RECHTBANK OVERIJSSEL Team familierecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer: C/08/183145 / FA RK 16-475 beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 7 maart 2016 inzake [verzoekster] , verder ook de vrouw te noemen, wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] , verzoekster, advocaat: mr. S.J.M. Masselink, tegen [belanghebbende] , verder ook de man te noemen, wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] , belanghebbende, advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer. Het procesverloop Op 23 februari 2016 is een verzoekschrift tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen ter griffie ingekomen. Op 4 maart 2016 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen. De zaak is behandeld ter zitting van 7 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Masselink en de man vergezeld door mr. Eshuis-Nijmeijer. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. De beschikking is bepaald op heden. De vaststaande feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2001] , [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2004] De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Op 29 januari 2016 is in de bodemprocedure, zaaknummer C/08/ 182022 FA RK 16-241, namens de man een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor erkenning, toewijzing van het ouderlijk (mede)gezag en vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij hem. Op 30 maart 2016 hebben de kinderen de gelegenheid om hun mening aan de kinderrechter kenbaar te maken. De mondelinge behandeling van de bodemprocedure staat gepland op de zitting van 13 april 2016. De standpunten van partijenDe vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat: de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd en dat zij hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben; de vrouw een omgangsregeling heeft, inhoudende dat de kinderen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man verblijven. Kosten rechtens. Zij stelt dat de man zich gedurende de relatie van partijen nooit om de kinderen heeft bekommerd en zij toen de zorg voor de kinderen had. De samenwoning van de ouders is geëindigd; de vrouw heeft de woning, verlaten. De kinderen verblijven bij de man, maar zij worden niet door de man begrensd. De vrouw mag de kinderen van hem niet zien. De man handelt in strijd met de wet door de kinderen te onttrekken aan het ouderlijk gezag van de vrouw (art. 279 Sr). De man voert verweer tegen het verzochte.Hij stelt dat de kinderen te kennen hebben gegeven dat zij liever bij hem willen blijven wonen. De man betwist dat hij de kinderen in het conflict zou betrekken. Hij probeert de kinderen te stimuleren in de omgang met de vrouw, maar de kinderen hebben te kennen gegeven dat zij even geen contact met moeder wensen. Onlangs zijn de kinderen op zondag bij de vrouw geweest. De man heeft een tweewekelijkse weekendregeling voorgesteld, maar de vrouw kon daar niet mee instemmen, zij wenst een regeling waarbij de kinderen de ene week bij haar verblijven en de andere week bij vader. De man betwist dat hij de kinderen niet zou begrenzen. Hij handelt in hun belang. De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing Tijdens de mondelinge behandeling op 7 maart 2016 hebben partijen, hun eerder ingenomen standpunten gehandhaafd. Vader heeft nog naar voren gebracht dat de woning van partijen voor hem is aangepast. Hij vindt het derhalve logisch dat hij in die woning blijft wonen. Moeder heeft naar voren gebracht dat zij de woning van partijen heeft verlaten, omdat vader nergens naartoe kon. Na een verblijf van enkele weken bij haar zus, kan moeder nu twee maanden in de woning van haar ouders verblijven. Deze is gelegen op loopafstand van de woning waar de ouders samen met de kinderen hebben gewoond. Zij is op zoek naar een huurwoning. De kinderrechter is van oordeel dat moeders verzoeken om de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan haar en om te bepalen dat zij hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben, dienen te worden afgewezen. De kinderen verblijven thans in de voor hen vertrouwde woning bij vader, waar alles aanwezig is wat zij nodig hebben. In beginsel bepaalt de ouder met gezag, in dit geval moeder, de woonplek van de kinderen. Op dit moment is echter sprake van een situatie waarin de kinderen met vader in de woning verblijven, welke door moeder is verlaten. De kinderrechter heeft nog niet met [minderjarige 1] (en eventueel ook met [minderjarige 2] ) gesproken. Het minderjarigenverhoor is op latere datum bepaald in verband met vaders verzoek in de bodemprocedure om (ook) met gezag te worden belast en de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen. Uit een schriftelijke verklaring van [minderjarige 1] en uit wat ouders over de woonwens ter zitting hebben verklaard, blijkt dat de kinderen op dit moment in het voormalig ouderlijk huis wonen en daar willen blijven wonen. Dus bij vader. De kinderrechter acht het derhalve niet in hun belang om de kinderen uit die veilige en vertrouwde omgeving te halen en bij moeder in de woning van grootouders (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.