieuwe partner van diens biologische vader, ernstig geschonden. Hoewel de rechtbank een straf als door de officier van justitie gevorderd passend acht, zal de rechtbank, gelet op hetgeen ter terechtzitting omtrent de persoon van verdachte gebleken, het voorgestelde onvoorwaardelijke deel van die straf enigszins matigen. 9De schade van benadeelden 9.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich, door tussenkomst van de gemachtigde F. Jakob (advocatenkantoor Jakob), voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post immateriële schade. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van € 1.500,--, zijnde dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank redelijk en billijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. Het overige deel van de gestelde immateriële schade acht de rechtbank niet voldoende onderbouwd en het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. 9.2 De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. 10De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr. 11De beslissing De rechtbank: vrijspraak/bewezenverklaring verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd; verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.