vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer / rolnummer: C/08/175623 / HA ZA 15-445 Vonnis van 14 september 2016 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [plaats] , 2. [eiser 2], wonende te [plaats] , eisers, advocaat mr. K.A. Faber te Heerenveen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ZWOLLE, zetelend te Zwolle, gedaagde, advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle. Partijen zullen hierna [eiser 1 c.s.] en de gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek de akte uitlating productie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser 1 c.s.] heeft een bloemenkraam geëxploiteerd in Zwolle (onder meer) op het plein “Achter de Broeren”. 2.2. Bij brief van 8 juni 1998 heeft [eiser 1 c.s.] bij de gemeente een aanvraag ingediend voor een verkooppunt van bloemen en planten bij de noodvoorzieningen in de nieuwbouwwijk Stadshagen. Daarop is door de gemeente gereageerd bij brief van 23 juli 1998 waarin zij heeft medegedeeld dat zij nog niet zover is met de ontwikkeling van het centrum dat zij kan overgaan tot een selectie van bedrijven die zich in het centrum kunnen vestigen en dat die selectie mede een zaak is van Winkel Beleggingen Nederland. Bij brief van 24 augustus 1998 heeft [eiser 1 c.s.] daarop gereageerd dat het toekennen van een eventuele standplaats een zaak van de gemeente is en dat [eiser 1 c.s.] een antwoord op korte termijn tegemoet (wil) zien. 2.3. Bij brief van 26 augustus 2009 heeft [eiser 1 c.s.] andermaal een aanvraag voor een standplaats in Stadshagen ingediend als volgt:Hierbij doe ik een aanvraag om standplaats in te kunnen nemen in stadshagen dichtbij het winkelcentrum. Op de vrijdag en de zaterdag met bloemen. (…) 2.4. Bij brief van 10 september 2009 heeft de gemeente een “voornemen weigering standplaatsvergunning” aan [eiser 1 c.s.] gezonden en onder meer het volgende bericht:In het standplaatsenbeleid van de Gemeente Zwolle is aangegeven dat ondernemers die zich vestigen in een nieuw winkelcentrum beschermd dienen te worden en dat derhalve de eerste 5 jaar geen standplaats uitgegeven hoeft te worden. (…) Bij wijze van eenmalige uitzondering heeft het college, ondanks deze richtlijn, toch besloten een standplaatsvergunning aan een ondernemer te verlenen. Dit in verband met de bijzondere situatie waarin deze ondernemer zich bevond. Indien u op het vorenstaande wilt reageren, dan kunt u uw zienswijze mondeling, dan wel bij voorkeur schriftelijk, binnen 14 dagen na verzenddatum van de brief aan ons kenbaar maken. 2.5. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft de gemeente het verzoek van [eiser 1 c.s.] om een standplaatsvergunning als volgt afgewezen:Onlangs hebben wij van u een verzoek ontvangen waarin u een vergunning aanvraagt (…) voor het innemen van een standplaats in de wijk Stadshagen. Bij brief van 10 september 2009, hebben wij u het volgende meegedeeld. (…) Naar aanleiding hiervan werd u in de gelegenheid gesteld hiertegen uw zienswijze bekend te maken. Hiervan heeft u echter geen gebruik gemaakt. Derhalve hebben wij besloten, uw verzoek om een standplaatsvergunning (…) definitief af te wijzen. Tegen dit besluit kunt u binnen zes weken na verzenddatum bezwaar maken (…). 2.6. Bij brief van 20 oktober 2009 heeft [eiser 1 c.s.] het volgende aan de gemeente bericht:Op 26 augustus, hebben wij een aanvraag standplaats stadshagen aan U gericht. (…) Volgens onze informatie bestaat het winkelcentrum stadshagen inmiddels 5 jaar. Wij hebben nu een schrijven ontvangen, omdat wij niet binnen 14 dagen hebben gereageerd, is ons mede gedeeld dat de standplaatsvergunning is geweigerd. U schrijft ons om bij voorkeur binnen 14 dagen te reageren. Nergens valt op te maken dat na die 14 dagen niet meer gereageerd kon worden. Graag zouden wij, een gesprek met U hebben over eventueel, een andere standplaats. 2.7. [eiser 1 c.s.] heeft bij brief van 18 augustus 2010 een klacht ingediend bij de Overijsselse Ombudsman (hierna: de Ombudsman). 2.8. Bij besluit van 28 februari 2011 heeft de gemeente alsnog een besluit genomen op de brief van [eiser 1 c.s.] van 20 oktober 2009, als volgt:Op 20 oktober 2009 hebben wij van u een brief ontvangen met betrekking tot uw aanvraag standplaatsvergunning voor Stadshagen. In het kader van de behandeling van uw klachtbrief (…) is geconstateerd dat u nog steeds geen definitief besluit heeft ontvangen op uw brief van 20 oktober 2009 (…) In deze brief vindt u ons besluit (…) In uw brief van 20 oktober 2009 reageert u op de weigering. (…) De brief is niet aangemerkt als bezwaarschrift aangezien dit niet voortvloeide uit de inhoud en strekking van de brief. (…)Op dit moment bevindt zich in het winkelcentrum Stadshagen een bloemenwinkel en is er een standplaats ten behoeve van de verkoop van bloemen en planten op vrijdag en zaterdag. Een van de uitgangspunten van het Standplaatsenbeleid 2004 is de spreiding van standplaatsen naar locatie en tijdstip met het oog op illegale marktvorming en maximaal 50 standplaatsen per 100.000. Het is onwenselijk op één locatie op hetzelfde moment twee standplaatsen te hebben ten behoeve van het verkopen van bloemen (en planten). Wij hebben besloten om niet nog een standplaats ten behoeve van de verkoop van bloemen (en planten) op vrijdag en zaterdag bij het winkelcentrum Stadshagen toe te staan. 2.9. Bij brief van 4 april 2011 heeft [eiser 1 c.s.] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2011. 2.10. Op 16 augustus 2011 heeft de Ombudsman naar aanleiding van de klacht van [eiser 1 c.s.] onder meer het volgende gerapporteerd: De Ombudscommissie maakt uit de stukken en de toelichting op dat het gehele traject vanaf 1998 tot nu moeizaam is verlopen qua communicatie. (…) Klaarblijkelijk bestonden er misverstanden over het wel of niet tijdig indienen van zienswijzen, de status van brieven en het wel of niet beschikken over een nieuwe aanvraag. Deze onduidelijkheden hadden wellicht met een gesprek opgelost kunnen worden. De Ombudsman is dan ook van oordeel dat de gemeente zich hier hulpvaardiger had kunnen opstellen naar verzoekers toe. (…) De Ombudscommissie concludeert op basis van de stukken dat de aanvraag uit augustus 2009 is afgewezen omdat de gemeente de eerste vijf jaar voor dit winkelcentrum, op één uitzondering na, geen standplaats zal uitgeven. Het is de Ombudscommissie gebleken dat de heer [X] die de vergunning heeft gekregen deze uitzondering is. Het is de Ombudscommissie niet duidelijk waarom voor de heer [X] deze uitzondering is gemaakt. In het voornemen tot weigering van de aanvraag van 20 oktober 2009 geeft de gemeente aan dat ze voornemens zijn deze aanvraag te weigeren omdat de aanvragen beoordeeld zijn op volgorde van binnenkomst en verzoekers hierbij niet de eerste aanvrager waren. Hierbij is de Ombudscommissie van oordeel dat het niet getuigt van fair play dat enerzijds wordt gesteld dat er geen wachtlijst wordt gehanteerd en anderzijds toch gewerkt wordt met een soort van wachtlijst nu de heer [X] met zijn aanvraag uit januari 2009 de vergunning per 20 oktober 2009 heeft gekregen. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat hier niet behoorlijk is gehandeld, mede gelet op het feit dat verzoeker de eerste aanvraag al deed in 1998. Dat de gemeente die correspondentie niet meer heeft en daarmee geen rekening heeft gehouden bij de toewijzing van de standplaats in 2009, kan verzoeker niet worden aangerekend. (…) Oordeel De gedragingen van de gemeente zijn ten aanzien van de behoorlijkheidsnormen:I. Correcte bejegening, deels niet behoorlijkII. Fair play: niet behoorlijkIII. Administratieve nauwkeurigheid: niet behoorlijk.Daarmee is de klacht van verzoeker gegrond.IV. Klachtafhandeling: niet behoorlijk. 2.11. Bij besluit (op bezwaar) van 2 juli 2012 heeft de gemeente het bezwaarschrift (van 4 april 2011) van [eiser 1 c.s.] gegrond verklaard en het besluit van 28 februari 2011 herroepen. De gemeente heeft daaromtrent het volgende aan [eiser 1 c.s.] bericht:Het college herroept het besluit omdat er sprake is van een onrechtmatigheid die aan het college te wijten is. (…) De commissie heeft het college op 22 mei 2012 geadviseerd uw bezwaren gegrond te verklaren (…) Dit advies neemt het college over en maakt in zijn geheel deel uit van dit besluit. In het daarachter gevoegde advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften is onder meer het volgende vermeld:Met het college is de commissie van oordeel dat de weigeringsgronden zoals genoemd in het besluit van 28 februari 2011 niet behoren tot het toetsingskader van het college bij de beoordeling van een aanvraag om een standplaatsvergunning. 2.12. De gemeente heeft daarnaast op 2 juli 2012 een (nieuw) besluit genomen, onder meer inhoudende het volgende:Gedurende de bezwaarschriftprocedure heeft u de locaties in Stadshagen geconcretiseerd, zijn die locaties getoetst aan het standplaatsenbeleid 2012 en is het voornemen kenbaar gemaakt 1 van de 3 locaties aan de Belvederelaan aan u toe te kennen. (…) Op 14 mei 2012 heeft u een aanvraag ingediend voor een standplaatsvergunning op het plein Achter de Broeren voor de verkoop van bloemen en planten op donderdag en zaterdag voor een standplaats met een afmeting van 11m2. U ontvangt een aparte beschikking voor het plein Achter de Broeren.Alles overwegende hebben wij besloten u een gedoogbeschikking te verstrekken voor het innemen van een standplaats (…) op de parkeerplaats Belvederelaan in Stadshagen (…) tot en met 1 juli 2013. (…)Op 3 mei 2012 is het nieuwe standplaatsenbeleid in werking getreden. Bij dit beleid hoort een standplaatsenkaart waarop alle locaties zijn ingetekend waar met vergunning een standplaats mag worden ingenomen. Deze locaties moeten nog in overeenstemming worden gebracht met het bestemmingsplan. Daarvoor geldt een aparte procedure. Zolang dat nog niet is afgerond kunnen wij geen vergunning verlenen, omdat we dan onze eigen regels overtreden. (…)Om het toch mogelijk te maken dat u uw standplaats kunt innemen, hebben wij besloten om een gedoogbeschikking in plaats van een vergunning af te geven. 2.13. Tegen de besluiten van 2 juli 2012 heeft [eiser 1 c.s.] beroep ingesteld bij de rechtbank. 2.14. Op 25 juli 2012 heeft de gemeente aan [eiser 1 c.s.] een standplaatsvergunning voor de plek op het plein “Achter de Broeren” voor de donderdag toegekend en het voornemen tot weigering van de plek voor de zaterdag bekend gemaakt. De vergunning voor die dag is alsnog op 12 maart 2013 toegekend. 2.15. In de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2013 is (onder meer) het ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit waarbij een gedoogvergunning is verleend voor de plek op de parkeerplaats Belvederelaan gegrond verklaard en het beroep tegen de weigering een vergunning te verlenen voor een standplaats aan de Werkerlaan gegrond verklaard. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:Niet in geschil is dat eiser na het maken van bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2011 zijn aanvraag voor een standplaatsvergunning bij winkelcentrum Stadshagen heeft geconcretiseerd voor de maandag tot en met zaterdag op een van de volgende locaties:a. tussen de fietsklemmen aan de Belvederelaan; b. in de winkelstraat de Wade bij de roltrappen; c. aan de Werkerlaan, op de plaats van de oliebollenkraam.De rechtbank stelt vast dat eiser geen standplaatsvergunning heeft aangevraagd voor de locatie parkeerplaats Belvederelaan. (…) De rechtbank is van oordeel dat verweerder door toch een gedoogbeschikking te verlenen voor de locatie parkeerplaats Belvederelaan de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Deze handelwijze is onzorgvuldig en dus in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep tegen besluit II waarbij verweerder eiser een gedoogbeschikking heeft verleend is gegrond. Besluit II zal dan ook worden vernietigd. (…)Volgens eiser heeft verweerder bij het nemen van besluit I ten onrechte het met ingang van 3 mei 2012 geldende nieuwe standplaatsenbeleid toegepast. (…) Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (…) geldt bij een heroverweging in bezwaar (…) als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. (…) Alleen in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van dit uitgangspunt in een ongunstiger positie komt is onvoldoende om daarvan af te wijken. (…) Ten aanzien van de stelling dat ten onrechte standplaatsvergunning zou zijn verleend aan [X] aan de Werkerlaan en het laat beslissen van verweerder geldt dat eiser daartegen rechtsmiddelen had kunnen aanwenden. Nu eiser de besluitvorming van verweerder heeft afgewacht, heeft hij het voor zijn rekening komende risico genomen dat de toepasselijk regelgeving zou wijzigen. (…)Ten aanzien van de locaties in 2.2 onder a. (fietsenklemmen Belvederelaan) en onder b. (winkelstraat De Wade bij de roltrappen) heeft verweerder gesteld dat deze locaties niet voorkomen op de standplaatsenkaart en op basis van de criteria van het standplaatsenbeleid ook niet geschikt zijn om als standplaats te worden aangewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht standplaatsvergunning heeft geweigerd voor de (…) genoemde locaties. (…) Ten aanzien van de locatie in 2.2 onder c (aan de Werkerlaan) heeft verweerder vermeld dat deze standplaats weliswaar voldoet aan de criteria van de beleidsregels, maar al langer dan 5 achtereenvolgende jaren gedurende de maanden november en december in gebruik wordt genomen door dezelfde exploitant van een oliebollenkraam. Op de standplaatsenkaart is deze locatie opgenomen als seizoenstandplaats. (…) De rechtbank constateert dat het volgens de beleidsregels en de toelichting daarop niet uitgesloten is dat een seizoenstandplaats tevens als vaste standplaats wordt gebruikt. (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderbouwd waarom de seizoenstandplaats van de oliebollenkraam aan de Werkerlaan niet mede geschikt is als vaste standplaats. Dat, zoals namens verweerder ter zitting voor het eerst is aangegeven, sprake is van een voorgestane scheiding tussen winkelgebied en marktgebied en dat die scheiding doorkruist zou worden door het innemen van een vaste standplaats op het plein van de Werkerlaan, is niet terug te voeren op de beleidsregels. Gelet op het vorenstaande is besluit I, voor zover eiser daarbij standplaatsvergunning is geweigerd aan de Werkerlaan, op de plaats van de oliebollenkraam, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. (…) 2.16. Bij besluit van 3 april 2013 heeft de gemeente het verzoek voor een standplaatsvergunning voor de plek aan de Werkerlaan op de plaats van de oliebollenkraam wederom afgewezen. De gemeente heeft dat als volgt gemotiveerd:De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit tot afwijzing van het verzoek om een standplaatsvergunning op het plein aan de Werkerlaan in stadshagen onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Onder andere naar aanleiding van de uitspraak hebben wij op 19 maart 2013 het Standplaatsenbeleid 2012 aangepast vastgesteld (…). In het beleid is de scheiding tussen markt- en winkelgebied opgenomen evenals het onderscheid tussen vaste standplaatsen en standplaatsen voor oliebollenkramen. In het belang van de verkeersveiligheid en – doorstroming is als beleidslijn gehanteerd dat geen vaste standplaatsen in de winkelstraat van een wijkwinkelcentrum of in de aanloop naar een wijkwinkelcentrum worden ingenomen. (…) In het nieuwe standplaatsenbeleid is artikel 2 aangepast en aangegeven dat het standplaatsenbeleid van toepassing is op vaste standplaatsen en standplaatsen voor oliebollenkramen. Bij het bepalen van de geschikte locaties (binnen het winkelgebied) voor de oliebollenkramen op de standplaatsenkaart is meegewogen dat deze standplaatsen slechts in de maanden november en december worden ingenomen. De impact van deze standplaatsen is, in vergelijking tot de vaste standplaatsen die gedurende het hele jaar worden ingenomen, geringer. Daarnaast hebben oliebollenkramen in deze wintermaanden een toegevoegde waarde voor de sfeer in de stad. 2.17. Tegen voormeld besluit van de gemeente van 3 april 2013 heeft [eiser 1 c.s.] beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 26 september 2013. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.In geschil is of verweerder op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank Zwolle/Lelystad door de standplaats, na aanpassing van het ter zake geldende beleid, wederom te weigeren. (…) Vooreerst stelt de rechtbank vast dat in het gewijzigde beleid een onderscheid is gemaakt tussen standplaatsen en standplaatsen voor oliebollenkramen. (…) De rechtbank acht het gewijzigde beleid op deze punten niet onredelijk. Evenmin is de rechtbank gebleken dat bij de totstandkoming van het beleid sprake was van détournement de pouvoir. (…) Zoals in (…) de (…) uitspraak van 9 januari 2013 is overwogen, geldt bij een heroverweging in bezwaar (…) als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toepast zoals dat op dat moment geldt. (…) De rechtbank is van oordeel dat verweerder het beleid op juiste wijze heeft toegepast. (…) 2.18. De Raad van State heeft op 9 juli 2014 het hoger beroep van [eiser 1 c.s.] ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2013 bevestigd. 2.19. Bij brief van 20 augustus 2014 heeft [eiser 1 c.s.] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen door de gemeente. De gemeente heeft de aansprakelijkheid voor de door [eiser 1 c.s.] gestelde schade niet erkend. 3Het geschil 3.1. [eiser 1 c.s.] vordert samengevat - veroordeling van de gemeente tot betaling van € 241.251,11, vermeerderd met rente en kosten. [eiser 1 c.s.] legt daaraan samengevat ten grondslag dat hij tengevolge van onrechtmatig handelen van de gemeente geen standplaats heeft kunnen innemen in Stadshagen en daardoor schade heeft geleden in de vorm van winstderving. 3.2. De gemeente voert verweer strekkende tot afwijzing van de vordering. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [eiser 1 c.s.] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door - samengevat, zo begrijpt de rechtbank -
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.