vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/192630 / KG ZA 16-340 Vonnis in kort geding van 31 oktober 2016 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseressen, advocaat mr. P. Buursen te Enschede, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROPERTIZE B.V., gevestigd te Utrecht, gedaagde, advocaat mr. J. Meuleman te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser 1] (mannelijk enkelvoud) en Propertize genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de producties van Propertize; de mondelinge behandeling; de pleitnota van [eiser 1] ; de pleitnota van Propertize. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op 2 november 2016. De uitspraak heeft per heden plaatsgevonden, en dus bij vervroeging. 2Waarvan kan worden uitgegaan 2.1. Propertize, voorheen genaamd Bouwfonds Property Finance en SNS Property Finance, heeft aan [eiser 1] Vastgoed kredieten verstrekt. De leningen, met de nummers 70151, 70150, 75345, 45314 en 14525 (laatstgenoemde twee kredietovereenkomsten zijn bij akte van cessie van 22 augustus 2006 door SNS Bank N.V. aan Propertize overgedragen), hebben alle verschillende looptijden. 2.2. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [eiser 1] voortvloeiende uit de kredietovereenkomsten, heeft [eiser 1] bij aktes van 1 september 2006, 18 september 2007 en 16 januari 2008 hypotheekrechten verstrekt ten behoeve van Propertize op het in deze akten omschreven onderpand. 2.3. Tussen partijen hebben vele besprekingen over herstructurering en herfinanciering van de kredieten plaatsgevonden. 2.4. Propertize heeft op 23 juli 2012 het volledig uitstaand saldo van de leningen met de nummers 70151, 70150 en 75345, die respectievelijk als afloopdatum hadden 1 december 2012, 1 september 2012 en 1 januari 2013, opgeëist. 2.5. De leningen met de nummers 45314 en 45251 hebben als einddatum 1 januari 2032. Bij brief van 4 december 2012 heeft Propertize deze leningen opgezegd en het volledig uitstaand saldo per 4 december 2012 opgeëist. 2.6. Propertize heeft op 8 september 2016 een verzoekschrift ex artikel 3:268 lid 2 BW juncto 584 Rv bij deze rechtbank ingediend, waarin om toestemming wordt verzocht de registergoederen onderhands te mogen verkopen. De mondelinge behandeling van dat verzoek vindt plaats op heden, 31 oktober 2016. 2.7. [eiser 1] heeft - na verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank tot verkorting van de dagvaardingstermijn - op 18 oktober 2016, dit kort geding ingeleid. 3De standpunten van partijen en de beoordeling 3.1. [eiser 1] vordert Propertize om de aangezegde en in gang gezette executoriale verkoop van de vastgoedportefeuille van [eiser 1] , een ander zoals omschreven in productie 18 bij dagvaarding, te staken, en zulks voor de duur van drie jaren. Dit op verbeurte van een dwangsom van € 35.000.000,-. Propertize heeft zich gemotiveerd verweerd tegen deze vordering. Voor zover vereist worden de stellingen van partijen hierna uitgebreider geduid. 3.2. Het standpunt van [eiser 1] dat de door Propertize in het geding gebrachte producties buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze te laat zijn toegezonden, wordt verworpen. Door Propertize is genoegzaam in dit op zeer korte termijn ingeplande kort geding aangetoond dat op vrijdag 21 oktober 2016 alle moeite is gedaan om de producties (naast toezending per email) in papieren vorm nog op die dag bij de advocaat van [eiser 1] bezorgd te krijgen, wat uiteindelijk ook is gelukt. Ook zijn de producties op die dag per email succesvol verzonden aan de wederpartij, die vervolgens het gehele weekend en de ochtend van 24 oktober 2016 heeft kunnen benutten om de inhoud daarvan te bestuderen en te verwerken in de standpuntinname. Voorts heeft te gelden dat het hier in hoofdzaak “oude” stukken betreft waarvan [eiser 1] de inhoud kende c.q. had kunnen kennen. 3.3. Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat de aanwezigheid daarvan door Propertize niet is betwist en dat het spoedeisend belang afdoende is gegeven met het feit dat de beoogde ondershandse executieverkoop inmiddels heeft plaatsgevonden en dat daartoe toestemming is gevraagd aan de voorzieningenrechter met verzoek om de daartoe opgemaakte ondershandse verkoopovereenkomst goed te keuren. De openbare behandeling ter terechtzitting van die verzoeken staat gepland op heden, 31 oktober 2016, eveneens bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. [eiser 1] heeft dan ook een spoedeisend belang bij het gevorderde. 3.4. Voorop wordt gesteld dat in een executiegeschil als het onderhavige, waarin het recht van parate executie zoals neergelegd in artikel 3:268, eerste lid Burgerlijk Wetboek in het geschil is, staking van de uitoefening bevolen kan worden, indien aannemelijk is dat niet aan de vereisten voor het uitoefenen van het recht van parate executie is voldaan. 3.5. Daarnaast kan eveneens grond voor een bevel tot staking van die executie zijn, indien wordt geoordeeld dat de executant het recht uitoefent met geen ander doel dan het schaden van geëxecuteerde, of met een ander doel dan waarvoor het is verleend of indien de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot executie over te gaan (artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek). 3.6. Als uitgangspunt heeft in dit verband te gelden dat uit het bepaalde in artikel 3:268, eerste lid Burgerlijk Wetboek volgt, dat een hypotheekhouder bevoegd is om tot parate executie over te gaan, indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Daar in onderhavig kort geding geen geschil bestaat over de rechtsgeldigheid van de gevestigde hypotheekrechten, is de vraag aan de orde of Propertize als hypotheekhouder bevoegd is de in hypothecaire zekerheid verschafte onroerende zaken op grond van het bepaalde in artikel 3:268, eerste lid, Burgerlijk Wetboek te executeren door openbare of onderhandse verkoop. 3.7. De voorzieningenrechter stelt daartoe eerst vast dat de looptijd van de leningen met de nummers 70151 (kredietovereenkomst van 25 augustus 2006), 70150 (kredietovereenkomst van 30 augustus 2006) en 75345 (kredietovereenkomst van 11 september 2007) is verstreken op respectievelijk 1 december 2012, 1 september 2012 en 1 januari 2013. Door Propertize is gesteld dat daardoor conform gemaakte afspraak de terugbetalingsverplichtingen onmiddellijk opeisbaar zijn geworden en dat Propertize daarom het volledig uitstaande saldo van deze leningen heeft opgeëist en is blijven opeisen. De juistheid van deze voorstelling van zaken is niet gemotiveerd door [eiser 1] betwist. 3.8. Voorts heeft te gelden dat door geen van partijen is aangevoerd dat van die genoemde kredietovereenkomsten alsnog de verlenging van de looptijd is overeengekomen. Zover is het namelijk niet gekomen ondanks de diverse contacten van partijen om te komen tot alsnog een herstructurering van de financieringen dan wel tot een andere oplossing waardoor alsnog kon worden voldaan aan de terugbetalingsverplichtingen, waaronder die van de onderhandse verkoop van een deel van de hypothecaire zekerheden aan derden. Dat resultaat is niet bereikt. 3.9. Verlenging van de looptijd laat zich voorshands oordelend ook niet afleiden uit de omstandigheid dat Propertize feitelijk de oorspronkelijke contractuele rente (in plaats van de wettelijke handelsrente) steeds en bij voortduring (uit de huuropbrengsten) heeft geïncasseerd over het openstaande bedrag, en dat Propertize uit de huuropbrengsten een aanmerkelijke betaling van de opeisbare schuld(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.