RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 4824211 CV 16-1198 Vonnis van 26 juli 2016 in de zaak van [eiser 1] en [eiser 2] , beide wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: “ [eiser 1] ” onderscheidenlijk “ [eiser 2] ”, gemachtigde: mr. N. Hollander, advocaat te Groningen, toegevoegd d.d. 25 januari 2016 onder nr. 5DA7069, tegen de besloten vennootschap MAXX VASTGOED GRONINGEN B.V., gevestigd te Zwolle, gedaagde partij, hierna te noemen: “MVG”, verschenen bij [B] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding d.d. 9 februari 2016, met productie, - het antwoord d.d. 5 april 2016, met producties, - de repliek d.d. 31 mei 2016, met producties, tevens vermeerdering (grondslag) van eis, - de conclusie van dupliek, d.i de brief van Maxx Vastgoed B.V. d.d. 20 juni 2016, houdende de mededeling dat MVG per 21 april 2016 is ontbonden, met één bijlage. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. MVG dreef in Groningen een onderneming, die (onder meer) gericht was op het tot stand brengen van overeenkomsten van huur van woonruimte. In het handelsregister is ingeschreven dat MVG haar onderneming per 21 april 2016 heeft gestaakt en per die datum is ontbonden. MVG maakte deel uit van de vennootschappen van Maxx Vastgoed B.V. (hierna: Maxx). 2.2. Op 13 november 2014 heeft [eiser 1] zich op/via de website van Maxx geregistreerd als woningzoekende. Bij haar registratie heeft [eiser 1] achter de vraag “Bij Maxx via:” ingevuld: “Advertentie internet”. Voor registratie is daarbij noodzakelijk het (digitaal) accepteren van de door Maxx gebruikte algemene voorwaarden. 2.3. Via de door MVG gebruikte website heeft [eiser 1] gemeld interesse te hebben in de via die website aangeboden woning te [plaats] aan het [adres 1] . Op 27 november 2014 (10.17 uur) is door MVG geantwoord dat die woning per direct te huur is, waarna [eiser 1] (11.49 uur) heeft gereageerd pas per 1 februari 2015 te willen huren. MVG heeft daarop geantwoord (12.36 uur) dat die woning niet pas per 1 februari 2015 verhuurd kan worden omdat dan sprake zou zijn leegstand. In datzelfde antwoord heeft MVG medegedeeld dat per februari 2015 wel een appartement aan de [adres 2] beschikbaar is tegen een huurprijs van € 895,00 per maand. [eiser 1] heeft daarop geantwoord daarin wel interesse te hebben, waarna MVG heeft gereageerd te zullen overleggen met de huidige bewoners over een mogelijkheid tot bezichtiging. De bezichtiging van het appartement heeft vervolgens plaatsgevonden op 2 december 2014. Voor dat appartement had MVG een advertentie op haar website geplaatst. 2.4. Op 2 december 2014 heeft [eiser 1] met MVG een “principeovereenkomst [plaats] ” gesloten, waarin onder meer is vermeld: Verklaart hierbij, door de bemiddeling van Maxx Vastgoed te hebben gehuurd de woonruimte aan de: [adres 2] [plaats] . Hij en/of zij gaat akkoord met de navolgende voorwaarden en bedingen. De huur zal ingaan op 01-02-2014 voor een periode van 1 jaar. Deze overeenkomst van huur zal zijn ontbonden indien eigenaar/verhuurder onverhoopt geen toestemming tot verhuur zal verlenen, waarbij de aanbetaling direct zal worden gerestitueerd. In deze overeenkomst is vervolgens vermeld dat zowel de huur als de waarborgsom € 895,00,- bedraagt, als ook de bemiddelingsvergoeding (exclusief BTW), samen € 1.977,95 inclusief BTW, waarna is vermeld: Het restant te betalen bedrag dient bij ondertekening van de huurovereenkomst, contant/per pin te worden voldaan. Afspraak ondertekening contract op: 02-12-2014, aan het kantoor van Maxx Vastgoed te Groningen, Gelkingestraat 23. Restitutie van de aanbetaling bij ontbinding van het contract door huurder vindt nimmer plaats. Onderaan rechts op de overeenkomst is - voorbedrukt - een aantal regels vermeld met daarboven “in te vullen door adm. Maxx:”. Achter de regel met het woord “Eigenaar:” staat voorbedrukt vermeld “3”. 2.5. Op 9 december 2014 is - op (brief)papier van Maxx - tussen mw. [A] als verhuurster (hierna: verhuurster) en [eiser 1] en [eiser 2] als huurders een huurovereenkomst tot stand gekomen aangaande de woning op de eerste etage van het pand aan de [adres 2] te [plaats] , aangeduid met “appartement nummer 1”, tegen een prijs van € 695,00 aan huur, € 150,00 aan servicekosten en € 50,00 aan overige kosten, samen € 895,00. In de overeenkomst is bepaald dat de huur met bijkomende vergoeding dient te worden betaald aan MVG, dat de opzegging van de huurovereenkomst bij voorkeur gericht dient te worden aan Maxx, dat sleuteloverdracht zal plaatsvinden op het kantoor van Maxx en voorts dat van toepassing zijn de aan die overeenkomst gehechte algemene voorwaarden. Die algemene voorwaarden zijn bedrukt op papier dat aan de bovenzijde is voorzien van een logo van Maxx en zijn getiteld: “Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte - Maxx Vastgoed BV, d.d. 1-2-2014”. 2.6. [eiser 1] heeft het bedrag van € 1.977,95 betaald aan MVG in twee termijnen: op 2 december 2014 € 1.082,95 en de rest op 9 december 2014. 2.7. Per brief van 8 december 2015 heeft de door [eiser 1] ingeschakelde gemachtigde aan MVG medegedeeld dat zij bij de totstandkoming van de huurovereenkomst ten onrechte bemiddelingskosten ad € 1.082,95 inclusief BTW aan [eiser 1] heeft berekend omdat dit in strijd is met de artikelen 7:264 lid 1 BW en 7:417 lid 4 BW. [eiser 1] heeft daarop dit bedrag als onverschuldigd betaald teruggevorderd. 2.8. Per e-mailbericht van 23 december 2015 heeft MVG - in de persoon van [B] -samengevat geantwoord dat [eiser 1] opdracht heeft gegeven om passende woonruimte te vinden, dat [eiser 1] op basis daarvan aanbiedingen heeft ontvangen en dat onwaar is de stelling dat [eiser 1] bemiddelingskosten heeft moeten betalen om in aanmerking te komen voor de betreffende woning. 3Het geschil 3.1. De vordering [eiser 1] en [eiser 2] vorderen - samengevat - de veroordeling van MVG tot betaling van € 1.279,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.082,95 vanaf 2 december 2014, onder veroordeling van MVG in de proceskosten. 3.2. Het verweer MVG concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering, onder veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten. 3.3. Op wat partijen ter onderbouwing van de vordering onderscheidenlijk het verweer hebben aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het hiernavolgende worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In reactie op de door [eiser 1] en [eiser 2] genomen conclusie van repliek heeft [B] namens Maxx vastgoed adviseurs Holding B.V. per brief van 20 juni 2016 medegedeeld dat MVG inmiddels is geliquideerd, onder overlegging van de pagina’s 2. en 3. van kennelijk een drie pagina’s tellend uittreksel uit het handelsregister aangaande deze laatste rechtspersoon. Op pagina 2. is vermeld dat de onderneming van MVG per 21 april 2016 is beëindigd en dat MVG per die datum is ontbonden. Ervan uitgaande dat MVG per 21 april 2016 heeft opgehouden te bestaan, geldt het volgende. 4.1.1. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge het vierde lid van artikel 2:19 BW op te bestaan. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel blijft een rechtspersoon echter ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. 4.1.2. Dat een rechtspersoon is ontbonden, betekent evenmin niet zonder meer dat deze niet meer in rechte kan optreden. In het geval de procedure tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en de vereffening van zijn vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, ook indien de vereffening van het vermogen inmiddels is geëindigd en de rechtspersoon niet meer bestaat (zie HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948). 4.1.3. Een en ander betekent dat ook indien moet worden aangenomen dat MVG per 21 april 2016 is opgehouden te bestaan, dat heeft plaatsgevonden nadat [eiser 1] en [eiser 2] de procedure tegen haar is aangevangen. Voorts is gesteld noch gebleken of bij MVG op het tijdstip van haar ontbinding al dan niet nog baten aanwezig zijn geweest. Een ontbinding van MVG staat dan ook niet aan een voortzetting van de procedure in de weg, waarbij voorts geldt dat de onzekerheid over het nog aanwezig zijn van baten meebrengt dat de vordering kan worden ontvangen. 4.2. Partijen strijden over het antwoord op de vraag of MVG gehouden is het betaalde bedrag aan bemiddelingskosten ad € 1.082,95 terug te betalen. 4.3. Aan de daartoe strekkende vordering is primair ten grondslag gelegd - zo begrijpt de kantonrechter - dat het beding strekkende tot vergoeding van bemiddelingskosten op grond van artikel 7:264 BW nietig is omdat sprake is van een onredelijk voordeel in verband met de totstandkoming van de huurovereenkomst. Subsidiair is aangevoerd dat het beding vernietigd dient te worden op grond van misbruik van omstandigheden dan wel wegens bedrog in de zin van artikel 3:44 BW. Meer subsidiair is gesteld dat door MVG is gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 7:427 jo 7:417 lid 4 BW. 4.4. MVG heeft als verweer aangevoerd - geparafraseerd - dat zij daadwerkelijk heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de huurovereenkomst, in welk kader zij voor [eiser 1] en [eiser 2] de bewuste woonruimte heeft gevonden. Een medewerkster van MVG heeft in dat verband samen met [eiser 1] en [eiser 2] de woning bezichtigd, overleg gevoerd met de verhuurder over de geschiktheid van de (aspirant-)huurders, de overeenkomst opgesteld en zorggedragen voor sleuteloverdracht. De werkzaamheden zijn enkel in het belang geweest van [eiser 1] en [eiser 2] , dit alles volgens MVG. 4.5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat het beding waarvan ook [eiser 2] de nietigheid, althans de vernietigbaarheid, inroept, is opgenomen in de tussen [eiser 1] en MVG op 2 december 2014 gesloten overeenkomst. Uit die overeenkomst blijkt echter dat die tevens is ondertekend door [eiser 2] , terwijl MVG niet heeft weersproken dat [eiser 1] en [eiser 2] samen de betalingen van 2 en 9 december 2014 aan MVG hebben gedaan. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit, zoals [eiser 1] en [eiser 2] stellen, dat de ingestelde vordering hen beiden toekomt. 4.6. Gelet op de door [eiser 1] en [eiser 2] overgelegde e-mailberichten en prints van MVG’s website heeft MVG onvoldoende gemotiveerd bestreden dat het appartement aan de [adres 2] door haar voor verhuur werd aangeboden en dat zij door de verhuurster was ingeschakeld om voor de woning een (aspirant-)huurder te vinden. Uit het samenstel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.