RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zaaknummer : 5090797 \ CV EXPL 16-2764 Vonnis van 20 december 2016 in de zaak van [partij A] ,wonende te [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen [partij A] , gemachtigde: mr.drs. N. Mauer, tegen 1de vennootschap onder firma VENDIC V.O.F.,gevestigd en kantoorhoudende te Deventer, 2. [partij B 1] ,wonende te [woonplaats 2] , 3. [partij B 2],wonende te [woonplaats 3] , 4. [partij B 3],wonende te [woonplaats 4] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen Vendic c.s., gemachtigde: mr. S.I. Schinkel. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 mei 2016; - de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie; - de conclusie van repliek in conventie en conclusie van antwoord in reconventie; - de conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie; - de conclusie van dupliek in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De volgende feiten staan vast. 2.2. Partijen zijn in de loop van 2013 mondeling een overeenkomst aangegaan waarbij [partij A] salesactiviteiten voor Vendic c.s.in de regio Eindhoven voor zijn rekening zou nemen. [partij A] zou bemiddelen (‘leads genereren’) bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen derden en Vendic c.s.. Als Vendic c.s. vanuit deze leads klanten zou krijgen (geslaagde bemiddeling) dan zou [partij A] daarvoor een provisie ontvangen van 25% van het verschil tussen van de door [partij A] verkochte diensten en/of producten en kosten. 2.3. De tot stand te brengen overeenkomsten zagen onder meer op diensten als hosting, ontwerpen en tot stand brengen van een online webshop, daaraan gekoppelde onderhouds- en support diensten en verzorgen van online marketing activiteiten. 2.4. Vendic c.s. heeft de overeenkomst met [partij A] op 2 februari 2016 opgezegd. Vendic c.s. heeft de opzegging per mailbericht van 4 februari 2016 bevestigd. 2.5. Partijen hebben in der minne geen overeenstemming kunnen bereiken over de afwikkeling van de overeenkomst. 2.6. Vendic c.s. erkent de vordering van [partij A] van € 1.971,14. 3Het geschil in conventie 3.1. [partij A] vordert samengevat – Vendic c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen: - tot betaling van een schadevergoeding ex artikel 7:439 jo 7:441 BW van € 10.127,95 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 februari 2016, subsidiair de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; - tot betaling van een klantenvergoeding ex artikel 7:442 BW van € 29.829,17 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente gerekend vanaf 2 februari 2016, subsidiair van de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening; - tot betaling van een bedrag van € 1.971,14 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente, vanaf de respectievelijke data als omschreven onder 43 t/m 48 van de dagvaarding, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; - tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.194,28 inclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; - in de kosten van de procedure met bepaling dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan alsmede in de nakosten van € 131,- resp. 199,-. met bepaling dat de wettelijke rente over deze kosten is verschuldigd indien deze niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan. Daartoe stelt [partij A] in hoofdzaak dat sprake is van een agentuurovereenkomst die de grondslag vormt voor de vorderingen. De agentuurovereenkomst is onregelmatig opgezegd. 3.2. Vendic c.s. concludeert - samengevat – tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure. Daartoe voert Vendic c.s. in hoofdzaak aan dat partijen geen agentuurovereenkomst zijn aangegaan. Er was geen intentie om een agentuurovereenkomst aan te gaan. Vendic wilde de afspraken losjes en vrijblijvend houden. in reconventie 3.3. Vendic c.s. vordert samengevat – [partij A] te veroordelen tot betaling van € 6.864,62 met veroordeling van [partij A] in de kosten van het geding. Daartoe stelt Vendic c.s. dat [partij A] over de periode mei 2015 t/m december 2015 te veel provisie heeft ontvangen. 3.4. [partij A] concludeert - samengevat – tot afwijzing van de vordering bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van Vendic c.s. in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten van € 131,- resp. € 199,- met bepaling dat de wettelijke rente over deze kosten is verschuldigd indien deze niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan. Daartoe voert [partij A] aan dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en daarom ongegrond. Op de overige stellingen en weren van partijen in conventie en reconventie zal bij de beoordeling worden ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De kantonrechter heeft in de eerste plaats te oordelen over de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomst als een agentuurovereenkomst moet worden aangemerkt. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. Ingevolge artikel 7:428 lid 1 BW is de agentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn. Of in een concreet geval sprake is van een agentuurovereenkomst of niet, hangt bij gebreke van een duidelijke schriftelijke overeenkomst af van hetgeen partijen op grond van elkaars uitlatingen en gedragingen over en weer redelijkerwijs ten aanzien van hun rechtsverhouding van elkaar mochten verwachten. Voor beantwoording van die vraag acht de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden van belang. [partij A] heeft zich jegens Vendic c.s. vanaf 2013 verbonden om voor onbepaalde tijd bemiddeling te verlenen bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen potentiële klanten en Vendic. Op naam en voor rekening van Vendic c.s. heeft [partij A] overeenkomsten gesloten. [partij A] heeft daarvan opgave gedaan (productie 5 bij dagvaarding) welk overzicht niet door Vendic c.s. is weersproken. Gezien de hoeveelheid klanten die [partij A] heeft aangebracht blijkt dat sprake is van een duurzame relatie. Vendic c.s. heeft [partij A] voor de door hem aangebrachte klanten (‘leads’) provisie uitgekeerd. Van ondergeschiktheid noch een arbeidsovereenkomst is tussen partijen sprake geweest. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een agentuurovereenkomst waarop de artikelen 7:428 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) van toepassing zijn. Het verweer van Vendic c.s. dat zij de afspraken ‘losjes en vrijblijvend’ wilde houden, maakt dit niet anders. De kantonrechter acht dit verweer een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de onderbouwde stelling van [partij A] dat de overeenkomst tussen partijen een agentuurovereenkomst is. Voor de vraag of van een agentuurovereenkomst sprake is, is doorslaggevend de in de wet gegeven definitie en niet de intentie van partijen. In dat verband overweegt de kantonrechter nog dat de wettelijke regeling van afdeling 7.7.4. BW inzake de agentuurovereenkomst, als neerslag van een aantal internationale regelingen, wordt gekenmerkt door veel dwingendrechtelijke bepalingen en heeft als belangrijk doel de bescherming van de handelsagent als zwakkere partij. De kantonrechter zal derhalve voor de verdere beoordeling uitgaan van de bepalingen inzake de agentuurovereenkomst. De opzegging Vaststaat dat Vendic c.s. de agentuurovereenkomst heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. [partij A] heeft betoogd dat de opzegging onregelmatig is geschied nu de wet een opzegtermijn voorschrijft van vier maanden. Artikel 7:437 lid 1 BW bepaalt – voor zover belang - dat indien de agentuurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en bij gebreke van een overeengekomen opzegtermijn, de opzeggingstermijn vier maanden zal bedragen. Ingevolge lid 3 van dit artikel behoort opzegging plaats te vinden tegen het einde van een kalendermaand. De kantonrechter overweegt dat nu vaststaat dat partijen een agentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan en – door het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst – geen opzegtermijn zijn overeengekomen, de wettelijke opzegtermijn van artikel 7:437 BW geldt. Vendic c.s. heeft aldus jegens [partij A] verzuimd de opzegtermijn van vier maanden in acht te nemen. Artikel 7:439 lid 1 BW bepaalt in dat verband dat de partij die de overeenkomst beëindigt zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn jegens de wederpartij schadeplichtig is, tenzij zij de overeenkomst doet eindigen om een dringende aan de wederpartij onverwijld meegedeelde reden. De kantonrechter is van oordeel dat nu Vendic c.s. onregelmatig heeft opgezegd, zij jegens [partij A] in beginsel schadeplichtig is. Vendic c.s. heeft echter betoogd hiertoe niet gehouden te zijn omdat zij een dringende reden heeft gehad. Zij is door [partij A] gechanteerd en onder druk gezet. [partij A] dreigde helemaal niets meer uit te voeren als hij niet in dienst zou komen. [partij A] heeft betwist dat sprake is geweest van dringende redenen en voor zover juist, deze reden niet onverwijld aan hem is meegedeeld. Dringende reden De kantonrechter overweegt dat uit de opzegging door Vendic c.s. van 4 februari 2016 geenszins blijkt van enige dringende reden, in het bijzonder niet dat [partij A] Vendic c.s. zou hebben gechanteerd en onder druk gezet. Ware dat zo geweest, dan zou toch van Vendic c.s. hebben mogen worden verwacht de reden van opzegging in de opzeggingsbrief te vermelden. Daar komt nog bij dat onweersproken is gebleven de stelling van [partij A] dat ook in het mondelinge onderhoud dat aan de opzegging voorafging de door Vendic c.s. gestelde dringende reden niet is meegedeeld. Dat aan de opzegging een dringende reden als door Vendic c.s. gesteld ten grondslag heeft gelegen, is derhalve niet gebleken. Dat geldt ook voor de door [partij A] betwiste stelling van Vendic c.s. dat [partij A] stukken corporate tekst van Vendic c.s. op zijn eigen website had gezet. Indien dat een dringende reden voor Vendic c.s. zou zijn geweest tot opzegging, had het in de rede gelegen om daarvan uitdrukkelijk in de opzeggingsbrief mededeling te doen. Ook daarvan is echter niet gebleken. Tenslotte valt met de stelling dat de overeenkomst op grond van een dringende reden is beëindigd moeilijk te rijmen dat Vendic c.s. zich uit coulance bereid verklaarde een opzegtermijn van 1 maand in acht te nemen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst niet achteraf kan worden gegrond op een dringende reden, als de omstandigheid die men wil inroepen niet onverwijld aan de wederpartij is meegedeeld. Nu van enige onverwijld aan [partij A] meegedeelde dringende reden ten tijde van de opzegging niet is gebleken, doet de uitzondering van artikel 7:439 lid 1 slot zich niet voor. Vendic c.s. is derhalve jegens [partij A] schadeplichtig geworden. Gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:441 BW) Ingevolge artikel 7:441 lid 1 BW is de partij die krachtens artikel 7:439 BW schadeplichtig is, aan de wederpartij een som verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren. Voor de vaststelling van deze som wordt rekening gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren. Het tweede lid bepaalt dat de rechter bevoegd is deze som te verminderen indien zij hem met het oog op de omstandigheden te hoog voorkomt. [partij A] gaat voor de berekening van de gefixeerde schadevergoeding uit van een looptijd van de agentuurovereenkomst van 27 maanden en een gemiddelde provisie van € 2.054,35 per maand. Vendic c.s. gaat uit van een looptijd van 31 maanden (1 augustus 2013 t/m 1 maart 2016) en van een gemiddelde provisie van € 1.567,85. Bij zijn berekening betrekt Vendic c.s. de stelling dat aan [partij A] € 6.864,26 teveel aan provisie zou zijn uitgekeerd, hetgeen [partij A] betwist. De kantonrechter overweegt dat voor de berekening van de gemiddelde maandprovisie het bedrag van € 6.864,26 buiten beschouwing dient te worden gelaten, aangezien de stelling dat [partij A] dit bedrag ten onrechte heeft ontvangen, in reconventie ontkennend zal worden beantwoord. De kantonrechter overweegt dat voor de bepaling van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding in de regel bepalend is de provisie over het tijdvak van 12 maanden dat aan de verbreking vooraf ging. Gelet op de stellingen van partijen en de daaruit volgende vorderingen c.q. berekeningen, acht de kantonrechter termen aanwezig om van een andere periode dan 12 maanden uit te gaan. Op grond van de over en weer door partijen overgelegde producties oordeelt de kantonrechter dat de agentuurovereenkomst feitelijk een aanvang heeft genomen in september 2013 (zie productie 5 bij conclusie van dupliek). Uit de brief van 19 februari 2016 van Vendic c.s. aan [partij A] blijkt dat het aanbod om de provisie over februari 2016 uit te betalen is ingetrokken (productie 4 bij conclusie van antwoord). Op grond van deze feiten bepaalt de kantonrechter dat de overeenkomst een looptijd heeft gehad van september 2013 t/m januari 2016, ofwel 29 maanden. [partij A] heeft onweersproken gesteld dat aan Vendic c.s. een bedrag van € 55.467,47 is gefactureerd, zodat een gemiddelde maandelijkse provisie van € 1.912,67 (55.467,47 : 29) is ontvangen. Vendic c.s. heeft de factor 4,93 niet betwist zodat de aan [partij A] toekomende gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt bepaald op (4.93 x 1.912,67=) € 9.429,46. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Klantenvergoeding (artikel 7:442 BW) Artikel 7:442 BW lid 1 bepaalt kort gezegd dat de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht heeft op een klantenvergoeding. Daarbij dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: a. de handelsagent heeft nieuwe klanten aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten leveren de principaal nog aanzienlijke voordelen op; b. de betaling van deze vergoeding is, gelet op alle omstandigheden billijk, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten. Het tweede lid bepaalt kortgezegd dat het bedrag van de vergoeding niet hoger is dan de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan. [partij A] stelt dat de door hem ten behoeve van Vendic c.s. afgesloten contracten Vendic c.s. als principaal aanzienlijke voordelen opleveren ook na het einde van de agentuurovereenkomst. [partij A] heeft door zijn bemiddeling niet alleen een eenmalige financiële opbrengst voor Vendic c.s. gerealiseerd. De optimale werkzaamheid van een webshop bedraagt overigens 3 tot 5 jaar. Na afloop van de periode kiest de klant in de regel voor een redesign van een webshop of een nieuwe webshop. Door de aan de webshops gekoppelde (onderhouds-)contracten die ook nog doorlopen na het einde van de agentuurovereenkomst en waarvoor jaarlijks of maandelijks een bedrag kan worden gefactureerd, is er sprake van een voor Vendic c.s. doorlopende inkomstenstroom. [partij A] heeft de klantenvergoeding berekend op 12 keer de gemiddelde provisie inclusief BTW over 27 maanden (zijnde € 2.485,76 per maand), derhalve op € 29.829,17. [partij A] stelt dat deze vergoeding billijk is. [partij A] betwist dat de berekening van Vendic c.s. en de daarbij toegepaste correcties op de provisie. Vendic c.s. voert onder meer aan dat de kwaliteit van de door [partij A] aangebrachte klanten veel lager is dan die door de vennoten zelf zijn aangebracht. Met 75% van de klanten van [partij A] heeft Vendic c.s. geen duurzame relatie en dus geen omzet meer. De gemiddelde klantduur van een door [partij A] aangebrachte klant is 8 maanden, tegen een klantduur van Vendic c.s. klanten van 13,83 maanden. Van zeer bestendige klanten die meer dan 3 tot 5 jaar klant zullen zijn, kan dan ook geen sprake zijn. Uit het verloop van klanten van Vendic c.s. blijkt dat de klanten van [partij A] substantieel (33%) slechter scoren dan de klanten van Vendic c.s. zelf. Het gaat te ver om Vendic c.s. gehele boekhouding over te leggen, maar als de kantonrechter dat wenst, is Vendic c.s. daartoe bereid. Uit het overzicht van nota’s die door [partij A] niet worden betwist, blijkt onomstotelijk wanneer een klant geen klant meer was. Vendic c.s. berekent de klantvergoeding op ten hoogste € 16.377,48, daaronder begrepen een – naar de kantonrechter uit de berekening van Vendic c.s. afleidt - aftrek van klanten die geen klanten meer zijn van € 9.485,67 en dat sprake is van een klantuitval in 2015 van 29% van het totaal. Het bedrag van € 16.377,48 dient vervolgens te worden gematigd, omdat [partij A] in de periode mei 2015 t/m februari 2016 slechts 2 klanten heeft aangebracht; [partij A] na opzegging zonder enige beperking bij concurrenten van Vendic c.s. aan de slag kan; [partij A] meerdere opdrachtgevers heeft waardoor hij inkomsten genereert; het gedrag van [partij A] een dringende reden opleverde de overeenkomst te beëindigen; Vendic c.s. geen aanzienlijke voordelen heeft uit de overeenkomsten die [partij A] sloot. Vendic c.s. verwacht dat een substantieel aantal nieuwe klanten binnenkort zal opzeggen. De kantonrechter overweegt dat bij de berekening van de klantenvergoeding het volgende voorop moet worden gesteld. De vaststelling van de klantenvergoeding verloopt in drie fasen. In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren gekwantificeerd te worden (artikel 7:442 lid 1 sub a BW). Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie. De billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag met zich brengen (artikel 7:442 lid 1 sub b BW). Tenslotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. (vlg Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:182 en HR 2 november 2012, ECLI:NL:2012:BW9865). fase 1 De kantonrechter overweegt op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad dat een uniforme toepassing van artikel 7:442 lid 1 onder a meebrengt dat het voordeel van de principaal (Vendic c.s.) wordt vastgesteld op basis van de in de laatste 12 maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.