← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2016:4987

Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer (P): 07/996513-12 en 08/996128-13 Datum vonnis: 16 december 2016 Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte A] , geboren op [geboortedatum 1] 1953 in [geboorteplaats 1] , wonende in [woonplaats 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 oktober 2015, 18 april 2016, 7 november 2016, 14 november 2016, 16 november 2016, 18 november 2016, 21 november 2016 en 2 december

  1. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen door de verdachte (hierna: [verdachte A] ) en diens raadslieden, mr. F.H.H. Sijbers, mw. mr. F. Ahlers en mr. R. de Bree, allen advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er ten aanzien van parketnummer 07/996513-12 (Vercors), kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte A] : feit
  2. - primair in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 samen met Eurocommerce Projectontwikkeling BV (hierna: EC Projectontwikkeling BV) en Eurocommerce Holding BV (hierna: EC Holding BV) valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot een aannemingsovereenkomst ‘Diana en Vesta’ Amsterdam tussen EC Projectontwikkeling BV en Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV en een afbouwgarantie; - subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake genoemde valsheid in geschrift; meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruikmaken van genoemde valse geschriften; - nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake gebruikmaken van genoemde valse geschriften. feit
  3. - primair op 3 december 2010 samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot een huurovereenkomst kantoorruimte tussen EC Projectontwikkeling BV en LeasePlan Corporation NV; - subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake genoemde valsheid in geschrift; - meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruikmaken van genoemd vals geschrift; - nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het gebruikmaken van genoemd vals geschrift. feit
  4. - primair in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 10 januari 2008 samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot een aannemingsovereenkomst met Volker Wessels BV, een huurovereenkomst met de Rijksgebouwendienst als huurder en een huurovereenkomst met de gemeente Almere als huurder; - subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake genoemde valsheid in geschrift; - meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruikmaken van genoemde valse geschriften; - nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake gebruikmaken van genoemde valse geschriften. feit
  5. - primair in de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 maart 2010 samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot een huurovereenkomst tussen verhuurder EC Projectontwikkeling BV en huurder Volker Infra in Rotterdam en een huurovereenkomst tussen verhuurder EC Projectontwikkeling BV en huurder Facility Services Netwerk in De Meern; - subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake genoemde valsheid in geschrift; meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het samen met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruikmaken van genoemde valse geschriften; - nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake gebruikmaken van genoemde valse geschriften. De volledige tekst van de tenlastelegging onder parketnummer 07/996513-12 (Vercors) is als BIJLAGE 1A bij dit vonnis gevoegd. De verdenking komt er ten aanzien van parketnummer 08/996128-13 (Kirishima), kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit
  6. - primair in de periode van 1 december 2011 tot en met 5 maart 2014 feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en Eurocommerce Recreatie BV (hierna: EC Recreatie BV) terzake van het op verschillende wijzen plegen van bedrieglijke bankbreuk door die twee BV’s; - subsidiair is dit tenlastegelegd als samen met EC Holding BV en EC Recreatie BV plegen van bedrieglijke bankbreuk; - meer subsidiair is dit tenlastegelegd als samen met [verdachte B] (hierna: [verdachte B] ) EC Holding BV en EC Recreatie BV plegen van bedrieglijke bankbreuk; feit
  7. - primair in de periode van 4 november 2011 tot en met 19 december 2011 feitelijk leiding/ opdracht heeft gegeven aan Jachtstaete BV en de [stichting] en EC Holding BV terzake van het plegen van bedrieglijke bankbreuk; - subsidiair is dit tenlastegelegd als samen met [verdachte D] (hierna: mevrouw [verdachte D] ), Jachtstaete BV, [stichting] en EC Holding BV plegen van bedrieglijke bankbreuk; - meer subsidiair is dit tenlastegelegd als samen met mevrouw [verdachte D] , Jachtstaete BV en [stichting] plegen van opzettelijk witwassen van een geldbedrag van € 2.500.000,--; - nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het feitelijk leiding/opdracht geven aan [stichting] terzake van het opzettelijk witwassen van een bedrag van € 2.500.000,--. feit
  8. in de periode van 30 december 2010 tot en met 9 oktober 2013 samen met mevrouw [verdachte D] en [verdachte B] op verschillende wijzen plegen van bedrieglijke bankbreuk. feit
  9. in de periode van 6 december 2012 tot en met 18 december 2012 samen met een ander of anderen gebruik heeft gemaakt van een valse verklaring op naam van [hoofd administratie Eurocommerce] . De volledige tekst van de tenlastelegging onder parketnummer 08/996128-13 (Kirishima) is als BIJLAGE I B bij dit vonnis gevoegd. 3De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte A] voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair onder parketnummer 07/996513-12 (Vercors) en voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4 onder parketnummer 08/996128-13 (Kirishima) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. 4De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5De beoordeling van het bewijs Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat [verdachte A] de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als BIJLAGE II aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat [verdachte A] het ten laste gelegde heeft begaan. 5.1 De feiten die niet ter discussie staan De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de gevoegde zaken op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan. [familie] [verdachte A] is op [datum 1] 1979 getrouwd met mevr. [verdachte D] . Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten op [geboortedatum 2] 1982 [verdachte B] (hierna: [verdachte B] ) en op [geboortedatum 3] 1985 [verdachte C] (hierna: [verdachte C] ). Mevr. [verdachte D] en de beide kinderen [verdachte B] en [verdachte C] zijn medeverdachten in de zaak Kirishima. Eurocommerce [verdachte A] is van 6 maart 1995 tot 12 juli 2012 als gevolmachtigd directeur alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder geweest van Ferdinand Stinger Holding BV. De aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV zijn sinds 30 november 2006 ondergebracht in de Stichting Administratiekantoor Ferdinand Stinger Holding en gecertificeerd. [verdachte A] is gerechtigd tot 50% van de certificaten van de aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV in deze stichting. [verdachte B] en [verdachte C] zijn vanaf 30 november 2006 via een gezamenlijke holding en hun eigen vennootschappen ieder voor 25% gerechtigd tot de certificaten van de aandelen van Ferdinand Stinger Holding BV in deze stichting. [verdachte A] is voorzitter van het bestuur van genoemde stichting en heeft daarin drie stemmen; zijn beide kinderen hebben daarin ieder één stem. Ferdinand Stinger Holding BV had alle aandelen van Eurocommerce Holding BV (hierna: EC Holding BV) in haar bezit en was van 23 december 2002 tot 7 juni 2012 als gevolmachtigd directeur alleen/ zelfstandig bevoegd bestuurder van EC Holding BV. EC Holding BV bezat alle aandelen van onder meer Eurocommerce Projectontwikkeling BV (hierna: EC Projectontwikkeling BV) en van Eurocommerce Recreatie BV (hierna: EC Recreatie BV). EC Holding BV was als directeur alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van EC Projectontwikkeling BV en EC Recreatie BV. Volgens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestonden de activiteiten van zowel EC Holding BV als EC Projectontwikkeling BV uit het beheren van vermogenswaarden (effecten, onroerende goederen, hypothecaire vorderingen), oprichten en deelnemen et cetera in andere ondernemingen, en uit het financieren van andere ondernemingen. EC Projectontwikkeling BV had op haar beurt weer alle aandelen in bezit van een aantal andere vennootschappen. EC Projectontwikkeling BV is één van de grotere projectontwikkelaars van onroerend goed geweest in Nederland, van met name van kantoorpanden. De activiteiten bestonden voornamelijk uit het voor eigen rekening en risico ontwikkelen van grootschalige kantoorruimte. Na voltooiing van de kantoorruimte, of al tijdens de bouw, zocht de EC-groep zelf huurders voor de panden. Zodra een kantoorpand grotendeels verhuurd was, werd het kantoorpand verkocht, veelal aan vastgoedbeleggers. Voor de financiering van de te ontwikkelen projecten werden kredieten afgesloten bij verschillende banken, waaronder de Rabobank, de FGH Bank, de ABN AMRO Bank en de ING Bank. [verdachte A] heeft verklaard dat hij in 1972 bij Eurocommerce is gekomen en in 1974 directeur is geworden. In ieder geval vanaf 30 november 2006 lag de eindverantwoordelijkheid voor de gang van zaken binnen de EC-vennootschappen bij hem. [verdachte A] is in de ten laste gelegde perioden de man geweest die binnen de EC-groep aan de touwtjes trok en in alle opzichten de man geweest die het voor het zeggen had. Aan Ferdinand Stinger Holding BV, EC Holding BV en EC Projectontwikkeling BV is met ingang van 21 mei 2012 voorlopig surseance van betaling verleend door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Deze surseances zijn bij beschikkingen van 12 juli 2012 ingetrokken. Ferdinand Stinger Holding BV, EC Holding BV, EC Projectontwikkeling BV en EC Recreatie BV zijn met ingang van 12 juli 2012 in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Zwolle-Lelystad. [verdachte A] is met ingang van 27 november 2012 door de rechtbank Zutphen in staat van faillissement verklaard. 5.2 Vercors (07/996513-12) 5.2.1 Feit 1 Valsheid in geschrift in relatie tot Diana en Vesta te Amsterdam Onder feit 1 van parketnummer 07/996513-12 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV een aannemingsovereenkomst tussen EC Projectontwikkeling BV en Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV en een afbouwgarantie, beide betrekking hebbend op het project Diana en Vesta in Amsterdam, valselijk heeft opgemaakt; - subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het valselijk opmaken van genoemde geschriften, - meer subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV van genoemde valse geschriften gebruik heeft gemaakt; - nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het gebruikmaken van genoemde valse geschriften. 5.2.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte A] heeft dit feit bekend en van medeweten van de FGH bank en de Rabobank is niets gebleken. Het standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet dat hetgeen in de aannemingsovereenkomst en de afbouwgarantie is vermeld op onderdelen niet strookt met de werkelijkheid. Wel plaatst de verdediging kanttekeningen bij het als echt en onvervalst gebruiken van de geschriften, omdat de FGH bank op de hoogte was van de onjuistheden in die geschriften. In dat licht betwijfelt de verdediging of het rechtsbelang dat artikel 225 Sr beoogt te beschermen, te weten het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, in het geding is geweest. 5.2.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. EC Projectontwikkeling BV had een plan ontwikkeld voor de bouw van twee kantoorgebouwen in Amsterdam, onder de naam Diana en Vesta. Voor de bouw van deze kantoorgebouwen heeft EC Projectontwikkeling BV in februari 2011 een aannemingsovereenkomst gesloten met Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV. In deze overeenkomst is vastgelegd dat de bouw van de kantoorgebouwen op 2 november 2009 is gestart en dat de oplevering zal plaatsvinden op 1 februari
  10. De aanneemsom bedroeg € 42.700.000,-- en zou in één keer bij oplevering betaald worden. De overeenkomst is namens EC Projectontwikkeling BV ondertekend door [verdachte A] en namens Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV door [medewerker bouwbedrijf] . Voor de financiering van dit project heeft EC Projectontwikkeling BV een financieringsaanvraag ingediend bij de FGH bank. Die bank heeft op 27 september 2011 een offerte uitgebracht voor een kredietfaciliteit van € 35.000.000,-- onder de voorwaarde dat EC Projectontwikkeling BV de aannemingsovereenkomst en een afbouwgarantie zou overleggen. Voor de FGH Bank was met name van belang dat ingevolge de aannemingsovereenkomst de betaling van de aanneemsom in termijnen zou plaatsvinden. Daarnaast was het voor de bank van essentieel belang dat het bouwbedrijf afstand deed van haar retentierecht. Een medewerkster van EC Holding BV heeft reeds op 21 maart 2011 per e-mail een aannemingsovereenkomst naar de FGH bank gestuurd. Op 19 oktober 2011 heeft de FGH bank nogmaals een overeenkomst ontvangen. Deze overeenkomst is gelijk aan de op 21 maart 2011 ontvangen overeenkomst. Beide overeenkomsten zijn gedateerd augustus
  11. Op 14 november 2011 heeft een medewerkster van EC Holding BV per post, per fax en per e-mail een ongedateerde afbouwgarantie naar de FGH bank gestuurd. De door EC Holding BV overgelegde aannemingsovereenkomst tussen EC Projectontwikkeling BV en Bouwbedrijf Wessels Rijssen BV de dato augustus 2010 is op de volgende onderdelen niet in overeenstemming met de werkelijkheid: - in de overeenkomst is een aanneemsom van € 43.660.000,-- vermeld, terwijl deze aanneemsom in werkelijkheid € 42.700.000,-- bedroeg; - in de overeenkomst is vermeld dat de betaling van de aanneemsom in termijnen zal plaatsvinden, terwijl in werkelijkheid de aanneemsom in één keer bij oplevering betaald diende te worden; - onder de overeenkomst is een handtekening van [medewerker bouwbedrijf] geplaatst, terwijl die handtekening in werkelijkheid niet door genoemde [medewerker bouwbedrijf] is gezet. De door EC Holding BV overgelegde afbouwgarantie is op de volgende onderdelen niet conform de werkelijkheid: - in de afbouwgarantie is opgenomen dat Bouwbedrijf Wessels uitdrukkelijk afstand doet van de haar als aannemer toekomende retentierechten, terwijl Bouwbedrijf Wessels in werkelijkheid géén afstand van retentierechten heeft gedaan; - onder de overeenkomst is een handtekening van [medewerker bouwbedrijf] geplaatst, terwijl die handtekening in werkelijkheid niet door genoemde [medewerker bouwbedrijf] is gezet. In verband met het vermoeden van valsheid in geschrift is de FGH bank uiteindelijk niet overgegaan tot betaling van gelden uit de gevraagde financiering voor het bouwproject Diana en Vesta. Betrokkenheid van [verdachte A] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aannemingsovereenkomst de dato augustus 2010 en de ongedateerde afbouwgarantie valselijk heeft opgemaakt. Hij heeft telkens een handtekening gezet die moest doorgaan voor de handtekening van [medewerker bouwbedrijf] . [verdachte A] heeft verder verklaard dat hij de valse aannemingsovereenkomst en de valse afbouwgarantie heeft opgemaakt op verzoek van [directievoorzitter FGH] , toenmalig directievoorzitter van de FGH bank. [directievoorzitter FGH] zou die valse stukken nodig hebben gehad omdat de kredietcommissie de financieringsaanvraag zonder die stukken niet zou goedkeuren. Ook [medewerker FGH] , toenmalig relatiemanager bij de FGH bank, zou wetenschap hebben gehad van de onjuistheden in de overgelegde geschriften. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de bewering dat [verdachte A] de geschriften op verzoek van [directievoorzitter FGH] heeft opgemaakt en dat [medewerker FGH] wist van de onjuistheden in de geschriften. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lezing van [verdachte A] op dit punt niet aannemelijk is geworden. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat ook in het geval de FGH bank, in de personen van genoemde [directievoorzitter FGH] en [medewerker FGH] , ná het overleggen van de valse geschriften op de hoogte zou zijn gekomen van die valsheid, dit niet afdoet aan het feit dat [verdachte A] de geschriften valselijk heeft opgemaakt. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat [verdachte A] , tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV, een aannemingsovereenkomst ‘Diana en Vesta’ Amsterdam en een afbouwgarantie valselijk heeft opgemaakt. 5.2.2 Feit 2 Valsheid in geschrift in relatie tot Carlton te Almere Onder feit 2 van parketnummer 07/996513-12 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV een huurovereenkomst kantoorruimte tussen EC Projectontwikkeling BV en LeasePlan Corporation NV valselijk heeft opgemaakt; - subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het valselijk opmaken van genoemd geschrift; - meer subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV van genoemd vals geschrift gebruik heeft gemaakt; - nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het gebruikmaken van genoemd vals geschrift. 5.2.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte A] heeft dit feit bekend en van medeweten van de FGH bank en de Rabobank is niets gebleken. Het standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet dat hetgeen in de huurovereenkomst is vermeld op onderdelen niet strookt met de werkelijkheid. Wel plaatst de verdediging ook hier kanttekeningen bij het als echt en onvervalst gebruiken van het geschrift, omdat de FGH bank op de hoogte was van de onjuistheden in dat geschrift. In dat licht betwijfelt de verdediging of het rechtsbelang dat artikel 225 Sr beoogt te beschermen, te weten het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, in het geding is geweest. 5.2.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. EC Projectontwikkeling BV heeft van de gemeente Almere het recht van opstal verkregen voor een perceel in die gemeente. Op dat perceel heeft EC Projectontwikkeling BV een kantoorgebouw, genaamd Carlton, gebouwd. Nadat in 2007 al een eerste recht van hypotheek op het recht van opstal was gevestigd ten behoeve van de FGH bank, in verband met de verstrekking van een kredietfaciliteit van € 50.000.000,-- voor de bouw van het gebouw Carlton, heeft [verdachte A] de FGH bank om een tweede financiering gevraagd ter grootte van € 28.000.000,--. De FGH bank heeft hierop een financieringsofferte, gedateerd 2 december 2010, naar EC Projectontwikkeling BV gestuurd. Een van de in die offerte gestelde voorwaarden was dat EC Projectontwikkeling BV de getekende huurovereenkomsten met betrekking tot het gebouw Carlton aan de FGH bank zou overleggen. Dit omdat het gebouw Carlton volledig verhuurd moest zijn voordat de FGH bank tot verstrekking van de extra financiering wilde overgaan. Om aan te tonen dat het kantoorgebouw Carlton volledig was verhuurd heeft EC Projectontwikkeling BV een huurovereenkomst tussen EC Projectontwikkeling BV en LeasePlan Corporation NV, gedateerd 3 december 2010, overgelegd. Deze overeenkomst, die op 3 december 2010 per e-mail naar de FGH bank is gestuurd, is op de volgende onderdelen niet in overeenstemming met de werkelijkheid: - in de huurovereenkomst is vermeld dat EC Projectontwikkeling BV vanaf 1 oktober 2011 voor de duur van tien jaren de 20e tot en met de 29e verdieping van het Carlton kantoorgebouw in Almere heeft verhuurd aan LeasePlan Corporaton NV, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke verhuur; - onder de huurovereenkomst is een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van M. Vorselmans. Na ontvangst van de huurovereenkomst heeft de FGH bank de financiering ad € 28.000.000,-aan EC Projectontwikkeling BV uitbetaald. Betrokkenheid van [verdachte A] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de huurovereenkomst de dato 3 december 2010 valselijk heeft opgemaakt. Hij heeft telkens een handtekening gezet die moest doorgaan voor de handtekening van M. Vorselmans. [verdachte A] heeft deze naam verzonnen. [verdachte A] heeft tevens verklaard dat hij de huurovereenkomst heeft opgemaakt op verzoek van de toenmalige bestuursvoorzitter van de FGH bank, [directievoorzitter FGH] . Voor de FGH bank was het doorgaan van de financiering van het project Carlton van groot belang, omdat in geval van het afketsen van Carlton ook de herfinanciering van het voor de FGH bank zeer profijtelijke project Diana en Vesta in gevaar zou komen. Omdat er volgens [verdachte A] uit het opmaken van een valse huurovereenkomst geen materiële schade kon ontstaan, heeft hij aan het verzoek van [directievoorzitter FGH] voldaan. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat er bij relatiemanager [medewerker FGH] van de FGH bank twijfels zijn gerezen omtrent de juistheid van de overgelegde huurovereenkomst, maar dat besloten is om daar geen nader onderzoek naar te doen om de herfinanciering van het project Diana en Vesta niet in gevaar te brengen. De FGH bank heeft de onjuistheid van de huurovereenkomst daarmee op de koop toe genomen. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de bewering dat [directievoorzitter FGH] [verdachte A] heeft verzocht om de valse huurovereenkomst op te maken. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat het feit dat relatiemanager [medewerker FGH] van de FGH bank, nadat de huurovereenkomst was overgelegd, twijfelde aan de juistheid van die overeenkomst niet afdoet aan het feit dat [verdachte A] deze overeenkomst valselijk heeft opgemaakt. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat [verdachte A] , tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV, een huurovereenkomst kantoorruimte tussen EC Projectontwikkeling BV en LeasePlan Corporation NV valselijk heeft opgemaakt. 5.2.3 Feit 3 Valsheid in geschrift in relatie tot Martinez te Almere Onder feit 3 van parketnummer 07/996513-12 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV een aannemingsovereenkomst met Volker Wessels BV, een huurovereenkomst met de Rijksgebouwendienst als huurder en een huurovereenkomst met de gemeente Almere als huurder valselijk heeft opgemaakt; - subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het valselijk opmaken van genoemde geschriften; - meer subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruik heeft gemaakt van genoemde valse geschriften; - nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het gebruik maken van genoemde valse geschriften. 5.2.3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte A] heeft dit feit bekend en van medeweten van de SNS bank is niets gebleken. Het standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet dat hetgeen in de aannemingsovereenkomst en de huurovereenkomsten is vermeld op onderdelen niet strookt met de werkelijkheid. Wel plaatst de verdediging ook hier kanttekeningen bij het als echt en onvervalst gebruiken van het geschrift, omdat de SNS bank op de hoogte was van de onjuistheden in de huurovereenkomsten. 5.2.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. Naast het project Carlton heeft EC Projectontwikkeling BV in Almere ook het project Martinez ontwikkeld. Dit betreft een kantoorpand van 22 verdiepingen. In verband met de financiering van het project Martinez hebben EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV een financieringsovereenkomst gesloten met SNS Property Finance BV (hierna: SNS PF), gedateerd 13 mei 2008, voor een kredietlimiet van € 30.000.000,--. In deze overeenkomst is opgenomen dat het project Martinez voor tenminste 60% onherroepelijk en onvoorwaardelijk is (voor)verhuurd aan o.a. de gemeente Almere en de Rijksgebouwendienst Noord-Oost. De aannemingsovereenkomst en de definitieve juridisch perfecte huurovereenkomsten zijn door EC Projectontwikkeling BV aan SNS PF overgelegd. De overgelegde aannemingsovereenkomst, door [verdachte A] ondertekend op 12 december 2007, is echter op de volgende onderdelen niet in overeenstemming met de werkelijkheid: - in de overeenkomst is een aanneemsom van € 30.500.000,-- vermeld, terwijl deze aanneemsom in werkelijkheid € 35.000.000,-- bedroeg; - in de overeenkomst is vermeld dat de betaling van de aanneemsom binnen 28 dagen na ontvangst en goedkeuring door opdrachtgever van een rekening zal plaatsvinden, terwijl in werkelijkheid de aanneemsom bij de eerste oplevering betaald diende te worden; - onder de overeenkomst is een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [medewerker bouwbedrijf] . Deze aannemingsovereenkomst is op 4 januari 2008 per post naar SNS PF gestuurd. De verantwoordelijke medewerkers van SNS PF hebben verklaard dat als SNS PF op de hoogte was geweest van het feit dat de volledige aanneemsom pas bij eerste oplevering betaald diende te worden – en niet in termijnen, zoals vermeld in de overgelegde aannemingsovereenkomst – de financiering waarschijnlijk onder andere voorwaarden zou hebben plaatsgevonden. De huurovereenkomst met de Rijksgebouwendienst, door [verdachte A] op 17 augustus 2007 ondertekend, is op de volgende onderdelen niet correct: - in de huurovereenkomst is vermeld dat EC Projectontwikkeling BV vanaf 1 januari 2010 voor de duur van tien jaren de 5e tot en met de 10e verdieping en 140 parkeerplaatsen van het kantoorgebouw Martinez in Almere heeft verhuurd aan de Rijksgebouwendienst, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke verhuur; - onder de huurovereenkomst is een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van de directeur van de Rijksgebouwendienst. Deze huurovereenkomst is aan SNS PF overgelegd ten behoeve van de aanvraag van de financiering van de kantoortoren Martinez. De huurovereenkomst met de gemeente Almere, door [verdachte A] op 3 augustus 2007 ondertekend, is op de volgende onderdelen niet correct: - in de huurovereenkomst is vermeld dat EC Projectontwikkeling BV vanaf 1 januari 2010 voor de duur van tien jaren de begane grond tot en met de 4e verdieping en 150 parkeerplaatsen van het kantoorgebouw Martinez in Almere heeft verhuurd aan de Rijksgebouwendienst, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke verhuur; - onder de huurovereenkomst is een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van de gemeentesecretaris van de gemeente Almere. Ook deze huurovereenkomst is aan SNS PF overgelegd ten behoeve van de aanvraag van de financiering van de kantoortoren Martinez. De beide overgelegde huurovereenkomsten zijn voor SNS PF van essentieel belang geweest voor het vrijgeven van het krediet voor het kantoorpand Martinez, omdat de uit die overeenkomsten voortvloeiende huurpenningen garant stonden voor de betalingen door EC Projectontwikkeling BV in het kader van de lening. SNS PF heeft de gelden uit de financiering in de periode van mei 2008 tot maart 2011 in termijnen verstrekt. Betrokkenheid van [verdachte A] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aannemingsovereenkomst en de huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt. Hij heeft de handtekening gezet die moest doorgaan voor de handtekening van [medewerker bouwbedrijf] , de directeur van de Rijksgebouwendienst en de gemeentesecretaris van de gemeente Almere. De verdediging heeft gesteld dat het overleggen van de vervalste aannemingsovereenkomst niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat het onderdeel met betrekking tot de opeisbaarheid van de aanneemsom achteraf bezien geen reële betekenis heeft gehad omdat het gebouw is opgeleverd. De rechtbank overweegt in dit verband dat dit argument niet afdoet aan de valsheid van de overgelegde aannemingsovereenkomst. Met betrekking tot de valse huurovereenkomsten heeft [verdachte A] in een brief de dato 14 mei 2012 aan de SNS bank laten weten dat die overeenkomsten geen doorgang hebben gevonden, omdat het gebouw Martinez in dezelfde periode in 2008 is opgenomen in het WTC (World Trade Centre)-concept. In dit concept is het IKN (Internationaal Kantoren Centrum), handelend onder het WTC, als hoofdhuurder van kantoorgebouw Martinez opgetreden. Deze informatie was volgens [verdachte A] bij de toenmalige accountmanagers respectievelijk projectleiders en het bestuur van de SNS bank bekend. [verdachte A] noemt in dat verband de namen van de heren [medewerker SNS 1] en [medewerker SNS 2] . De rechtbank is van oordeel dat het verweer, inhoudende dat mensen binnen de SNS bank sinds 2008 ervan op de hoogte waren dat de huurovereenkomsten niet door waren gegaan, geen steun vindt in het dossier. De heren [medewerker SNS 1] en [medewerker SNS 2] ontkennen dat in 2008 te hebben geweten en ook overigens bevat het dossier geen aanwijzingen hiervoor. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat [verdachte A] , tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV, een aannemingsovereenkomst met Volker Wessels BV, een huurovereenkomst met de Rijksgebouwendienst als huurder en een huurovereenkomst met de gemeente Almere als huurder, valselijk heeft opgemaakt. 5.2.4 Feit 4 Valsheid in geschrift in relatie tot La Diligence te Zwolle Onder feit 4 van parketnummer 07/996513-12 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV een huurovereenkomst tussen verhuurder EC Projectontwikkeling BV en huurder Volker Infra te Rotterdam en een huurovereenkomst tussen verhuurder EC Projectontwikkeling BV en huurder Facility Services Netwerk te De Meern valselijk heeft opgemaakt; - subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het valselijk opmaken van genoemde geschriften; - meer subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV gebruik heeft gemaakt van genoemde valse geschriften, - nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV inzake het gebruikmaken van genoemde valse geschriften. 5.2.4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte A] heeft dit feit bekend en van medeweten van de SNS bank is niets gebleken. Het standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet dat hetgeen in de huurovereenkomsten is vermeld op onderdelen niet strookt met de werkelijkheid. Wel plaatst de verdediging ook hier kanttekeningen bij het als echt en onvervalst gebruiken van het geschrift, omdat de SNS bank op de hoogte was van de onjuistheden in de huurovereenkomsten. 5.2.4.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. EC Projectontwikkeling BV heeft in Zwolle een project ontwikkeld voor een kantorencomplex onder de naam La Diligence. Dit complex omvatte vijf, in volgorde te bouwen kantoorgebouwen. SNS PF en EC Projectontwikkeling BV hebben op 13 oktober 2008 een financieringsovereenkomst gesloten voor (een gedeelte van) de kosten van het project La Diligence. De kredietlimiet voor het gehele project bedroeg € 48.600.000,-- en was als volgt opgebouwd: - gebouw Tilbury krediet € 8.600.000,-- - gebouw Faëton krediet € 6.300.000,-- - gebouw Landaulette krediet € 4.200.000,-- - gebouw Berline krediet € 5.500.000,-- - gebouw Victoria krediet € 24.000.000,--. Eén van de op 13 oktober 2008 aan financiering van het gebouw Faëton gestelde voorwaarden was dat het pand Faëton voor ten minste 60% verhuurd moest zijn. EC Projectontwikkeling BV diende in dat kader definitieve juridisch perfecte huurovereenkomsten te overleggen aan SNS PF, waarmee zou zijn aangetoond dat het pand Faëton voor tenminste 60% was verhuurd. EC Projectontwikkeling BV heeft naar aanleiding van deze aanvullende voorwaarden een huurovereenkomst met Volker Infra als huurder en een huurovereenkomst met de Facility Services Netwerk als huurder aan SNS PF overgelegd. De ongedateerde, door [verdachte A] ondertekende huurovereenkomst met Volker Infra is op de volgende onderdelen niet correct: - in de huurovereenkomst is vermeld dat EC Projectontwikkeling BV vanaf 1 oktober 2010 voor de duur van vijf jaren de 3e, 4e en 5e verdieping en 35 parkeerplaatsen van het Faëton kantoorgebouw in Zwolle heeft verhuurd aan Volker Infra, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke verhuur; - onder de huurovereenkomst is een handtekening geplaatst die moet doorgaan voor de handtekening van [medewerker Volker Infra] namens Volker Infra. De door [verdachte A] op 15 februari 2010 ondertekende huurovereenkomst met Facility Services Netwerk is op de volgende onderdelen niet correct: - in de huurovereenkomst is vermeld dat EC Projectontwikkeling BV vanaf 1 oktober 2010 voor de duur van vijf jaren de begane grond en tien parkeerplaatsen van het Faëton kantoorgebouw in Zwolle heeft verhuurd aan Facility Services Netwerk, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke verhuur; - onder de huurovereenkomst is een handtekening geplaatst die moet doorgaan voor de handtekening van [medewerker Facility Services] namens Facility Services Netwerk. Betrokkenheid van [verdachte A] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de huurovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt. Hij heeft de handtekening gezet die moest doorgaan voor de handtekening van [medewerker Volker Infra] en de handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [medewerker Facility Services] . De raadsman heeft bij pleidooi gesteld dat [verdachte A] ter terechtzitting heeft verklaard dat – naast het gebouw Martinez – ook het kantoorgebouw Faëton was opgenomen in het WTC-project en dat de SNS bank hiermee bekend was. Afgezien van het feit dat uit het proces-verbaal van de betreffende zitting blijkt dat [verdachte A] dit niet verklaard heeft, is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor deze stelling. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat [verdachte A] , tezamen en in vereniging met EC Projectontwikkeling BV en EC Holding BV, een huurovereenkomst met Volker Infra als huurder en een huurovereenkomst met de Facility Services Netwerk als huurder valselijk heeft opgemaakt. 5.3 Kirishima (08/996128-13) 5.3.1 Voorzienbaarheid van het faillissement van de EC-vennootschappen en van [verdachte A] privé De aan [verdachte A] ten laste gelegde feiten in het kader van het onderzoek Kirishima zien voor een groot deel op – kort samengevat – betrokkenheid bij bedrieglijke bankbreuk (artikel 341 Sr) in verband met de faillissementen van EC Holding BV, EC Recreatie BV, Jachtstaete BV en [verdachte A] privé. Daarbij komt telkens de vraag op of de ten laste gelegde (rechts)handelingen verricht zijn ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. De rechtbank zal deze vraag, die ziet op de voorzienbaarheid van de respectievelijke faillissementen op het moment van de ten laste gelegde gedragingen, als eerste behandelen. 5.3.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich – zakelijk weergegeven – primair op het standpunt dat, tegen de achtergrond van de sinds 2009 heersende kredietcrisis en de steeds groter wordende liquiditeitsnood binnen de EC-groep, vanaf het moment dat de ABN Amro bank in oktober 2010 het krediet van EC opzegde en aflossingen eiste, sprake was van een aanmerkelijke kans op het faillissement van de EC-groep. Vanaf dat moment is [verdachte A] ook begonnen met het veiligstellen van vermogen door middel van onttrekkingen. Subsidiair is de officier van justitie van mening dat het faillissement van de EC-groep in ieder geval voorzienbaar was vanaf 15 november
  12. Op die dag heeft [verdachte A] in een onderhoud met medewerkers van de Rabobank en de FGH bank toegegeven dat hij in verband met financieringsaanvragen valse documenten aan de FGH bank had overgelegd. Tijdens dat onderhoud heeft hij ook aangegeven dat als de bank aangifte zou doen van de door hem gepleegde valsheid in geschrift, dit het omvallen van het EC-concern tot gevolg zou hebben. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van de ten laste gelegde handelingen geen sprake was van een aanmerkelijke kans op het faillissement van de EC-groep en van [verdachte A] in privé. De verdediging heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. - In 2009 waren er weliswaar problemen in de vastgoedmarkt, maar EC had een groot eigen vermogen en de verhuur van kantoorruimte ging in 2009 gewoon door. Daarnaast werden in 2010 nog verhuurde panden verkocht aan internationale beleggers. EC heeft in 2010 een winst gemaakt van € 21.500.000,-- en 2010 is afgesloten met een liquiditeitspositie van € 88.000.000,--. In de jaarstukken over 2011 zijn forse afwaarderingen van de kantoorpanden opgenomen, doch deze jaarstukken zijn na het faillissement vastgesteld. - Eind 2010 was er nog geen verdenking jegens [verdachte A] gerezen van malversaties. De eerste aangifte van een bank tegen [verdachte A] is van 16 december
  13. De rechtbank Gelderland heeft op 18 juni 2014 ook geoordeeld dat uit de door [verdachte A] gepleegde valsheden in geschrift niet zonder meer volgt dat een faillissement van [verdachte A] privé eind december 2010 voorzienbaar was. - Weliswaar heeft de ABN Amro bank in oktober 2010 het krediet van EC opgezegd, maar het is niet aannemelijk dat de ABN Amro bank [verdachte A] nog een jaar respijt zou geven als zij geen vertrouwen meer in hem had gehad. Ook als EC respectievelijk [verdachte A] er niet in zouden slagen om het krediet geheel af te lossen is daarmee niet gegeven dat de ABN Amro bank EC zou laten omvallen. - De ontdekking van de valse huurovereenkomsten op 15 november 2011 heeft niet geleid tot intrekking van de financiering van EC met als gevolg een faillissement van EC en [verdachte A] privé. Na 15 november 2011 hebben de Rabobank en de NIBC bank nog substantiële financieringen aan EC verstrekt, waaruit afgeleid kan worden dat die banken nog voldoende vertrouwen hadden in [verdachte A] en in herstel van de vastgoedmarkt. - De aangifte door de Rabobank zou een ‘zachte’ aangifte zijn, te weten een aangifte die niet per se tot strafrechtelijke vervolging zou leiden. Voor de gezamenlijke banken was vanaf 15 november 2011 continuïteit van EC uitgangspunt. In maart en april 2012 hebben onder leiding van de Rabobank verschillende besprekingen plaatsgevonden tussen een aantal banken over een herstructureringsplan, met als uitgangspunt continuïteit van EC en onder meer als voorwaarde dat [verdachte A] zou terugtreden. - [verdachte A] heeft tot aan het einde toe geen rekening gehouden met zijn privé faillissement. De rekening-courant schuld aan EC ad € 45.000.000,-- (ultimo 2010) was het gevolg van de aankoop van aandelen in Fortis en in andere banken tot een bedrag van € 70.000.000,--. Door de bankencrisis waren deze aandelen met € 50.000.000,-- in waarde gedaald. [verdachte A] ging er van uit dat de banken daar wel rekening mee zouden houden. 5.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank Juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 341 Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan.Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid. De rechtbank stelt verder voorop dat voor het bewijs van opzet de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels, feiten van algemene bekendheid et cetera van belang zijn. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard (gewild). Relevante feiten en omstandigheden De rechtbank neemt bij het oordeel omtrent de voorzienbaarheid van de faillissementen de volgende feiten en omstandigheden in ogenschouw. Vastgoedcrisis EC was één van de grotere projectontwikkelaars van onroerend goed, met name kantoorpanden, in Nederland. Vanaf 2009 kwam de commerciële vastgoedsector in zwaar weer te verkeren. In de jaren 2009, 2010 en 2011 stond respectievelijk 13%, 14% en 14,5 % van de totale kantorenmarkt in Nederland leeg. In deze jaren kenmerkte de kantorenmarkt zich door een zeer ruim aanbod en een hoog leegstandscijfer en was sprake van een structurele mismatch tussen vraag en aanbod. Daarnaast was de verwachting dat door de afname van de beroepsbevolking en de impact van ‘Het Nieuwe Werken’ (geen vaste werkplekken) in de toekomst steeds minder kantoorruimte zou worden gebruikt. Gevolgen van de vastgoedcrisis voor het EC-concern Uit de jaarrekeningen van EC over de jaren 2006 tot en met 2009 blijkt dat als gevolg van de vastgoedcrisis de liquiditeit terugliep van € 292.000.000,-- eind 2006 naar € 87.000.000,-- eind 2009, waarbij de kasstroom vooral in de jaren 2007 en 2009 aanzienlijk negatief liep. Het balanstotaal steeg van € 492.000.000,-- begin 2006 tot € 976.000.000,-- eind 2009, doordat de EC-groep nieuwe kantoorpanden verwierf terwijl de verkoop stagneerde. In 2010 werden nog twee belangrijke projecten verkocht, maar desondanks bleef de liquiditeitspositie steken op € 88.000.000,-- per ultimo 2010 en was de kasstroom in dat jaar € 14.418.000,-- positief. Het balanstotaal bedroeg aan het eind van 2010 in totaal € 1.047.000.000,--. In de loop van het jaar 2011 werden de liquiditeitsproblemen steeds nijpender en kon EC de financiering van enkele nieuwe panden niet meer rond krijgen. Er werden in dat jaar geen panden verkocht en substantiële verhuurtransacties in grote projecten kwamen weinig voor. Op 8 september 2011 heeft de accountant van EC een liquiditeitsprognose gemaakt. Daarin werd voorzien dat de liquide middelen, die op dat moment nog € 25.000.000,-- bedroegen, eind april 2012 verdwenen zouden zijn. Voor eind juli 2012 werd een tekort van € 9.300.000,- voorzien. In de prognose was de betaling voor de gebouwen Diana en Vesta in Amsterdam van rond € 40.000.000,-- in februari 2012 niet meegenomen. Weliswaar was voor € 35.000.000,-- aan financiering toegezegd, maar dit geld was deels nodig voor andere projecten. De Rabobank en de FGH bank drongen ook aan op aflossing van hun financieringen. Eind september 2011 heeft EC daarover afspraken gemaakt met deze banken, waar bij gebrek aan verkopen echter weinig van terecht is gekomen. Afbouw kredietstelling door de ABN Amro bank Naast de Rabobank en de FGH bank had de EC-groep een aantal financieringen lopen bij zowel de Fortis bank als de ABN Amro bank. Nadat deze banken met ingang van 1 juli 2010 gefuseerd waren, kwamen deze financieringen terecht bij de ABN Amro bank. Voorafgaand aan de fusie liepen er vanaf het derde kwartaal van 2009 onderhandelingen tussen de ABN Amro bank en [verdachte A] (namens de EC-groep) over verlenging van de aflopende kredietfaciliteiten. Tijdens deze onderhandelingen heeft de bank [verdachte A] er al op gewezen dat het uitblijven van overeenstemming over de condities en voorwaarden van een nieuwe kredietovereenkomst mogelijk consequenties kon hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van de EC-groep. Nadat duidelijk werd dat [verdachte A] en de ABN Amro bank het niet eens konden worden over de nieuwe financieringsvoorwaarden heeft de bank gekozen voor een exit strategie en is het krediet per 1 oktober 2010 opgezegd en opgeëist. Na nieuwe onderhandelingen is vervolgens op 13 oktober 2010 een hernieuwde algemene kredietovereenkomst gesloten tussen de ABN Amro bank en de EC-groep en [verdachte A] , gericht op afbouw van de financiering door de ABN Amro bank binnen een jaar. Ingevolge deze overeenkomst heeft de ABN Amro bank een kredietfaciliteit ter beschikking gesteld aan de EC-groep van in totaal € 190.758.250,--. Deze faciliteit had voor een bedrag van € 30.000.000,-- een looptijd tot 15 december 2010 en voor € 160.758.250,-- een looptijd tot 1 oktober
  14. Voor de genoemde kredietfaciliteit van € 30.000.000,-- heeft [verdachte A] een persoonlijke borgtocht afgegeven van eveneens € 30.000.000,--. Als gevolg van de hernieuwde overeenkomst diende de gehele schuld van de EC-groep aan de ABN Amro bank op 1 oktober 2011 te zijn afgelost. Dit betekende voor de EC-groep dat op 1 oktober 2011 de door de ABN Amro bank gefinancierde objecten geherfinancierd dienden te zijn, dan wel uit eigen middelen gefinancierd dienden te worden of een combinatie van beide mogelijkheden. EC heeft vanaf 13 oktober 2010 ongeveer € 65.000.000,-- afgelost op de kredietfaciliteiten. Echter, reeds in juni 2011 heeft [verdachte A] aan de ABN Amro bank laten weten dat volledige afbouw van de financieringen per 1 oktober 2011 door het achterwege blijven van structurele verkopen niet mogelijk zou zijn. Daarnaast was er inmiddels een vertrouwenscrisis tussen de ABN Amro bank en [verdachte A] ontstaan, die de verhoudingen nog meer onder druk zette. In november 2011 is binnen de ABN Amro bank besloten om de looptijd van de financieringen te verlengen tot 1 oktober 2012, onder aanpassing van een aantal van de voorwaarden. Niet nakoming van die voorwaarden zou direct leiden tot opeising van het gehele krediet. Het is [verdachte A] niet gelukt om een andere bank te vinden die de schulden aan de ABN Amro bank (deels) wilde financieren. Gevolgen van het valselijk opmaken van aannemings- en huurovereenkomsten door [verdachte A] In verband met de financiering van de kantoorpanden Diana en Vesta in Amsterdam en Carlton in Almere heeft [verdachte A] in 2011 een aannemingsovereenkomst, een afbouwgarantie en een huurovereenkomst aan de FGH bank overgelegd. Nadat een medewerker van de FGH bank had ontdekt dat de handtekening op de afbouwgarantie niet correct was, heeft [verdachte A] op 15 november 2011 in een onderhoud met een aantal medewerkers van de Rabobank en de FHG bank toegegeven dat hij de drie documenten valselijk had opgemaakt. Tijdens dat onderhoud heeft [verdachte A] verklaard dat EC vanaf eind 2010 op grote liquiditeitsproblemen afstevende. Vanaf half februari 2011 was de liquiditeitsstroom snel opgedroogd doordat geen kantoorpanden meer werden verkocht en [verdachte A] wilde EC door de moeilijke tijd heen loodsen door de valsheden te plegen. [verdachte A] verzocht de bank om een oplossing waarin de bank niet direct zou ingrijpen omdat EC anders zou omvallen. De andere banken zouden dan volgens hem namelijk snel volgen. [verdachte A] werd echter te kennen gegeven dat de bank niet anders kon dan aangifte doen. In reactie daarop stelde [verdachte A] dat hij dan de andere banken diende te informeren met als gevolg dat alle investeerders en banken zich zouden terugtrekken, waarna [verdachte A] zijn bedrijf kwijt zou zijn. In eerste instantie is tijdens het onderhoud op 15 november 2011 aan [verdachte A] meegedeeld dat aan aangifte door de bank niet viel te ontkomen en een week later heeft de FGH bank per brief te kennen gegeven dat de bank zich daarover zou beraden. De Rabobank heeft op 16 december 2011 aangifte gedaan tegen [verdachte A] . Als gevolg van het onderhoud heeft de FGH bank geweigerd de toegezegde financiering voor de gebouwen Diana en Vesta te verstrekken. Op (vrijwel) het zelfde moment blokkeerde de Rabobank alle betaalrekeningen van EC en voerde zij mondjesmaat alleen nog de meest noodzakelijke betaalopdrachten uit. In december 2011 heeft mr. E. Poelenije, advocaat bij Kienhuis Hoving Advocaten en Notarissen te Enschede, concept-rekesten opgesteld voor surseance van betaling van alle vennootschappen binnen de fiscale eenheid Ferdinand Stinger Holding BV. Het initiatief tot het opstellen van de rekesten is genomen door [verdachte A] . Faillissement van de EC-groep Na verlening van surseance van betaling aan Ferdinand Stinger Holding BV, EC Holding BV en EC Projectontwikkeling BV met ingang van 21 mei 2012 zijn deze vennootschappen met ingang van 12 juli 2012 in staat van faillissement verklaard. Het totaal van de ingediende vorderingen door banken, de gemeente Almere en Bouwbedrijf Wessels Rijssen bedroeg voor de totale EC-groep € 734.504.214,--. Daar stond (per ultimo 2011 afgewaardeerd) onroerend goed tegen over van € 543.405.000,--. Het totaal aan activa bedroeg minder dan € 550.000,--. Positie van [verdachte A] in privé Op 27 november 2012 had [verdachte A] een rekening-courant schuld aan Ferdinand Stinger BV (de topholding binnen de EC-groep) van meer dan € 48.000.000,--. Daar stond een privévermogen tegenover van ruim € 20.000.000,--. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank leidt uit de weergegeven feiten en omstandigheden af dat er vanaf 2009, het begin van de vastgoedcrisis, reden was tot zorg over de continuïteit van de EC-groep. Deze zorg werd door de in 2010 teruglopende en in 2011 geheel stagnerende verkopen van kantoorpanden steeds groter. Als gevolg van deze stagnatie kon EC niet meer voldoen aan haar financiële verplichtingen aan de verschillende banken, waaronder de ABN Amro bank. Tot 15 november 2011 was deze zorg naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet van dien aard dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep, en in het verlengde daarvan van [verdachte A] in privé. Zo was [verdachte A] nog in onderhandeling met de ABN Amro bank over (de afwikkeling van) de lopende kredieten en met de FGH bank over verstrekking van een nieuw krediet (met betrekking tot het project Diana en Vesta in Amsterdam). Bovendien waren de banken nog niet op de hoogte van de door [verdachte A] in het kader van de financieringsaanvragen overgelegde valse aannemings- en huurovereenkomsten. Nadat [verdachte A] op 15 november 2011 aan medewerkers van de Rabobank en de FGH bank moest bekennen dat hij belangrijke documenten valselijk had opgemaakt, verslechterde de situatie voor de EC-groep aanzienlijk. Als aangifte gedaan zou worden van de door [verdachte A] gepleegde valsheden in geschrift, dan zou naar het oordeel van de rechtbank tenminste een aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep ontstaan, en in het verlengde daarvan van [verdachte A] in privé. Strafrechtelijke vervolging van [verdachte A] in verband met de door hem gepleegde valsheden in geschrift zou, gegeven de allesbepalende positie van [verdachte A] binnen de EC-groep, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid leiden tot een faillissement van die EC-groep. [verdachte A] heeft in het onderhoud met de Rabobank en de FGH bank op 15 november 2011 zelf ook te kennen gegeven dat hij EC kwijt zou zijn als de bank aangifte zou doen. Het verweer van de verdediging dat de bekentenis van [verdachte A] met betrekking tot de valse documenten op 15 november 2011 niet heeft geleid tot intrekking van de financiering door de Rabobank en de andere banken en dat voor die banken continuïteit van de EC-groep uitgangspunt was, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het feit dat de banken in eerste instantie andere mogelijkheden dan een faillissement onderzochten om hun belangen zoveel mogelijk veilig te stellen laat onverlet dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kans op faillissement van de EC-groep. De rechtbank merkt in dit verband in de eerste plaats op dat het door een aantal banken in maart en april 2012 opgestelde herstructureringsplan van EC niet door alle banken gesteund werd, zodat een eventueel akkoord omtrent dit plan niet betekende dat een faillissement van de EC-groep van de baan was. Daarnaast waren aan het herstructureringsplan een aantal stringente voorwaarden verbonden, zoals de voorwaarden dat Wessels zijn reeds ingediende faillissementsaanvraag diende in te trekken en dat een aantal andere grote schuldeisers, waaronder de ABN Amro bank, geen faillissementsaanvraag zouden indienen of andere invorderingsmaatregelen zouden nemen. Het voldoen aan die voorwaarden lag voor een groot deel buiten de invloedssfeer van [verdachte A] , die geweigerd heeft om met het herstructureringsplan akkoord te gaan. Het feit dat de NIBC bank in december 2011 nog een krediet van € 15.000.000,-- aan de EC-groep heeft verstrekt, leidt niet tot de conclusie dat die bank nog voldoende vertrouwen had in [verdachte A] . Immers, als de NIBC bank op het moment van het uitbetalen van dat bedrag op de hoogte was geweest van de verdenkingen en de aangifte tegen [verdachte A] , had die uitbetaling zeker geen doorgang gevonden. Ook de bereidheid van de Rabobank om in december 2011 nog een bedrag van € 3.500.000,-- te financieren (voor een periode van ruim twee weken en onder stringente voorwaarden) kan niet leiden tot de conclusie dat nog vertrouwen bestond in [verdachte A] , omdat de Rabobank alleen tot die financiering bereid was om verdere financiële schade te voorkomen. De stelling van de verdediging dat de aangifte door de Rabobank op 16 december 2011 niet per se tot strafrechtelijke vervolging zou leiden vindt geen steun in het dossier en wordt betwist door de officier van justitie, zijnde degene die over strafrechtelijke vervolging beslist. Het begrip “zachte aangifte” is strafrechtelijk non-existent. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook. Tot slot heeft de verdediging gesteld dat [verdachte A] geen rekening heeft gehouden met zijn privé faillissement, omdat de schuld aan EC het gevolg was van waardedaling van aandelen in onder meer Fortis die hij met in rekening-courant opgenomen geld had gekocht. De rechtbank stelt deze lezing als ongeloofwaardig terzijde. Het privé faillissement van [verdachte A] was niet meer dan het logische gevolg van het faillissement van de EC-groep omdat ook voor [verdachte A] duidelijk moet zijn geweest dat de curatoren in het faillissement van de EC-groep hem zouden aanspreken op aflossing van de rekening-courant schuld van meer dan € 48.000.000,-- (per 27 november 2012) en [verdachte A] was daartoe bij lange na niet in staat. De rol van de banken was op dat moment immers overgenomen door de curatoren. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat er vanaf 15 november 2011 een aanmerkelijke kans bestond op een faillissement van de EC-groep, en in het verlengde daarvan van [verdachte A] in privé. Met name de gevolgen van de vastgoedcrisis voor de EC-groep, de afbouw van de kredietstelling door de ABN Amrobank en de bekentenis van [verdachte A] aan de Rabobank en FGH bank dat hij belangrijke documenten valselijk had opgemaakt, leiden tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte A] zich vanaf 15 november 2011 bewust is geweest van die aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep en van hemzelf in privé, en die kans ook heeft aanvaard. 5.3.2 Feit 1 (A) Overdracht van de Stal Eurocommerce Onder feit 1 (A) van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij, zakelijk weergegeven: - primair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Holding BV en EC Recreatie BV terzake van het plegen van bedrieglijke bankbreuk door die BV’s, door achtereenvolgens op 1 december 2011: een overeenkomst tussen EC Promotie BV (later genaamd: Gevi Gorssel BV) en EC Holding BV af te sluiten, in welke overeenkomst wordt geconstateerd dat EC Holding BV een vordering van € 38.250.000,-- heeft op EC Promotie BV, en overeen te komen dat EC Holding BV een agiostorting zal doen op haar aandelen in EC Promotie BV van € 38.250.000,--, dat EC Holding BV die vordering zal voldoen door verrekening van de vordering van EC Holding BV op EC Promotie BV voor hetzelfde bedrag en dat EC Holding BV en EC Promotie BV niets meer van elkaar te vorderen hebben; een notariële akte te doen opmaken waarin EC Holding BV haar aandelen in EC Promotie BV overdraagt aan Gevi International BV voor € 7.000.000,-- en Gevi International BV de koopsom bij wijze van geldlening schuldig blijft aan EC Holding BV; een geldleningsovereenkomst tussen Gevi International BV en EC Holding BV af te sluiten, waarbij wordt overeengekomen dat EC Holding BV een bedrag van € 7.000.000,-- leent aan Gevi International BV en dat Gevi International BV dat bedrag in zeven jaarlijkse termijnen van elk € 1.000.000,-- zal aflossen, te beginnen op 1 december 2012; een sponsorovereenkomst tussen Gevi Gorssel BV (voorheen genaamd: EC Promotie BV) en EC Holding BV af te sluiten, in welke overeenkomst is vastgelegd dat EC Holding BV vanaf 1 december 2012 gedurende zeven jaren jaarlijks € 1.000.000,-- betaalt aan Gevi Gorssel BV voor door Gevi Gorssel BV te leveren sponsoractiviteiten, welke feiten ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van EC Holding BV hebben verlaten; - subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Holding BV en EC Recreatie BV genoemde bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. 5.3.2.
  15. De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 (A) primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en heeft daartoe, samengevat en voor zover thans relevant, het volgende aangevoerd. De vordering van € 38.250.000,-- van EC Holding BV op EC Promotie BV (later Gevi Gorssel BV genaamd, ook aan te duiden als de Stal) is via een agioconstructie kwijtgescholden, waardoor het eigen vermogen van de Stal is omgeslagen van € 19.500.000,-- negatief naar € 18.870.000,-- positief. Gelet op dit eigen vermogen was de koopsom van € 7.000.000,-- te laag. Badwill is bij de bepaling van de waarde van de Stal niet relevant, omdat geen sprake is van een op winst gerichte commerciële, levensvatbare onderneming, maar van een uit de hand gelopen hobby die structureel verliesgevend was. De aandelen dienen derhalve te worden gewaardeerd op intrinsieke waarde, zonder rekening te houden met good- of badwill. Daarnaast is de te lage koopsom verschuldigd gebleven als gevolg van de gelijktijdig afgesloten overeenkomst van geldlening en de sponsorovereenkomst, waardoor het geheel heeft geleid tot een transactie met gesloten beurzen. Op deze wijze viel de Stal buiten de boedel van de gefailleerde EC-vennootschappen. Ten aanzien van dit geheel van transacties met betrekking tot de overgang van de Stal is voorafgaand geen advies ingewonnen bij of vooroverleg gevoerd met een accountant en/of de Belastingdienst. [verdachte A] en [verdachte B] hebben de waarde van de grond en de opstallen ten tijde van de overdracht van de Stal ten onrechte op € 2.200.000,-- gesteld. Deze waarde is niet onderbouwd en niet gebaseerd op een vooraf verrichte taxatie. In opdracht van [verdachte A] , namens [verdachte B] , heeft makelaar [makelaar] op 30 augustus 2012 een taxatie verricht van de grond en de opstallen met 1 december 2011 als peildatum. [makelaar] heeft de waarde van de grond en opstallen getaxeerd op € 3.095.000,--. Dat de grond en de opstallen bij een latere verkoop door de bank € 1.900.000,-- zouden hebben opgebracht is niet relevant, omdat dit een noodverkoop betrof. Noch de taxatie van [makelaar] , noch de uiteindelijke opbrengst heeft bijgedragen aan de aandelenwaardering van € 7.000.000,-- omdat deze gegevens ten tijde van de transacties op 1 december 2011 onbekend waren. De intrinsieke waarde van de Stal werd vooral bepaald door de waarde van de paarden. De door [verdachte A] zelf gehanteerde waarde van € 5.700.000,-- is niet onderbouwd. Het eigen vermogen van de Stal is ten onrechte negatief beïnvloed door een afwaardering van de voorraad paarden van € 9.500.000,-- als gevolg van een wijziging van de waarderingsgrondslag in
  16. Voorts komen de – achteraf – verrichte taxaties voor een forse correctie in aanmerking, gelet op de werkelijk gerealiseerde, structureel hogere verkoopopbrengsten van een aantal paarden. Ten tijde van de taxaties was een deel van de informatie over deze werkelijke verkoopopbrengsten al bekend, doch niet gedeeld met de taxateurs. Al met al is de meerwaarde van de paarden bij verkoop ten opzichte van de taxatiewaarde ongeveer € 13.000.000,--. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het onder feit 1 (A) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe, samengevat en voor zover thans relevant, de volgende standpunten ingenomen. Met de verkoop van de Stal aan Gevi International BV heeft EC Holding BV een verlieslatende, branchevreemde activiteit afgestoten. De plannen voor de overname van de Stal door [verdachte B] bestonden reeds geruime tijd vóór de daadwerkelijke overdracht en hebben gaandeweg vorm gekregen. Het jaarlijks verlies van ongeveer € 4.000.000,-- dat werd geleden op de Stal, werd “afgekocht” met een sponsorbijdrage van € 1.000.000,-- per jaar waarmee EC Holding BV wel dezelfde publicitaire voordelen uit de Stal bleef houden. De transacties van 1 december 2011 kunnen noch afzonderlijk, noch als geheel als bedrieglijke bankbreuk worden beschouwd. De kwijtschelding van de schuld van € 38.000.000,-- was noodzakelijk, omdat de Stal anders onverkoopbaar was. De waarde van de vordering van EC Holding BV op de Stal kon niet hoger zijn dan de waarde van de onderneming zelf. Deze waarde werd door [verdachte A] geschat op € 7.000.000,--. Om de transactie van de Stal te beoordelen moet gekeken worden naar de waarde van de aandelen. De transactie zag immers niet op de waarde van de activa. Bij een overdracht going concern, zoals onderhavige, spelen ook de bedrijfsresultaten een rol. Het structurele operationele verlies moest worden meegewogen bij de bepaling van de waarde van de aandelen. Accountant [accountant] achtte een waarde van € 7.000.000,-- verdedigbaar. De geldleningsovereenkomst leverde geen benadeling voor de schuldeisers op gelet op de waarde van de onderneming, van Gevi International BV en gezien de verschuldigde rente. Vader en zoon zijn bij de overdracht uitgegaan van een waarde van € 2.200.000,-- van de grond en de opstallen. Makelaar [makelaar] had gelijk met de door hem getaxeerde waarde. Het onroerend goed is uiteindelijk verkocht voor € 1.950.000,--. Met hun inschatting van € 2.200.000,-- zaten [verdachte A] en [verdachte B] daar zelfs nog boven. Het verwijt dat de grond en de opstallen op een te laag bedrag zijn gewaardeerd snijdt geen hout. Bij de overdracht zijn [verdachte A] en [verdachte B] op grond van hun eigen ruime expertise uitgegaan van een waarde van de paarden van € 4.500.000,--. De paarden zijn door de taxateurs [taxateur 1] en [taxateur 2] gewaardeerd op € 4.768.370,--. De waardevermeerderingen zijn verklaarbaar uit ontwikkelingen ná de peildatum 1 december
  17. Informatie van na de peildatum is in principe niet relevant voor de beoordeling van de waarde op die peiling. De veiling was bovendien in 2014, jaren na de peildatum. Het daadwerkelijke verschil in waarde tussen taxatie door [taxateur 1] en [taxateur 2] enerzijds en de [verdachten A en B] anderzijds bedraagt slechts € 200.000,--. De verkoopprijzen dienen voorts gecorrigeerd te worden met commissiebedragen en de hoge onderhoudskosten van de paarden. 5.3.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank In hoofdstuk 5.3.1.2 is de rechtbank reeds tot het oordeel gekomen dat vanaf 15 november 2011 sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep en van [verdachte A] in privé. Thans dient zich de vraag aan of met betrekking tot onderhavige transacties sprake is geweest van (het feitelijk leiding geven aan) onttrekking van vermogen aan de failliete EC Holding BV of van vervreemding van goederen beneden de waarde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. Rechtshandelingen Op 1 december 2011 hebben de hierboven genoemde vier rechtshandelingen plaatsgevonden. Kortweg gaat het om het volgende: - een agiostorting: een overeenkomst tussen EC Promotie BV en EC Holding BV, waarin wordt overeengekomen dat een vordering van EC Holding BV op EC Promotie BV van € 38.250.000,-- ter finale kwijting wordt verrekend met een (agio)storting door EC Holding BV van hetzelfde bedrag op de door haar gehouden aandelen in EC Promotie BV; - een aandelentransactie: een notariële akte, waarin EC Holding BV de door haar gehouden aandelen in EC Promotie BV overdraagt aan Gevi International BV voor een bedrag van € 7.000.000,--. Tevens wordt bepaald dat Gevi International BV de koopsom ad € 7.000.000,-- bij wijze van geldlening schuldig blijft aan EC Holding BV; - een geldlening: een geldleningsovereenkomst tussen Gevi International BV en EC Holding BV, waarin wordt overeengekomen dat EC Holding BV een bedrag van € 7.000.000,-- leent aan Gevi International BV, welk bedrag Gevi International in zeven jaarlijkse termijnen van € 1.000.000,-- zal aflossen, te beginnen op 1 december 2012; - een sponsorovereenkomst: een overeenkomst tussen Gevi Gorssel BV en EC Holding BV, waarin wordt overeengekomen dat EC Holding BV vanaf 1 december 2012 gedurende 7 jaren jaarlijks een bedrag van € 1.000.000,-- betaalt aan Gevi Gorssel BV voor door die BV te leveren sponsoractiviteiten. De vordering van € 38.250.000,-- op EC Promotie was door EC Holding BV tot zekerheid voor nakoming van haar schulden door EC Holding BV verpand aan de Rabobank. Door de agiostorting is de schuld van EC Promotie BV aan EC Holding BV omgezet in eigen vermogen van EC Promotie casu quo verhoging van de deelneming van EC Holding BV in het risicodragend kapitaal van EC Promotie BV. De taxaties van roerende en onroerende zaken Op 30 augustus 2012 heeft makelaar [makelaar] een taxatierapport uitgebracht waarin de waarde van de onroerende zaken van de Stal per peildatum 1 december 2011 op € 3.095.000,-- is bepaald. De waarde van overgedragen roerende zaken heeft [makelaar] op 12 september 2012 – eveneens 1 december 2011 – gewaardeerd op € 302.600,--. Daarmee kwam hij derhalve op een gezamenlijke getaxeerde waarde van € 3.397.600,--. De inventarisatie van de paarden Op 1 december 2011 waren 132 paarden in bezit van Gevi Gorssel BV. Van deze 132 paarden zijn er 107 opgenomen in de taxatierapporten van [taxateur 2] en [taxateur 1] . In 2012 en 2013 hebben de taxateurs [taxateur 2] en [taxateur 1] in diverse taxatierapporten de waarde van deze 107 paarden van de Stal bepaald op een totale waarde van € 4.783.700,-- per 1 december
  18. Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van Gevi Gorssel BV met een totale boekwaarde van € 12.654.342,
  19. Van de in de boekhouding van Gevi Gorssel BV opgenomen 125 paarden kwamen 26 paarden niet voor in de taxatierapporten. Deze 26 paarden stonden op de grootboekrekeningen met een totale waarde van € 204.748,
  20. Acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van Gevi Gorssel BV. Deze acht paarden stonden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,--. In totaal kwamen 99 paarden zowel in de boekhouding als in de taxatierapporten voor. Volgens de boekhouding van Gevi Gorssel BV bedroeg de boekwaarde per 31 december 2011 van deze 99 paarden in totaal € 12.449.594,
  21. De waarde volgens de taxatierapporten van [taxateur 2] en [taxateur 1] bedroeg per 1 december 2011 € 4.740.450,--. Het verschil tussen beide bedraagt € 7.709.144,--. De verkochte paarden In de periode van 1 december 2011 (de peildatum van de taxaties) tot 9 oktober 2013 zijn in totaal 56 paarden verkocht. 46 van deze paarden waren vermeld in de taxatierapporten voor een totaal getaxeerde waarde van € 820.200,--. De totale verkoopsom (excl. BTW) voor deze 46 paarden, volgens aangetroffen verkoopfacturen, kwam uit op € 5.868.397,
  22. Tien van deze paarden stonden niet vermeld in de taxatierapporten. De totale verkoopprijs van deze tien paarden bedroeg, volgens aangetroffen verkoopfacturen, in totaal € 125.101,
  23. In de periode van 1 december 2011 tot 9 oktober 2013 zijn derhalve in totaal 56 paarden verkocht voor een bedrag van minimaal € 5.993.499,75, terwijl de getaxeerde waarde uitkwam op € 820.200,--. Het verschil bedraagt € 5.173.299,
  24. Op 7 april 2014 en 12 mei 2014 zijn in totaal 36 paarden die in de taxatierapporten zijn vermeld geveild via een veilingsite. De taxatiewaarde per 1 december 2011 van de geveilde paarden bedroeg in totaal € 3.630.250,--. De veilingopbrengst bedroeg € 10.975.251,--. Het verschil bedraagt € 7.345.001,--. In totaal zijn 91 paarden (het paard Singapore niet meegerekend) verkocht voor een bedrag van € 16.968.750,--. Het oordeel van de rechtbank Met betrekking tot de samenhang van de rechtshandelingen Allereerst dient de vraag zich aan of de op 1 december 2011 verrichte rechtshandelingen in het licht van artikel 341 Sr in samenhang moeten worden bezien of dat zij afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. De rechtbank stelt voorop dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de ten laste gelegde gedragingen in hun onderlinge verband en samenhang worden beoordeeld, hetgeen met zich kan brengen dat voor een samenhangend geheel van gedragingen geldt dat deze zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, terwijl dat niet voor iedere afzonderlijke gedraging geldt. De ten laste gelegde rechtshandelingen vertonen een sterke samenhang en zijn alle verricht met hetzelfde doel, te weten het in het zicht van het faillissement van de EC-groep bewerkstelligen van de overgang van de Stal uit de EC-groep naar een vennootschap van [verdachte B] , via een constructie van rechtshandelingen die leidt tot een overdracht met gesloten beurzen. De rechtbank komt op grond van voorgaande overwegingen tot de conclusie dat het geheel van op 1 december 2011 verrichte rechtshandelingen, te weten: de agiostorting, de aandelentransactie, de geldlening en de sponsorovereenkomst, dusdanig onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dat zij in hun onderlinge verband en samenhang beoordeeld moeten worden. Met betrekking tot de verpanding aan de Rabobank De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat het omzetten van een – aan de Rabobank verpande – vordering van EC Holding BV op EC Promotie BV ad € 38.250.000,-- in een agiostorting, waarna de voor de aandelen van EC Promotie BV te ontvangen koopsom direct in een lening wordt omgezet, op het moment van deze rechtshandelingen een onttrekking vormt, waardoor de Rabobank wordt benadeeld. De verpande vordering is door het samenstel van rechtshandelingen immers buiten het bereik en beheer van de curator in het faillissement van EC Holding BV gebracht, terwijl deze vordering rechtens onder het (al dan niet voorwaardelijke) bereik en beheer van de curator in dat faillissement behoorde te komen. De rechtbank voegt hier nog de volgende overwegingen aan toe. Met betrekking tot de waarderingsgrondslag van de Stal: going concern of intrinsieke waarde van de aandelen De rechtbank zal vervolgens ingaan op de vraag of sprake is van een reële verkoopprijs van de Stal, de waarde van het geheel in aanmerking nemend. De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening over de waarderingsgrondslag van de Stal. Volgens de officier van justitie dienen de aandelen gewaardeerd te worden op intrinsieke waarde, terwijl de verdediging zich op het standpunt stelt dat waardering op goede gronden going concern is geschied. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De Stal maakte als branchevreemd element tot 1 december 2011 deel uit van de EC-groep. In deze periode heeft de Stal een schuld opgebouwd bij EC Holding BV voor het zeer aanzienlijke bedrag van € 38.250.000,--. De Stal leed structureel miljoenen verlies per jaar. Niet is gebleken dat ten tijde van de overdracht een gedegen, of ten minste onderbouwd, plan bestond waarmee de Stal zou kunnen worden omgevormd tot een winstgevende onderneming. In dat licht bezien kan de rechtbank slechts constateren dat de Stal niet een serieus te nemen onderneming vormde, maar slechts diende als rechtspersoonlijk vehikel waarin een grootschalige liefhebberij van de [familie] was ondergebracht en waarbij het zakelijk belang ruimschoots ondergeschikt was aan de hobby. Voor een badwill verrekening is in zo’n constructie geen plaats. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke grondslag voor een waardering van de aandelen going concern. Met de officier van justitie komt de rechtbank tot de conclusie dat de Stal op de intrinsieke waarde van de aandelen dient te worden gewaardeerd bij de beantwoording van de vraag of een reële prijs betaald is voor de Stal en in het verlengde daarvan, of sprake is van benadeling van de schuldeisers van de EC-groep. Met betrekking tot de opstallen en toebehoren [verdachte A] en [verdachte B] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij ten tijde van de overdracht zijn uitgegaan van een waarde van € 2.200.000,-- voor de (on)roerende goederen. Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd. Makelaar [makelaar] taxeerde de opstallen met toebehoren in september 2012 op een gezamenlijke waarde van € 3.397.600,-- (per peildatum 1 december 2011). Tegen deze waarde zijn noch door de officier van justitie, noch door de verdediging fundamentele bezwaren naar voren gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de taxatie en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, zodat de rechtbank zal uitgaan van de waarde van € 3.397.600,-- (zijnde € 3.095.000 voor de onroerende zaken en € 302.600,-- voor de roerende zaken). Dat het complex, zoals de verdediging stelt, enige jaren na de peildatum is verkocht voor € 1.950.000,-speelt bij de bepaling van deze waarde geen rol, nu deze verkoop enige jaren na de peildatum heeft plaatsgevonden en er bovendien sprake was van een gedwongen verkoop uit faillissement. Met betrekking tot de paarden Bij de overdracht van de Stal zouden [verdachten A en B] op basis van eigen taxaties zijn uitgegaan van een waarde van de paarden van € 4.500.000,--. Het gestelde bedrag is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Het vaststellen van de waarde van de paarden ten tijde van de overdracht van de Stal wordt bemoeilijkt door het feit dat er onduidelijkheid bestaat over het aantal paarden dat bij de diverse waardebepalingen aan de orde is geweest. Zo waren op 1 december 2011 132 paarden in bezit van Gevi Gorssel BV. Van deze 132 paarden zijn er 107 opgenomen in de taxatierapporten van [taxateur 2] en [taxateur 1] . Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van Gevi Gorssel BV. Acht paarden die in de taxatierapporten stonden vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van Gevi Gorssel BV. In totaal kwamen 99 paarden zowel in de boekhouding als in de taxatierapporten voor. Deze paarden zijn in de loop van 2012 en 2013 getaxeerd op een bedrag van € 4.740.450,--. De boekwaarde van deze paarden bedroeg eind 2011 € 12.449.594,--. Voorts zijn uiteindelijk in totaal – door de Stal en bij veilingen door de curatoren – 91 paarden verkocht voor € 16.968.750,--. Ook als daarbij de opbrengst van het paard Eurocommerce Londen buiten beschouwing wordt gelaten – dat in 2014 voor € 8.600.000,-- is geveild, nadat het in 2012, dus na de peildatum, bij de Olympische Spelen in Londen twee zilveren medailles had behaald – valt op dat de uiteindelijke opbrengsten van de paarden fors boven de taxatiewaarde liggen. De verdediging heeft daaromtrent naar voren gebracht dat de waardevermeerderingen verklaarbaar zijn uit ontwikkelingen na de peildatum 1 december 2011 en dat informatie van na de peildatum in principe niet relevant is voor de beoordeling van de waarde op die peiling. De rechtbank acht het grote verschil tussen opbrengst en taxatiewaarde evenwel niet louter verklaarbaar uit waardevermeerdering na peildatum. Allereerst valt op dat enkel sprake lijkt te zijn van waardevermeerdering tussen het moment van taxeren en verkoop en niet of nauwelijks van paarden die (fors) in waarde zijn gedaald, hetgeen op grond van de aantallen paarden toch ook verwacht mocht worden. De rechtbank heeft geen twijfel aan de integriteit van de taxateurs. Afgaande op hun werkwijze hebben zij hun werk behoorlijk verricht. Dat neemt echter niet weg dat de taxaties (deels) op basis van onvolledige en/of onjuiste informatie, verstrekt door of namens de opdrachtgever, tot stand zijn gekomen. De rechtbank noemt hierbij de volgende voorbeelden. - De taxateurs waren niet op de hoogte van de dekkingsopbrengsten, hetgeen er bijvoorbeeld toe heeft geleid dat het paard Berlin getaxeerd is op € 75.000,-- terwijl alleen al de dekkingsopbrengsten van dat paard in 2011 € 276.650,-- bedroegen. - Het paard Orlanda is getaxeerd op € 35.000,--, terwijl het in 2011 van BWG Stables is gekocht voor € 230.000,-- en op 23 januari 2012 is terug verkocht aan BWG Stables voor € 110.000,--. BWG Stables verkocht het paard reeds op 13 januari 2012 aan Oaks Sport Horses voor € 190.000,--. In het taxatierapport is over Orlanda vermeld dat het paard is verkocht als amateurpaard. - Met betrekking tot verschillende paarden zijn handgeschreven notities aangetroffen die duiden op fysieke beperkingen van de betrokken paarden. Deze paarden zijn nadien echter verkocht voor een waarde die vele malen hoger ligt dan de, blijkbaar op deze informatie mede gebaseerde, taxatiewaarde, terwijl uit de prestaties nadien ook niet blijkt van beperkingen. - Het paard Vigaro is getaxeerd op € 150.000,-- terwijl hij op 3 augustus 2012, dus vóór de taxatie is verkocht voor € 1.450.000,--. - Het paard California, getaxeerd op € 100.000,-- was eveneens vóór taxatie reeds verkocht (op 1 april 2012) voor een bedrag van € 2.200.000,--. Reeds op grond van deze voorbeelden constateert de rechtbank dat aan de taxateurs onvoldoende en deels onjuiste informatie is verstrekt om de paarden op waarde te kunnen schatten. Anders dan de verdediging acht de rechtbank daarbij ook informatie van na de peildatum van belang, zeker in die gevallen waarin de paarden in een tijdsbestek van enkele maanden na de peildatum voor aanzienlijk hogere bedragen zijn verkocht. De taxateurs hadden juist en volledig moeten worden geïnformeerd over alle relevante informatie over de te taxeren paarden. Dat dit in casu niet gebeurd is, heeft geleid tot een waardering die ten onrechte veel te laag was. Bij deze conclusie betrekt de rechtbank niet alleen de gerealiseerde veel hogere verkoopprijzen, maar ook de door de Stal zelf in 2011 gehanteerde boekwaarde van € 12.449.594,--. Opgemerkt zij overigens dat de waarde van de 33 overige paarden die op 1 december 2011 in het bezit van Gevi Gorssel BV waren, in bovenstaande niet eens is betrokken. Gelet op het voorafgaande acht de rechtbank de door [verdachten A en B] gerekende waarde van de paarden van € 4.500.000,-- ruimschoots onder de reële waarde. Een conservatieve schatting van de waarde van de paarden op 1 december 2011 zou veeleer in de richting van voornoemde boekwaarde leiden dan van het uiteindelijke taxatiebedrag. De slotsom Gelet op hetgeen hierboven overwogen is met betrekking tot de waarde van de opstallen en de geschatte waarde van de paarden kan de rechtbank slechts concluderen dat het samenstel van rechtshandelingen van 1 december 2011 heeft geleid tot een vervreemding van de Stal klaarblijkelijk beneden de waarde, als bedoeld in art. 341 sub a, onder 2º Sr. Met betrekking tot het feitelijk leiding/opdracht geven Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. In casu gaat het om rechtshandelingen verricht – voor zover hier relevant – door of met EC Holding BV en EC Promotie BV. De vraag dient zich aan of de verrichte rechtshandelingen kunnen worden toegerekend aan deze rechtspersonen. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend nu het gaat om gedragingen die hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. De gedragingen passen binnen de bedrijfsvoering van genoemde rechtspersonen en zijn – in elk geval EC Promotie BV – dienstig geweest in het uitgevoerde bedrijf. Daarnaast ging het om rechtshandelingen verricht tussen moeder, EC Holding BV, en dochter, EC Promotie BV. Vervolgens is het de vraag of sprake is van feitelijk leiding geven door [verdachte A] aan het ten laste gelegde. Ook op deze vraag is het antwoord bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet ter discussie staat dat bij beide rechtspersonen ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen het beleid volledig werd bepaald door [verdachte A] . In zijn eigen woorden: “Eurocommerce was eigenlijk een eenmanszaak”. Bovendien is [verdachte A] degene die zowel namens EC Holding BV als namens EC Promotie BV de ten laste gelegde rechtshandelingen heeft verricht en de stukken heeft ondertekend. Onder die omstandigheden kan slechts geconcludeerd worden dat sprake was van feitelijk leiding geven door [verdachte A] aan het ten laste gelegde. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 1 (A) aan [verdachte A] ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5.3.3 Feit 1 (B) Overdracht van Hotel Restaurant De Roskam Onder feit 1 (B) van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij, zakelijk weergegeven: - primair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Holding BV en EC Recreatie BV ter zake van het plegen van bedrieglijke bankbreuk door die BV’s, door: het opstellen en ondertekenen van een akte van cessie tussen EC Holding BV, EC Recreatie BV en De Roskam BV, gedateerd 5 december 2011, waarin staat vermeld dat EC Holding BV een vordering heeft op De Roskam BV van € 815.625,-- en waarin wordt overeengekomen dat EC Holding BV deze vordering voor een bedrag van € 815.625,-- verkoopt en levert aan EC Recreatie BV onder afstand van betaling door EC Recreatie BV; het afsluiten van een overeenkomst tussen EC Recreatie BV en De Roskam BV, gedateerd 5 december 2011, waarin staat vermeld dat EC Recreatie BV een vordering heeft op De Roskam BV van € 4.909.800,-- (waarin begrepen de vordering van € 815.625,--) en wordt overeengekomen dat EC Recreatie BV een storting zal doen op de door haar gehouden aandelen in De Roskam BV ter grootte van € 4.909.800,-- en dat EC Recreatie BV die € 4.909.800,-- zal voldoen door verrekening van de vordering van EC Recreatie BV op De Roskam BV voor datzelfde bedrag; het op 6 december 2011 verkopen en leveren door EC Recreatie BV van alle geplaatste aandelen van De Roskam BV aan [verdachte C] Beheer BV voor € 1,-- hetgeen (ver) beneden de waarde in het economisch verkeer is; het op 6 december 2011 laten doorhalen van de hypothecaire inschrijving gevestigd ten behoeve van EC Holding BV en/of EC Recreatie BV en rustende op het onroerend goed van Hotel De Roskam, waarna dit hypothecaire zekerheidsrecht was komen te vervallen en waardoor een vordering van € 4.909.800,-- van EC Holding BV op EC Recreatie BV lijkt te zijn vereffend, welke feiten ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van EC Holding BV hebben verlaten; - subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Holding BV en EC Recreatie BV genoemde bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. 5.3.3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van feit 1 (B) en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Kort na de bekentenis van [verdachte A] jegens de FGH bank/Rabobank werd een samenstel van overeenkomsten gesloten, waarbij de vordering van de EC-groep op De Roskam BV door middel van een agiostorting werd kwijtgescholden. Een negatief eigen vermogen van De Roskam BV van rond de € 1.000.000,--, sloeg daardoor om naar een batig eigen vermogen van rond de € 3.000.000,--. De aan de Rabobank verpande vordering is hierdoor teniet gegaan, inclusief de accessoiria (recht van tweede hypotheek). De aandelen zijn vervolgens voor € 1,-- overgedragen aan [verdachte C] Beheer BV, een houdstermaatschappij van dochter [verdachte C] . [verdachte A] kende de bankzekerheden met betrekking tot de vordering van EC Holding BV op De Roskam BV. De materiële kwijtschelding van de vordering op De Roskam BV was een handeling waarmee de FGH bank/Rabobank als crediteur werd benadeeld en deze had hij, [verdachte A] , dus niet mogen verrichten. Curatoren waren door deze transactie niet in de gelegenheid het vermogensbestanddeel aandelen in De Roskam BV in de boedel van het latere gefailleerde EC Holding BV uit te ponden. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft kort en zakelijk weergeven het volgende aangevoerd. Zij weerspreekt dat de overdracht van De Roskam BV bedrieglijke bankbreuk is. De overdracht van De Roskam BV werd al langer voorbereid en [verdachte C] werd al langer voorbereid op het directeurschap. Dit alles blijkt ook uit de uitgebreide brievenwisseling tussen [verdachte A] en [verdachte C] . Voor de suggestie in het dossier dat deze brievenwisseling zou zijn geantedateerd is geen bewijs voorhanden. De onderscheidenlijke rechtshandelingen die hebben plaatsgevonden in verband met de overdracht van De Roskam BV voldoen op zichzelf beschouwd niet steeds aan de criteria van bedrieglijke bankbreuk. Ten aanzien van de cessie van de vordering van EC Holding BV op de Roskam BV aan EC Recreatie BV, stelt de verdediging dat deze op zichzelf beschouwd geen vorm van benadeling van de schuldeisers van EC oplevert, nu daar een leningovereenkomst tegenover stond. Dit onderdeel kan daarom niet gekwalificeerd worden als bedrieglijke bankbreuk. De verdediging is van mening dat de op 5 december 2011 door EC Recreatie BV verrichte agiostorting ad € 4.909.800,-- niet te duiden is als een onttrekking van enig goed aan de boedel. Daarnaast merkt de verdediging op dat de vordering van EC Recreatie BV op De Roskam BV in werkelijkheid niet meer waard was dan de waarde van het bedrijf. Er kon immers niet meer worden gevorderd dan de waarde die De Roskam BV als geheel vertegenwoordigde. Die waarde kan onmogelijk worden gesteld op de waarde van de agiostorting. De verdediging weerspreekt ook dat de aandelen in De Roskam BV beneden de waarde zijn overgedragen aan [verdachte C] Beheer BV. Bij de bepaling van de hoogte van de koopsom is volgens [verdachte A] uitgegaan van de hoogte van het eigen vermogen van de vennootschap per 5 december 2011, aldus na de agiostorting, waarbij rekening is gehouden met het negatieve resultaat van de vennootschap in het lopende boekjaar en met de bij de vennootschap aanwezige badwill. [verdachte A] en [verdachte C] hebben advies ingewonnen bij de waardebepaling van De Roskam. Fiscalist [accountant] heeft aangegeven dat De Roskam eigenlijk niets waard is, nu deze going concern werd overgedragen. Er is tot slot volgens de verdediging niet gebleken dat sprake was van een substantiële overwaarde van het pand. De totale opbrengst na verkoop van het onroerend goed was onvoldoende om de eerste hypotheekouder uit te voldoen. Het (doorgehaalde tweede) hypotheekrecht was de facto illusoir voor hypotheekhouders EC Holding BV en EC Recreatie BV. 5.3.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De feitelijke gang van zaken EC Holding BV is enig aandeelhouder en bestuurder van EC Recreatie BV. EC Recreatie BV hield tot 6 december 2011 alle aandelen in De Roskam BV. De Roskam BV exploiteert sinds 2003 Hotel Restaurant De Roskam, gelegen aan de Hoofdstraat 26 te Gorssel. Op 5 december 2011 is [verdachte C] Beheer BV opgericht. Uit het Uittreksel van de KvK blijkt dat [verdachte C] met ingang van 5 december 2011 enig aandeelhouder en bestuurder is van [verdachte C] Beheer BV. Bij akte van cessie van 5 december 2011 heeft EC Holding BV haar vordering op De Roskam BV uit hoofde van een geldlening ad € 815.625,-- aan EC Recreatie BV verkocht en geleverd tegen een koopsom van € 815.625,--. EC Holding BV heeft afstand gedaan van haar vordering tot betaling van de koopsom. EC Recreatie BV heeft jegens EC Holding BV verklaard genoemd bedrag aan EC Holding BV schuldig te zijn uit hoofde van een geldlening. De akte van cessie is namens EC Holding BV, EC Recreatie BV en De Roskam BV ondertekend door [verdachte A] . Voormelde vordering van EC Holding BV op De Roskam BV was verpand aan de Rabobank. Op 5 december 2011 hebben EC Recreatie BV en De Roskam BV, beide vertegenwoordigd door [verdachte A] , een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt onder meer het navolgende overeengekomen: “Overwegende: Eurocommerce recreatie heeft per heden een vordering op De Roskam ad € 4.909.800,-- uit hoofde van een rekening-courantverhouding en ter leen verstrekte bedragen, deze vordering: hierna te noemen: de Vordering; Eurocommerce recreatie heeft het voornemen het eigen vermogen van De Roskam te versterken door middel van een nadere storting ter grootte van € 4.909.800,-- op de door Eurocommerce Recreatie gehouden aandelen in het kapitaal van De Roskam, Komen overeen als volgt: Eurocommerce Recreatie zal een nadere storting doen van een bedrag ad € 4.909.800,-- op de door haar gehouden aandelen in het kapitaal van De Roskam. De nadere storting door Eurocommerce Recreatie zal in geld geschieden. De vordering tot nadere storting van een bedrag van € 4.909.800,-- wordt hierbij verrekend met het bedrag van de Vordering. Eurocommerce Recreatie verklaart hierbij niets meer van De Roskam te vorderen te hebben uit hoofde van de Vordering en verleent hierbij kwijting aan De Roskam voor betaling van de Vordering. De Roskam verklaart hierbij niets meer van Eurocommerce Recreatie te vorderen te hebben uit hoofde van de vordering tot nadere storting van een bedrag van € 4.909.800,-- en verleent hierbij kwijting aan Eurocommerce Recreatie voor betaling van de vordering tot nadere storting van een bedrag ad € 4.909.800,--.(….)” Door deze nadere agiostorting is per 31 december 2010 het eigen vermogen van De Roskam BV veranderd van € 1.005.765,-- negatief in een eigen vermogen van € 3.904.035,-- positief. De aan de Rabobank verpande vordering is hiermee teniet gegaan. De ING Bank had een eerste hypotheekrecht op het hotel en een eerste pandrecht op het inventaris van het hotel. EC Recreatie BV en EC Holding BV hebben op 6 mei 2011 ter zekerheid van hun op dat moment bestaande en toekomstige vorderingen op De Roskam BV, een recht van hypotheek gevestigd op het bedrijfspand en de ondergrond van De Roskam BV aan de Hoofdstraat 26 te Gorssel en het appartementsrecht op de [adres 1] te Gorssel tot een bedrag van maximaal € 6.300.000,-- (inclusief renten en kosten). Dit betrof een tweede hypotheekrecht en een tweede pandrecht. Bij akte van 6 december 2011 hebben EC Holding BV en EC Recreatie BV het aan hun vorderingen op De Roskam BV verbonden hypotheekrecht op het bedrijfspand van De Roskam BV opgezegd. De hypotheek is diezelfde dag doorgehaald in de openbare registers. Bij notariële akte van 6 december 2011 heeft Eurocommerce Recreatie BV 65.830 aandelen op naam in het kapitaal van De Roskam BV met een waarde van € 20,-- per stuk, verkocht en geleverd aan [verdachte C] Beheer BV. Onder het kopje IV. Koopsom is onder meer het volgende opgenomen: “De koopsom voor de Aandelen bedraagt een euro (€ 1,00). Bij de bepaling van de hoogte van de koopsom is uitgegaan van de hoogte van het eigen vermogen van de Vennootschap per vijf december tweeduizendenelf, derhalve na de op vijf december tweeduizend elf door de verkoper gedane agiostorting (waarbij het bedrag van de agiostorting is verrekend met de vordering welke Verkoper per vijf december tweeduizend elf nog had op de vennootschap uit hoofde van een rekening-courant verhouding en ter leen verstrekte bedragen) en waarbij rekening is gehouden met het negatieve resultaat van de Vennootschap in het lopende boekjaar en de bij de Vennootschap aanwezige badwill.(….)” Het oordeel van de rechtbank Zoals hiervoor in hoofdstuk 5.3.1.2 overwogen, is de rechtbank van oordeel dat vanaf 15 november 2011 een aanmerkelijke kans bestond op het faillissement van de EC-groep. Daarmee komt de rechtbank toe aan een beantwoording van de vraag of op het moment van de ten laste gelegde rechtshandelingen er door die rechtshandelingen een aanmerkelijke kans is ontstaan op verkorting van de rechten van de schuldeisers van EC Recreatie BV. Daarbij is niet van belang of die verkorting ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal daartoe de situatie zoals die was voordat de overdracht plaatsvond, vergelijken met de situatie zoals die was geworden na de overdracht, vanuit de optiek van de schuldeisers van EC Holding BV. De rechtbank zal daarbij de ten laste gelegde rechtshandelingen in hun onderlinge verband en samenhang beoordelen, gelijk hiervoor in hoofdstuk 5.3.2.1 is gebeurd met betrekking tot de overdracht van de Stal. De situatie voordat de rechtshandelingen verband houdende met de overdracht plaatsvonden op 5 en 6 december 2011 was als volgt. - EC Holding BV was enig aandeelhouder van EC Recreatie BV. - EC Recreatie BV was eigenaar van De Roskam BV. - EC Holding BV had per 5 december 2011 een vordering op De Roskam BV van in totaal € 815.625,-. - Het eigen vermogen van De Roskam BV was aanzienlijk negatief (voornamelijk opgebouwd uit schulden aan EC Recreatie BV). - De Roskam BV was al jaren verlieslatend, in de orde van grootte van enkele tonnen per jaar. - EC Recreatie BV en EC Holding BV hadden een (tweede) hypotheekrecht gevestigd op het bedrijfspand en de ondergrond van De Roskam BV aan de Hoofdstraat 26 te Gorssel en het appartementsrecht op de [adres 1] te Gorssel tot maximaal € 6.300.000,-- (inclusief renten en kosten). De gevolgen van de rechtshandelingen op 5 en 6 december 2011 waren als volgt. - EC Holding BV had geen vordering meer op De Roskam BV. - EC Recreatie BV had door de omzetting van haar vordering op De Roskam BV in een agiostoring evenmin nog een vordering op De Roskam BV. - Het eigen vermogen van De Roskam BV bedroeg € 3.904.035,-- positief. - EC Recreatie BV was niet langer eigenaar van de aandelen in De Roskam BV. De aandelen in De Roskam BV waren eigendom geworden van [verdachte C] Beheer BV. - EC Recreatie BV en EC Holding BV beschikten niet langer over hypothecaire zekerheid op het bedrijfspand en de ondergrond van De Roskam BV en het appartementsrecht op de [adres 1] te Gorssel. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg van de in de tenlastelegging vermelde rechtshandelingen, beoordeeld naar het moment van de respectievelijke handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers in het faillissement van EC Recreatie BV verslechterd zijn. Zonder de omzetting van de vordering van EC Recreatie BV op De Roskam BV in de agiostorting en de aandelentransactie zou EC Recreatie BV immers nog een vordering op De Roskam BV hebben gehad van € 4.909.800,--, met daarnaast een tweede recht op hypotheek op het bedrijfspand en de aandelen in De Roskam BV. De rechtbank voegt hier ten overvloede nog aan toe dat het verweer van de verdediging dat er van daadwerkelijke benadeling geen sprake is geweest (omdat het bedrijfspand van De Roskam BV geen substantiële overwaarde bevatte) wordt weerlegd door het feit dat de bedrijfswoning die bij het bedrijfspand hoorde niet onder enig hypotheekrecht viel en bij verkoop € 120.000,-- heeft opgeleverd. Wat er ook zij van de gestelde antedatering van de briefwisseling tussen [verdachte A] en zijn dochter [verdachte C] en wat er ook zij van de vraag of deze overdracht al veel langer in de planning lag, feit is dat de overdracht en de rechtshandelingen die daaraan ten grondslag lagen geschiedden op het moment dat het faillissement voor [verdachte A] voorzienbaar was, zodat de overdracht van De Roskam BV binnen het bereik van art. 341 sub a, onder 1º Sr valt en het strafbare feit van bedrieglijke bankbreuk oplevert. Met betrekking tot het feitelijk leiding/opdracht geven De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen redelijkerwijs aan EC Holding BV en EC Recreatie BV kunnen worden toegerekend. [verdachte A] was sinds 1974 directeur van Eurocommerce. Hij ‘was’ Eurocommerce, zo verklaart hij ook zelf. [verdachte A] is in de ten laste gelegde periode de persoon geweest die binnen de EC-groep aan de touwtjes trok en was in alle opzichten diegene die het voor het zeggen had. Het is [verdachte A] zelf geweest die de gedragingen heeft verricht. [verdachte A] heeft de BV’s bij het aangaan van de overeenkomsten vertegenwoordigd en hij tekende zelf namens de BV’s. Vervolgens wordt aan [verdachte A] verweten dat hij aan deze verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de rol en de positie van [verdachte A] binnen de EC-groep wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte A] feitelijk leiding heeft gegeven aan de hierboven beschreven verboden gedragingen van de rechtspersonen EC Holding BV en EC Recreatie BV. Conclusie De rechtbank acht het aan [verdachte A] onder feit 1 (B) primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5.3.4 Feit 1 (C) Lening van EC Holding BV aan [bedrijf verdachte D] BV van € 2.050.000,-- Onder feit 1 (C) van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan EC Holding BV en EC Recreatie BV terzake van bedrieglijke bankbreuk door deze BV’s, door het opmaken van een geldleningsovereenkomst tussen EC Holding BV en [bedrijf verdachte D] BV, gedateerd 4 januari 2011, voor een bedrag van € 2.050.000,--, het opmaken van een pandrechtovereenkomst, gedateerd 3 januari 2011, en het op 4 januari 2011 door EC Holding BV aan [bedrijf verdachte D] BV overmaken van € 2.050.000,--; - subsidiair: tezamen en in vereniging met EC Holding BV en EC Recreatie BV genoemde bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. 5.3.4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 1 (C) primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van hetgeen onder feit 1 (C) primair en subsidiair aan [verdachte A] ten laste is gelegd. 5.3.4.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft in hoofdstuk 5.3.1.2 beslist dat niet eerder dan vanaf 15 november 2011 een aanmerkelijke kans bestond op het faillissement van de EC-groep. Vanaf die datum kunnen handelingen ten nadele van de boedel van EC Holding BV en EC Recreatie BV mogelijk als bedrieglijke bankbreuk aangemerkt worden, omdat deze zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. De in feit 1 onder (C) genoemde (rechts)handelingen hebben alle plaatsgevonden op 3 respectievelijk 4 januari 2011, dus ruim vóór 15 november
  25. Dit betekent dat het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ niet bewezen kan worden. Conclusie De rechtbank spreekt [verdachte A] vrij van het onder feit 1 (C) primair ten laste gelegde. Aan beoordeling van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde komt de rechtbank niet toe omdat voor het onder feit 1 A en B primair ten laste gelegde een veroordeling volgt. 5.3.5 Feit 2 overboeking van € 2.500.000,-- door Jachtstaete BV aan de [stichting] Onder feit 2 van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij: - primair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan Jachtstaete BV, de [stichting] en EC Holding BV terzake van bedrieglijke bankbreuk door Jachtstaete BV en EC Holding BV door op 4 november 2011 (onverplicht en/of zonder tegenprestatie) een geldbedrag van € 2.500.000,-- over te boeken van de bankrekening van Jachtstaete BV naar de bankrekening van de [stichting] en vervolgens op 19 december 2011 dat geldbedrag door te storten op een bankrekening van [bedrijf] Notariaat, welke betalingen in de administratie van EC Holding BV zijn verwerkt als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] in privé aan EC Holding BV en niet als een terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete, ten gevolge waarvan dit bedrag het vermogen van Jachtstaete en/of EC Holding BV heeft verlaten; - subsidiair: tezamen en in vereniging met mevr. [verdachte D] , Jachtstaete BV, de [stichting] en EC Holding BV genoemde bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd; - meer subsidiair: tezamen en in vereniging met mevr. [verdachte D] , Jachtstaete BV en de [stichting] genoemd geldbedrag van € 2.500.000,-- heeft witgewassen; - nog meer subsidiair: feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de [stichting] terzake van het witwassen van genoemd geldbedrag van € 2.500.000,--. 5.3.5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is en heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De overboeking van € 2.500.000,-- door Jachtstaete BV aan de [stichting] is ten onrechte niet als een opname in rekening-courant in de boekhouding van Jachtstaete BV opgenomen. Vervolgens is de doorboeking van de € 2.500.000,-- door de [stichting] naar een notariskantoor ten behoeve van een project van EC Holding BV boekhoudkundig verwerkt als een aflossing van de rekening-courant schuld van [verdachte A] aan EC Holding BV. Jachtstaete BV/EC Holding BV zijn daardoor per saldo met € 2.500.000,-- verarmd, omdat de vordering van EC Holding BV op [verdachte A] privé met dat bedrag is afgenomen en dat bedrag niet als terugbetaling van het eerder door Jachtstaete BV aan de [stichting] overgemaakte geldbedrag is aangemerkt. De overboekingen zijn boekhoudkundig niet juist afgewikkeld en evenmin gemeld aan de curatoren. Dit is een onttrekking die aan [verdachte A] toegeschreven kan worden, omdat de boekingen aan beide zijden onder zijn verantwoordelijkheid als directeur/eigenaar en belanghebbende zijn uitgevoerd. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat [verdachte A] van dit feit wordt vrijgesproken en heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat geen sprake is geweest van een voltooid delict in de zin van artikel 341 Sr. De verdediging merkt in de eerste plaats op dat het feit dat de [stichting] de van Jachtstaete BV afkomstige € 2.500.000,-- aan een andere EC-vennootschap, te weten EC Projectontwikkeling BV, heeft terugbetaald niet betekent dat [verdachte A] verrijkt is ten koste van de EC-vennootschappen. Wat betreft de administratieve verwerking heeft de verdediging gesteld dat er weliswaar een intentie lijkt te zijn geweest om de betaling aan het notariskantoor in de rekening-courant verhouding met [verdachte A] te boeken, maar dat niet is gebleken dat die boeking daadwerkelijk zo heeft plaatsgevonden en zo ja, wie de instructie heeft gegeven voor die boeking. Als de boeking al heeft plaatsgevonden, heeft deze een tijdelijke status gehad, waarbij in een later stadium in overleg met de accountant de definitieve wijze van boeken zou worden vastgesteld. Die bespreking heeft als gevolg van het faillissement niet kunnen plaatsvinden, zodat [verdachte A] daarover geen verwijt gemaakt kan worden. 5.3.5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. Ferdinand Stinger Holding BV, de topholding van de EC-groep, bezat 97,5% van de aandelen in Jachtstaete BV. De andere 2,5% van de aandelen waren in handen van [verdachte A] . Jachtstaete BV was een Financiële Holding Beheersmaatschappij. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel was [naam 4] van 3 juli 2001 tot 13 juni 2012 directeur van Jachtstaete BV. Jachtstaete BV is met ingang van 14 augustus 2012 in staat van faillissement verklaard. De [stichting] is op 15 december 2010 opgericht. Deze stichting heeft onder meer ten doel het beheren, bewaren en in stand houden van het vermogen van de [familie] . De bestuurders van de stichting zijn de heer [verdachte A] en zijn echtgenote, mevrouw [verdachte D] . Op 4 november 2011 is een bedrag van € 2.500.000,-- overgeboekt van de bankrekening van Jachtstaete BV naar de bankrekening van de [stichting] . [verdachte A] heeft verklaard dat dit een tijdelijke storting was om beslaglegging te voorkomen. In de notulen van de Algemene Vergadering van de [stichting] van 2 november 2011, waarbij [verdachte A] als secretaris/notulist, [verdachte D] als voorzitter en hun beide kinderen als ‘erfgenaam en later in rechten tredende’ aanwezig waren, is opgenomen: “Besluit
  26. De Stichting stemt ermee in dat € 2,5 miljoen (zegge: tweemiljoenvijfhonderdduizend euro) van Jachtstaete BV (dochter van Eurocommerce c.s.) tijdelijk gestald wordt bij de Stichting. Er zal geen renteverrekening plaatsvinden. Het geld behoort toe aan Eurocommerce c.s. Besluit
  27. Op eerste verzoek van Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s. zal de Stichting de gelden aan Eurocommerce c.s. dan wel een nader door Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s. te bepalen entiteit overmaken of voldoen in de vorm van een betaling dan wel aanbetaling in opdracht van of namens Jachtstaete BV/Eurocommerce c.s.. Besluit
  28. De Stichting zal de gelden niet (tijdelijk) aanwenden voor andere doeleinden en uitsluitend op de gelden passen als een “goed huisvader”. De Stichting heeft kennis genomen van het doel waarom de gelden aan de Stichting zijn toevertrouwd. De gelden die Jachtstaete BV in opdracht van Eurocommerce c.s. aan de Stichting heeft overgemaakt behoren toe aan Eurocommerce c.s.. Besluit
  29. Vóór of uiterlijk op 31 december 2011 zal de Stichting de gelden aan Eurocommerce c.s. terugbetalen. (…)” [verdachte A] heeft verklaard dat hij deze notulen heeft opgemaakt. Op 19 december 2011 is door [stichting] een bedrag van € 2.500.000,-- overgeboekt op de rekening van [bedrijf] Notariaat, in verband met de aankoop van de kantoorpanden Hercules en Meander door EC Projectontwikkeling BV. De curator in het faillissement van Jachtstaete BV heeft aangifte gedaan van onttrekking aan die BV van het bedrag van € 2.500.000,-- door [verdachte A] , op een moment dat hij redelijkerwijs rekening moest houden met het faillissement van Jachtstaete BV. Bij onderzoek in de administratie van EC zou de curator zijn gebleken dat in december 2011 in de rekening-courant verhouding met [verdachte A] een bedrag van € 6.000.000,-- (waar de onttrokken € 2.500.000,-- deel van uitmaakte) credit is geboekt, met als omschrijving ‘ [bedrijf] notarissen’. Het oordeel van de rechtbank De kern van het onder feit 2 aan [verdachte A] ten laste gelegde is dat de doorbetaling van de € 2.500.000,-- door de [stichting] aan [bedrijf] Notariaat boekhoudkundig verwerkt is als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] privé aan EC Holding BV en niet als een terugbetaling van de schuld van de [stichting] aan Jachtstaete BV. [verdachte A] zou daardoor voor dat bedrag van € 2.500.000,-- bevoordeeld zijn. Het hoofd van de administratie van EC, [hoofd administratie Eurocommerce] , heeft schriftelijk verklaard dat hij uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor de boekhouding van onder meer EC Holding BV. Vóór het definitief maken van de jaarrekening werden alle kruisposten of boekingen van tijdelijke aard door hem en de directie besproken en kregen deze een definitieve status, aldus [hoofd administratie Eurocommerce] . Hij stelt niet verantwoordelijk te zijn voor het opstellen van de jaarrekening
  30. Het dossier bevat een handgeschreven aantekening waarop staat geschreven dat de doorbetaling aan [bedrijf] Notariaat als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] aan EC Holding BV is geboekt. [hoofd administratie Eurocommerce] heeft omtrent de handgeschreven aantekening verklaard dat hij niet bij de boeking betrokken is geweest en daar ook geen kennis van had. Hem is ook niet duidelijk wanneer en door wie de boeking zou zijn gedaan. Ook overigens heeft de rechtbank op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet kunnen vaststellen wie de aantekening gemaakt heeft, wanneer de aantekening gemaakt is, waar die aantekening precies is aangetroffen en wat de status van de aantekening is. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet bewezen kan worden verklaard dat de betaling van € 2.500.000,-- aan [bedrijf] Notariaat op 19 december 2011 in de administratie van EC Holding BV verwerkt is als een aflossing op de rekening-courant schuld van [verdachte A] , laat staan dat [verdachte A] aan die boeking feitelijk leiding heeft gegeven of daartoe opdracht heeft gegeven. De bedrieglijke bankbreuk zoals ten laste gelegd onder feit 2 primair en subsidiair is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen. Nu niet bewezen is dat de € 2.500.000,-- afkomstig is uit het misdrijf bedrieglijke bankbreuk, kan het onder feit 2 meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste gelegde witwassen van dat bedrag evenmin bewezen worden verklaard. Conclusie De rechtbank zal [verdachte A] vrijspreken van hetgeen aan hem onder feit 2 primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair ten laste is gelegd. 5.3.6 Feit 3 (a) Verkoop eigen woning aan de [stichting] voor € 1,-- Onder feit 3 (a) van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met mevr. [verdachte D] bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd in zijn privé faillissement door onverplicht en zonder geldige titel op 30 december 2010 het huis aan de [adres 2] te verkopen aan de [stichting] . 5.3.6.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het feit niet kan worden bewezen verklaard. 5.3.6.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De rechtbank is in hoofdstuk 5.3.1.
  31. tot het oordeel gekomen dat [verdachte A] zich vanaf 15 november 2011 bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement van de EC-groep en van hemzelf in privé. In casu gaat het om een rechtshandeling die op 30 december 2010 heeft plaatsgevonden. De datum van onderhavige overeenkomst is bijna een jaar vóór 15 november 2011 gelegen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het faillissement op het moment van verkoop van de woning aan [stichting] nog niet voorzienbaar was en dat de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk niet kan worden bewezen verklaard. Conclusie De rechtbank zal [verdachte A] vrijspreken van het aan het hem onder feit 3 (a) ten laste gelegde. 5.3.7 Feit 3 (b) Overboeking van € 600.000,-- door [verdachte A] aan Gevi International BV Onder feit 3 (b) van parketnummer 08/996128-13 is aan [verdachte A] ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met [verdachte B] bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd in zijn privé faillissement door onverplicht en zonder geldige titel op 23 december 2011 een bedrag van € 600.000,-- te storten op rekening van Gevi International BV, alsof het de verkoopprijs was van een door Gevi International BV aan [verdachte A] verkocht paard (Singapore). 5.3.7.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. De betaling van € 600.000,-- is een onttrekking aan de op dat moment bijna failliete boedel van [verdachte A] die door vader en zoon onjuist van een titel is voorzien door achteraf een koopovereenkomst te construeren, waardoor het leek of deze betrekking had op het paard Singapore. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het onder feit 3 (b) ten laste gelegde niet kan worden bewezen verklaard. Ten tijde van de transactie was het faillissement van [verdachte A] nog niet voorzienbaar. De factuur van Gevi International BV is weliswaar later opgemaakt, maar deze diende ter vervanging van een eerdere factuur van Gevi Gorssel BV. 5.3.7.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De feitelijke gang van zaken De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af. Op 23 december 2011 heeft [verdachte A] vanaf een privé rekening € 600.000,-- overgemaakt aan Gevi International BV. Het paard Singapore is op 31 januari 2012 verongelukt nadat hij was ontwaakt uit narcose ten behoeve van een medische ingreep. Op 14 januari 2013 heeft taxateur [taxateur 2] Singapore postuum, op basis van ingewonnen informatie, per peildatum 1 november 2011 getaxeerd op een waarde van € 100.000,--. Het oordeel van de rechtbank Met betrekking tot de voorzienbaarheid van het privé faillissement van [verdachte A] De rechtshandeling is omstreeks 23 december 2011 gedateerd en daarmee verricht in de periode dat het faillissement van zowel de EC-groep als van [verdachte A] in persoon voor [verdachte A] voorzienbaar was. Aard van de rechtshandeling [verdachte A] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een koopovereenkomst, gesloten in december 2011, op basis waarvan hij op 23 december 2011 € 600.000,-- naar Gevi International BV heeft overgemaakt als (reële) koopsom voor het paard Singapore, dat nadien ongelukkigerwijs is overleden. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel geen sprake van een betaling in het kader van een koopovereenkomst, maar moet de overboeking gekwalificeerd worden als een onttrekking aan de boedel. De stelling dat sprake zou zijn van een koopovereenkomst is alleen gebaseerd op informatie afkomstig van [verdachten A en B] en is in strijd met de inhoud van het dossier. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. - Allereerst blijkt uit de vermelding bij de betaling niet, zoals wel in de lijn der verwachting zou liggen, dat deze betrekking had op Singapore; de omschrijving luidde slechts ‘overboeking’. - Daarnaast is de factuur van Gevi International BV inzake Singapore, met datum 22 december 2011, geantedateerd. Het factuurnummer van deze factuur past niet binnen de facturatiesystematiek van Gevi Gorssel BV: deze factuur is voorzien van een eerder, lager nummer dan een rekening van 20 december
  32. De factuur zat niet in de map ‘Gevi verkopen 2010/2011’, waarin de (overige) facturen van 2011 zich bevonden. In een mail van accountant [accountant] van 23 december 2012 is vermeld dat volgens [verdachte B] voor het paard, waarmee Singapore is bedoeld, nog geen factuur was gemaakt. Op de computer is de factuur aangetroffen als ‘last printed 24-12-2012’ en ‘last saved bij [naam 1] ’. [naam 1] heeft verklaard dat zij de factuur na 2011 heeft gemaakt in opdracht van [verdachte A] . Gelet op het feit dat de factuur is opgeslagen op 24 december 2012 acht zij dat een plausibele

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.