RECHTBANK OVERIJSSEL Team Toezicht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 184419 FT RK 16-406 Datum uitspraak: 6 september 2016 Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van: [verzoeker] , [woonplaats] , verzoeker, hierna: [verzoeker] . Het procesverloop [verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 23 augustus
- Ter zitting is [verzoeker] verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Het vonnis is bepaald op vandaag. De beoordeling De feiten [verzoeker] is een alleenstaande man. Hij werkt sinds 2012 op basis van een nul-urencontract bij [X] en werkt hier meestal 30 uur per week. [verzoeker] ontvangt een aanvullende WWB-uitkering. De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het verzoekschrift in totaal € 27.104,96 waaronder de volgende schulden: Woningstichting De Woonplaats, € 1.823,66, ontstaan in 2014, en Mediquard, € 3.301,83, ontstaan in
- De toelichting van [verzoeker] Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat de meeste schulden twintig jaar geleden zijn ontstaan. De schuld aan Woningstichting De Woonplaats is in 2014 ontstaan. De schuld aan Mediquard is volgens [verzoeker] ontstaan, omdat hij is flauw gevallen en is opgenomen in het ziekenhuis terwijl hij op dat moment niet verzekerd was. [verzoeker] heeft verklaard dat hij een vriendin in het buitenland heeft gehad die hem financieel heeft uitgekleed. [verzoeker] heeft haar in 2013 leren kennen. Omdat zijn vriendin naar Nederland wilde komen heeft [verzoeker] haar geholpen met kleine beetjes geld dat hij over had. Uiteindelijk kwam [verzoeker] hierdoor naar eigen zeggen in de financiële problemen en werd de huur niet meer betaald. [verzoeker] denkt dat hij ongeveer € 3.000,00 aan zijn vriendin heeft gegeven om haar naar Nederland te krijgen. De overwegingen van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Uit de bij het wsnp-verzoek gevoegde schuldenlijst is gebleken dat [verzoeker] al sinds 2005 schulden heeft. Gebleken is voorts dat [verzoeker] omstreeks 2013 zijn vriendin, die in het buitenland woonde, heeft geholpen om naar Nederland te komen door haar in totaal € 3.000,00 te geven. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] verkeerde prioriteiten heeft gesteld door in totaal € 3.000,00 aan zijn vriendin te geven terwijl hij op dat moment reeds problematische schulden had. Gebleken is bovendien dat door de financiële steun van [verzoeker] aan zijn vriendin de huur niet meer kon worden betaald, als gevolg waarvan een schuld aan Woningstichting de Woonplaats is ontstaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw.). Omstandigheden als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. zijn evenmin aannemelijk geworden, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden toegewezen. De beslissing de rechtbank: - wijst het verzoek af. Gewezen door mr. J.M. Marsman, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2016, in tegenwoordigheid van de griffier. .