VONNIS RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/181775 / HA ZA 16-38 Vonnis van 14 december 2016 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat), zetelend te ‘s-Gravenhage, eiser, advocaat mr. A.C.M. Remmé te Utrecht, tegen de naamloze vennootschap [A] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. D.K. Baas te Arnhem. Partijen zullen hierna worden aangeduid als De Staat en [A] . 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: -de dagvaarding van 27 november 2015, met producties; -de conclusie van antwoord, met producties; -de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met producties; -de conclusie van dupliek. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 De Staat, meer in het bijzonder Rijkswaterstaat (hierna: RWS), is erfpachter van de percelen grond [adres] [nummers] kadastraal bekend als gemeente Lonneker, sectie [nummers] (hierna: percelen [nummers] ), alsmede van het perceel [adres] [nummer] kadastraal bekend als gemeente Lonneker, [nummer] [nummer] (hierna: perceel [nummer] ). De Staat had deze erfpachtrechten verworven in het kader van het verbredingstraject van de A18/N18. 2.2 De heer [B] (hierna: [B] ) is eigenaar van de percelen [nummers] en [nummer] . 2.3 Voornoemde rechten van erfpacht op de percelen [nummers] heeft De Staat bij akte d.d. 23 april 2010 verkregen van [C] B.V. (hierna: [C] ) aan wie op grond van artikel 12 lid 5 van de akte vestiging erfpacht d.d. 9 november 2006 – tussen [B] en [C] – een recht van eerste koop toekwam op de percelen [nummers] . 2.4 Artikel 12 lid 5 onder a van laatstgenoemde akte van erfpacht luidt, voor zover relevant, als volgt: Ingeval [B] voornemens is de gronden, waarop bij deze akte rechten van erfpacht zijn gevestigd (…) te vervreemden, is [B] verplicht die gronden eerst bij aangetekende brief te koop aan te bieden aan erfpachter. 2.5 Voorafgaand aan de verkoop van alle drie de percelen, [nummers] en [nummer] , is [B] met De Staat in onderhandeling getreden. De onderhandelingen werden namens [B] mede gevoerd door mw. [D] (hierna: [D] ) en namens De Staat trad op de heer [E] (hierna: [E] ). Tijdens de onderhandelingen is een bedrag genoemd ad € 170.000,-- voor aankoop van de eigendom van alle drie de percelen ( [nummers] en [nummer] ). 2.6 Bij brief van 8 mei 2013 heeft notaris [F] (hierna: de notaris), destijds (indirect) aandeelhouder van, en werkzaam bij [A] , De Staat (RWS), voor zover relevant, als volgt geïnformeerd: Betreft: afstand recht van eerste koop. Aan De Staat (Infrastructuur en Milieu) is bij akte op 23 april 2010 (…) geleverd: het recht van erfpacht en opstal met betrekking tot een perceel grond aan de [adres] [nummers] te Enschede, kadastraal bekend als gemeente Lonneker, [nummers] (…) waarvan de bloot-eigendom berust bij (…) [B] . In voormelde akte zijn van toepassing verklaard de erfpachtvoorwaarden vastgesteld bij akte op 9 november 2006 (…). In die akte is onder artikel 12.5 een recht van eerste koop ten behoeve van de erfpachter opgenomen voor het geval de heer [B] voornemens is de gronden, waarop het recht van erfpacht is gevestigd, geheel of gedeeltelijk te vervreemden. Een zaakwaarnemer van de heer [B] heeft met de heer ing [E] , zonder resultaat, onderhandeld om te komen tot een koopovereenkomst, waaruit geconcludeerd kan worden dat De Staat geen gebruik wenst [te] maken van haar recht tot eerste koop. De heer [B] is voornemens de gronden, waarop het recht van erfpacht is gevestigd, te verkopen en heeft in het kader daarvan een bod van € 170.000,-- kosten koper ontvangen. Ervan uitgaande dat door de levering op 23 april 2010 het recht van eerste koop is overgegaan op De Staat verzoek ik u mij te berichten: - hetzij dat de Staat geen gebruik wenst te maken van het eventueel aan haar toekomende recht van eerste koop; - hetzij dat de Staat niet voornemens is de gronden, waarop het recht van erfpacht is gevestigd, van de heer [B] te kopen voor een prijs van € 170.000,--, kosten koper. 2.7 RWS heeft bij brief van 3 juli 2003 aangegeven “niet voornemens (…) [te zijn] de blote eigendom te kopen voor de prijs van € 170.000,--”. 2.8 Uit de akte van levering d.d. 19 juli 2013 tussen [B] en de uiteindelijke kopers, blijkt dat voor € 170.000,-- de percelen [nummers] en [nummer] zijn verkocht en geleverd. In die akte is onder artikel C opgenomen dat De Staat afstand heeft gedaan van haar recht van eerste koop. 3De vordering De Staat vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [A] veroordeelt tot betaling aan De Staat van een bedrag van € 119.050,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 113.379,65 vanaf 1 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, en met verklaring dat die kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis. 4Het standpunt van De Staat 4.1 De Staat legt aan zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het navolgende ten grondslag. 4.2 Het recht van eerste koop ten aanzien van percelen [nummers] is tezamen met het recht van erfpacht op 23 april 2010 overgedragen door [C] aan De Staat. Het voorkeursrecht hield immers geen verband met persoonlijke eigenschappen van degene aan wie het recht was toegekend, noch was de overdraagbaarheid ervan door een beding uitgesloten. 4.3 Omdat [E] niet bevoegd is om namens De Staat te beslissen omtrent de aankoop van de eigendom van de percelen, heeft hij altijd kenbaar gemaakt dat [B] een definitief aanbod en een verzoek of De Staat gebruik zou willen maken van het recht van eerste koop, schriftelijk zou moeten doen. Daarop zou vervolgens ook schriftelijk gereageerd worden door degene die daartoe het mandaat zou hebben. 4.4 De Staat ging er op grond van de tekst van de brief van de notaris d.d. 8 mei 2013 vanuit dat de heer [B] voornemens was om (alleen) de percelen [nummers] te verkopen voor € 170.000,--. De notaris heeft omtrent de door de heer [B] voorgenomen verkoop aldus onjuiste informatie verstrekt, door aan te geven dat de heer [B] voornemens was twee percelen te verkopen voor € 170.000,--. 4.5 RWS is gevraagd om op grond van deze informatie een beslissing te nemen omtrent zijn recht van eerste koop. 4.6 De heer [G] , werkzaam bij het Rijksvastgoed Ontwikkelingsbedrijf, heeft de notaris voor het passeren van de akte nog gevraagd of in de verkoop ook perceel [nummer] was betrokken. De notaris antwoordde daarop ‘nee’ en lichtte toe dat het aanbod was zoals het was omschreven. Gewezen zij ook op de interne e-mail die de heer [G] op maandag 24 juni 2013 aan zijn leidinggevende verstuurde (prod. 11). 4.7 De Staat heeft naar aanleiding van de brief van de notaris en de toelichting daarop, afgezien van haar recht van eerste koop op de percelen [nummers] . Nog voor de datum van levering, per e-mail van 16 juli 2013 (prod. 12), heeft [E] aan [D] bevestigd dat De Staat voor de percelen [nummers] niet bereid was een bedrag van € 170.000,-- te betalen en dat De Staat in eerste instantie voor de drie percelen samen evenmin voornoemd bedrag zou willen betalen, maar dat daarover later de meningen zijn bijgesteld en er alsnog positief op zou worden ingegaan. 4.8 Vervolgens bleek voor voornoemd bedrag ook perceel [nummer] te zijn verkocht. In een telefoongesprek van 26 augustus 2013 tussen de notaris enerzijds en de heren [G] en [E] anderzijds, gaf de notaris toe niet zorgvuldig te zijn geweest in de verwoording van het aanbod, een fout had gemaakt, en dat zijn afhandeling niet de schoonheidsprijs verdiende. 4.9 De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem zorg te betrachten voor de belangen van derden, die mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde dienstverlening, zoals in het onderhavige geval, waarin sprake is van levering van een goed, terwijl ook een derde daarop rechten kan doen gelden (HR 3 april 2015, NJ 2015/479). 4.10 Als de notaris RWS juist had voorgelicht over het voornemen van [B] , namelijk verkoop van drie gronden van € 170.000,--, had RWS de drie gronden wel voor dat bedrag willen kopen, dan wel – ingeval haar tegengeworpen zou worden geen recht van eerste koop te hebben ten aanzien van perceel [nummer] – gevraagd hebben de percelen [nummers] aan te bieden tegen de daarvoor geldende prijs, welke lager zou zijn dan € 170.000,--. 4.11 Als gevolg van deze beroepsfout van de notaris, heeft De Staat schade geleden. De schade is door een tweetal deskundigen begroot op € 117.240,--. Het rapport van de deskundigen, waarin de begrote schade wordt onderbouwd, is aan de dagvaarding gehecht (prod. 6). Bij nadere bestudering door De Staat van de opbouw van de extra exploitatiekosten ad € 48.500,--, komt De Staat echter tot de conclusie dat de afzonderlijke posten ter zake tot een totaalbedrag van € 44.639,65 leiden. De Staat vermindert derhalve zijn vordering in hoofdsom met het verschil tussen voornoemde bedragen en komt uit op een hoofdvordering van € 113,379,65,--. 4.12 De Staat vordert daarbij de wettelijke rente coulance halve vanaf 17 juni 2014; de dag dat De Staat zijn vordering per brief aan gedaagde specificeerde. 4.13 De Staat baseert zijn vordering op artikel 6:170 (ingeval er sprake wordt geacht van een dienstbetrekking), 6:171 (ingeval er geen sprake is van ondergeschiktheid) of op artikel 6:172 (nu de notaris de brieven heeft ondertekend namens [A] ). 4.14 Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW vordert De Staat tevens de buitengerechtelijke kosten. RWS heeft buitengerechtelijk gecorrespondeerd en getracht tot overeenstemming te komen. Op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten maakt RWS aanspraak op betaling van een bedrag van € 1.908,80. 5Het standpunt van [A] 5.1 Het standpunt van [A] strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van De Staat in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van De Staat in de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met hoofdelijke veroordeling van De Staat in de nakosten ad € 131,--, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,--. 5.2 [A] is niet aansprakelijk voor een eventuele beroepsfout van de notaris. Bij gebreke aan een dienstbetrekking dan wel arbeidsrelatie, een relatie van opdracht of een relatie van vertegenwoordiging, is aansprakelijkheid op grond van artikelen 6:170, 6:171 respectievelijk 6:172 BW uitgesloten. De positie van de notaris is vergelijkbaar met die van een curator, wiens verhouding tot het advocatenkantoor waaraan hij verbonden is evenmin ruimte laat voor aansprakelijkheid op grond van voornoemde artikelen. 5.3 Zou dit al anders zijn, dan is geen sprake van aansprakelijkheid – primair – omdat de veronderstelling dat De Staat een recht van eerste koop had ten aanzien van percelen [nummers] , niet opgaat. 5.4 Een recht van eerste koop is een dermate persoonlijk (door [B] uitsluitend aan [C] beoogd te verstrekken) en relatief recht, dat dit niet voor overdracht vatbaar is. Met de overdracht van erfpachtrechten is het recht van eerste koop derhalve niet overgegaan naar De Staat. In de akte van 9 november 2006 staat onder artikel 12.5.a ook slechts ‘erfpachter’ en niet ‘erfpachter of zijn rechtsopvolgers’, terwijl die toevoeging in het omgekeerde geval wel bewust staat opgenomen (vgl. artikel 12.4.a). Ook zij gewezen op de twijfel die de notaris had of er wel of niet een recht van eerste koop voor De Staat bestond, welke twijfel door de notaris tot uiting is gebracht in zijn brief van 8 mei 2013 aan De Staat, door te spreken van het eventueel aan De Staat toekomende voorkeursrecht. 5.5 Subsidiair voert [A] aan dat de notaris niet onrechtmatig heeft gehandeld. 5.6 Allereerst geldt in dit verband dat de aanbiedingsverplichting zoals vervat in de akte van 9 november 2006 rustte, op [B] als grondeigenaar van de percelen en niet op de notaris. De notaris kan ter zake aldus niet de bedoelde verplichting niet nakomen. 5.7 Evenmin heeft de notaris aan De Staat een foutieve mededeling gedaan en voor zover die mededeling in een ander geval in objectieve zin al enige verwarring zou kunnen hebben veroorzaakt, kon daarvan bij De Staat geen sprake zijn, waardoor het vereiste causale verband ontbreekt. 5.8 [D] heeft verklaard dat [E] , na ongeveer anderhalf jaar te hebben onderhandeld over de percelen [nummers] en [nummer] , namens De Staat heeft aangegeven niet meer te willen aankopen, omdat de nieuwe weg N18 ineens aan de andere kant van de Haaksbergerstraat kwam te liggen en dat de drie kavels aan derden konden worden vervreemd, omdat De Staat hier geen enkel belang meer bij had. Ondanks herhaaldelijk verzoek van [D] hiertoe, was De Staat niet bereid zijn afwijkende reactie op schrift te stellen. Besloten is daarop dat de notaris, ten overvloede en voor de goede orde, nogmaals een verzoek om een schriftelijke bevestiging aan De Staat zou richten. 5.9 De zorgplicht van een notaris vindt haar grens daar waar de notaris goede grond heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte had gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was (HR 27 maart 1993, NJ 1993/188 (Meijer/S.). Een relevant gezichtspunt bij de toetsing aan de zorgvuldigheidsmaatstaf is dat De Staat een professionele partij is, die zich door bekwame personen (waaronder een jurist) heeft laten vertegenwoordigen. De Staat had zich door middel van haar kundige ambtenaren reeds op de hoogte gesteld en had tevoren reeds voldoende inzicht in de feitelijke situatie en de gevolgen van de te nemen beslissing. 5.10 Voor zover de notaris in zijn brief van 8 mei 2013 in objectieve zin een verwarrende mededeling zou hebben gedaan, kwalificeert de daarin vervatte informatie niet als onzorgvuldig, laat staan als een beroepsfout. Temeer niet in de gegeven omstandigheden. 5.11 Uit de tekst van de brief van 8 mei 2013 – “…de gronden, waarop het recht van erfpacht is gevestigd…” – is niet af te leiden dat is gesproken over het voornemen tot verkoop van slechts de percelen [nummers] , en evenmin dat dit de, kenbare, bedoeling van de notaris is geweest. 5.12 De Staat heeft nooit enig teken vertoond dat zijn interpretatie van de brief als een verrassing kwam, terwijl dat gelet op voorgaande – ingeval De Staat echt niet beter zou hebben geweten – zonder meer het geval zou moeten zijn geweest. Gewezen zij in dit verband op de als productie 11 van conclusie van repliek overgelegde interne e-mail van De Staat d.d. 24 juni 2013: “We waren tot op vorige week in de veronderstelling dat het aanbod alle percelen nr. [nummers] t/m nr. [nummer] omvatte.” (onderstreping advocaat) 5.13 Voornoemde productie toont aan dat een eventuele minder gelukkige formulering door de notaris in zijn brief van 8 mei 2013, niet heeft geleid tot onduidelijkheid of een onjuist begrip over de subjecten van verkoop, en toont aan dat ieder causaal verband met de gestelde schade ontbreekt. 5.14 Nu de brief van de notaris van 8 mei 2013 centraal staat in deze procedure, omdat hiermee de beroepsfout zou zijn gemaakt, liggen de vorderingen van De Staat voor afwijzing gereed, aangezien die vermeende beroepsfout (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.