RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Enschede Zaaknummers : 4870220 EJ VERZ 16-88 en 4920735 EJ VERZ 16-108 Beschikking van de kantonrechter van 12 april 2016 in de zaken van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Machinefabriek Technology Twente B.V., gevestigd te Hengelo (O), verzoekende partij, tevens verwerende partij, hierna ook te noemen: de werkgever, gemachtigde: mr. C.M.H.M. van Oijen, advocaat te Venlo, tegen [X] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, tevens verzoekende partij, hierna ook te noemen: de werknemer, gemachtigde: mr. K.M.G. Terhürne, advocaat te Groningen. 1De procedures 1.1. De werkgever heeft een verzoek ingediend strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, te weten voor zover deze nog mocht bestaan. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot - zo begrijpt de kantonrechter - primair afwijzing van het verzoek en subsidiair, in geval van ontbinding, toekenning aan werknemer van een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto. 1.2. De werknemer heeft bij verweerschrift tevens een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend waarbij hij, na vermindering van zijn verzoek ter zitting: primair, verzoekt te verklaren voor recht dat er tussen partijen ook na 29 februari 2016 nog een arbeidsovereenkomst bestaat; en (meer) subsidiair, zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt rekening te houden met de voor hem geldende opzegtermijn en aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 10.000,00 bruto. 1.3. Op dinsdag 29 maart 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek en het (tegen)verzoek plaatsgevonden. De gemachtigden hebben gepleit overeenkomstig hun (al dan niet handgeschreven) aantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 1.4. Beschikking is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. De werknemer, geboren [1967] , is op 1 december 2014 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van CNC-freezer, met een salaris van € 3.103,38 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar, derhalve tot 31 november 2015. 2.2. In de arbeidsovereenkomst zijn, voor zover hier van belang, de navolgende bepalingen opgenomen: 2. [… .] Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van een jaar en zal ingaan op 1-12-2014 en van rechtswege eindigen op 30-11-2015. Voorafgaande opzegging en/of toestemming directeur van het CWI is derhalve niet nodig. Bij goed functioneren wordt dit contract omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. [… .] 4. Elk van beide partijen kan deze arbeidsovereenkomst tussentijds opzeggen tegen het einde van de kalendermaand met in achtneming van de krachtens de C.A.O. Metaal en Techniek geldende opzegtermijn. 2.3. Op 30 november 2015 heeft tussen [L] , controller bij werkgever, [K] , productiechef bij werkgever, en werknemer een gesprek plaatsgevonden. In dat gesprek is door werkgever aan werknemer medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat hij niet goed zou functioneren. 2.4. [X] heeft op 1 december 2015 zijn reguliere werkzaamheden verricht. 2.5. Begin december 2015 heeft er wederom een gesprek tussen de werkgever en de werknemer plaatsgevonden. 2.6. Werknemer heeft zich op 16 december 2015 ziek gemeld bij werkgever. 2.7. Op 17 december 2015 schrijft de werkgever aan de werknemer, voor zover hier van belang: [… .] U stelt zich op het standpunt [… .] dat er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat is volgens ons niet juist. De arbeidsovereenkomst duurt voort tot en met 29 februari 2016 en zal van rechtswege eindigen. Eind januari 2016 zal een evaluatie plaatsvinden omtrent de eventuele voortzetting na die datum. U heeft aangegeven dat u het niet eens bent met ons standpunt en gedreigd met ziekmelding indien wij niet bereid zouden zijn te bevestigen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Prompt daarop heeft u zich ziek gemeld. Het moge duidelijk zijn dat wij ernstig twijfelen aan uw ziekmelding.[… .] 2.8. Nadat de arboarts [X] arbeidsgeschikt achtte, is [X] op 4 januari 2016 weer aan het werk gegaan. 2.9. Op 6 januari 2016 heeft [X] zich wederom ziek gemeld bij de werkgever. 2.10. Op advies van de arboarts is op 10 januari 2016 is door de werkgever bij MedRecht mediation ingezet. 2.11. Op 29 januari 2016 is door werkgever aan de werknemer te kennen gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst na 29 februari 2016 niet wenste voor te zetten. De werkgever heeft de werknemer sinds 29 januari 2016 vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden. 3het verzoek 3.1. De werkgever verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden primair op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel d en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g B.W, alles voor het geval dat er tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst mocht bestaan. 3.2. De werkgever legt aan haar verzoek de hiervoor opgenomen vaststaande feiten ten grondslag. De werkgever stelt voorts dat zij, in de persoon van [K] , een door de directeur getekende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, op 30 november 2015 op de werkvloer bij de machine aan [X] heeft willen overhandigen, doch dat [X] heeft geweigerd deze arbeidsovereenkomst in ontvangst te nemen. Later op de dag is in een gesprek aan [X] medegedeeld dat werkgever niet tevreden was over zijn functioneren en dat werkgever niet voornemens was de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voort te zetten, doch dat zij [X] nog een kans wilde bieden zijn functioneren te verbeteren. In dat gesprek heeft werkgever [X] laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, onder dezelfde voorwaarden, maar voor een kortere duur, te weten drie maanden, wilde voortzetten. [X] heeft geweigerd deze nieuwe arbeidsovereenkomst te tekenen en is, nadat werkgever hem te kennen had gegeven dat zijn functioneren eind januari 2016 zou worden geëvalueerd, vertrokken. Werkgever stelt dat de arbeidsovereenkomst niet stilzwijgend is voortgezet en derhalve is verlengd voor een jaar, maar is voortgezet voor drie maanden en derhalve van rechtswege is geëindigd op 29 februari 2016. Enkel indien en voor zover rechtens zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 29 februari 2016 nog bestaat, behoort deze arbeidsovereenkomst te worden ontbonden, primair wegens de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid anders dan wegens ziekte, subsidiair wegens een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat van haar niet kan worden gevergd om deze te laten voortduren. 3.3. De werknemer heeft op het verzoek verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing, stellende dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is verlengd voor een jaar. Werknemer erkent bij verweerschrift wel dat met hem 'de optie' van verlenging met drie maanden is besprokene maar betwist dat hem op 30 november 2015 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden is aangeboden. Voorts betwist de werknemer dat met hem is gesproken over verlenging voor de duur van drie maanden. Van disfunctioneren is geen sprake. Werkgever heeft niet eerder dan op 30 november 2015 opmerkingen over zijn functioneren gemaakt. Ook van een verstoorde arbeidsrelatie is volgens werknemer geen sprake en voor zover die er is, is die door werkgever veroorzaakt door haar handelen op en na 30 november 2015. Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden maakt de werknemer aanspraak op een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. 3.4. Werknemer verzoekt in het (tegen)verzoek primair een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer ook na 29 februari 2016 nog bestaat. De werknemer stelt zich op het standpunt dat nu hij na 30 november 2015 heeft doorgewerkt en de werkgever niet tijdig heeft laten weten onder welke voorwaarden er na de einddatum doorgewerkt zou worden, de arbeidsovereenkomst geacht wordt te zijn voortgezet, voor een jaar op de vroegere voorwaarden. Hij betwist met klem dat de werkgever voor afloop van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk heeft aangegeven zijn arbeidsovereenkomst slechts voor de duur van drie maanden te willen voortzetten. Uitdrukkelijk wordt dan ook ontkend dat hem op 30 november 2015 een nieuwe arbeidsovereenkomst is voorgelegd. 3.5. Werkgever heeft geconcludeerd werknemer in zijn verzoek ter zake van de verklaring voor recht niet-ontvankelijk te verklaren en de verzochte billijke vergoeding af te wijzen. 4De beoordeling 4.1. Van het (tegen)verzoek van werknemer 4.1.1. Uit oogpunt van proces-economie zal de kantonrechter eerst het primaire (tegen) verzoek van werknemer beoordelen. 4.1.2. De werkgever concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de werknemer in zijn primaire verzoek. Zij stelt daartoe dat in artikel 7:686a lid 3 BW is bepaald welke vorderingen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen worden ingesteld in dezelfde verzoekschriftprocedure. De vordering tot een verklaring voor recht valt daar niet onder en dient separaat bij dagvaarding te worden ingesteld. 4.1.3. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3 p. 37-38) op artikel 7:686a BW is met betrekking tot de procedures bij de kantonrechter het navolgende opgenomen, voor zover hier van belang: De procedures bij de kantonrechter worden door een verzoekschrift aanhangig gemaakt. Dit geldt niet alleen voor het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst maar ook als de werknemer de opzegging door de kantonrechter wil laten vernietigen [… .] hij de overeenkomst wil laten herstellen, of een geschil over bijvoorbeeld het recht op of de hoogte van een vergoeding wil laten beslechten door de rechter. [… .] In alle hiervoor genoemde gevallen is gekozen voor een verzoekschriftprocedure, niet voor een dagvaardingprocedure. De reden hiervoor is om de toegang tot de kantonrechter zo eenvoudig, laagdrempelig en goedkoop mogelijk in te kleden, waarbij de snelheid van de procedure ook een factor van belang is. Een verzoekschriftprocedure leent zich hier beter voor dan een dagvaardingsprocedure. [… .] In dit wetvoorstel wordt daarom geregeld dat vorderingen die verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst kunnen worden ingeleid met een verzoekschrift. De met elkaar samenhangende geschilpunten kunnen daardoor in één gerechtelijke procedure worden beslecht. Het gaat hierbij in beginsel om alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend. Daardoor wordt een dubbele rechtsgang voorkomen, wat tijd en geld scheelt en er ook voor zorgt dat het gerechtelijk apparaat minder zwaar wordt belast. Indachtig de door de wetgever beoogde praktische wijze van procederen in arbeidszaken en de gegeven mogelijkheid om alle vorderingen die verband houden met het eindigen van de arbeidsovereenkomst in dezelfde procedure, bij verzoekschrift aan de kantonrechter voor te leggen, verklaart de kantonrechter werknemer in zijn verzoek tot het geven van een verklaring voor recht ontvankelijk. De verzochte verklaring voor recht heeft, anders dan door werkgever is betoogd, een voldoende directe relatie met de door werkgever bij verzoekschrift nagestreefde beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 4.1.4. Op grond van het toepasselijke overgangsrecht (Artikel XXIId Wwz) is artikel 7:668 BW (nieuw) op het onderhavige geschil van toepassing. Blijkens artikel 7:668 BW informeert de werkgever de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.