RECHTBANK OVERIJSSEL Team Toezicht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 183940 FT RK 16-339 Datum uitspraak: 13 september 2016 Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , [adres] , verzoeker, verder ook te noemen: [verzoeker] . Het procesverloop [verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 16 augustus
- Ter zitting is [verzoeker] verschenen, vergezeld door zijn zus mevrouw [A] . Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Op 26 augustus 2016 is ter griffie een brief met bijlagen ontvangen van [verzoeker] . Het vonnis is bepaald op vandaag. De beoordeling De feiten [verzoeker] is een alleenstaande man. Hij heeft uit een vorige relatie twee kinderen die niet bij hem inwonend zijn. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering van € 1.288,
- De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het verzoekschrift in totaal € 87.123,15 waaronder de volgende schulden: Beter Wonen, € 13.910,25, ontstaan in 2009, N.V. Nuon, € 1.120,62, ontstaan in 2013, Nationale Hypotheek Garantie, € 16.157,41, ontstaan in 2012, en In de brief d.d. 10 mei 2016 betreffende de oproeping voor de zitting is [verzoeker] gevraagd om uiterlijk één week voor de zitting een recente verklaring van zijn hulpverlener betreffende de psychische problemen van [verzoeker] over te leggen. De rechtbank heeft deze stukken voorafgaand aan de zitting niet ontvangen. De toelichting van – en namens- [verzoeker] Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij zijn post nooit openmaakt. Hij bewaart zijn post tot het einde van de week en dan komen zijn zussen langs om het te regelen. De zus van [verzoeker] heeft de oproepingsbrief naar eigen zeggen niet gezien en daarom is de gevraagde verklaring niet opgestuurd. De schulden van [verzoeker] zijn voornamelijk ontstaan bij de aankoop van zijn woning in 1990 die veel verborgen gebreken had. In 2010 is [verzoeker] veroordeeld voor hennepteelt waarvoor hij een werkstraf heeft opgelegd gekregen. Volgens [verzoeker] was dit de eerste en enige keer dat hij hennep heeft geteeld. [verzoeker] is met de hennepteelt begonnen door zijn financiële problemen en achteraf vindt hij het een domme oplossing. In 2003 en 2011 is er ook al een aanvraag gedaan voor een schuldregeling bij de Stadsbank Oost Nederland. Deze aanvraag is volgens [verzoeker] mislukt, omdat hij de stukken niet op tijd ondertekend retour heeft gestuurd naar de Stadsbank Oost Nederland. De overwegingen van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. In de oproepingsbrief van 10 mei 2016 voor de behandeling van het verzoekschrift heeft de rechtbank [verzoeker] verzocht om uiterlijk één week voor de zitting een recente verklaring van zijn hulpverlener te overleggen betreffende zijn psychische problemen. [verzoeker] heeft deze verklaring niet overgelegd, omdat zijn zus de oproepingsbrief niet zou hebben gezien. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig aangezien in de oproepingsbrief ook de datum en tijdstip van de zitting staan genoemd en [verzoeker] en zijn zus daar wel zijn verschenen. Ter zitting heeft [verzoeker] de mogelijkheid gekregen om de verklaring voor 30 augustus 2016 alsnog op te sturen. Op 26 augustus 2016 is gevraagde verklaring ter griffie ontvangen. De verklaring die is overgelegd is echter niet recent zoals gevraagd, maar dateert van 19 december
- Daarnaast is gebleken dat [verzoeker] in 2003 en 2011 ook al een schuldregeling bij de Stadsbank Oost Nederland heeft aangevraagd. Deze aanvragen zijn mislukt doordat [verzoeker] ook toen niet op tijd de juiste stukken heeft overgelegd. De rechtbank is hierdoor van oordeel dat [verzoeker] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen. De rechtbank doelt hiermee voornamelijk op de inlichtingenplicht. Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder c Faillissementswet (Fw.). De beslissing de rechtbank: - wijst het verzoek af. Gewezen door mr. U. van Houten, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.