Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.730561-16 (P) Datum vonnis: 24 april 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte 1] geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] (Uganda), wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 april 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E. Postmaen van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging van 10 april 2017 -, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 12 december 2015 te Deventer met voorbedachte raad samen met anderen [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door deze [slachtoffer] in/tegen het gezicht/hoofd te stompen en/of schoppen, dan wel openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen deze [slachtoffer] ; feit 2: op 30 augustus 2016 te Deventer zich heeft verzet bij zijn aanhouding door de politie. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij op of omstreeks 12 december 2015 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een op meerdere plaatsen gebroken kaak heeft toegebracht door één of meerdere malen (met kracht) tegen/op het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen en/of te slaan en/of te stompen en/of te duwen (terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag); althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat hij op of omstreeks 12 december 2015 te Deventer openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Broederenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit één of meerdere malen (met kracht) trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen en/of duwen op/tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een op meerdere plaatsen gebroken kaak (waardoor deze [slachtoffer] geopereerd moest worden), althans enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 30 augustus 2016 te Deventer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] (allen hoofdagent van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten het aanhouden van verdachte buiten heterdaad op verdenking van een strafbaar feit, door (meermalen) te rukken en/of te trekken en/of te bewegen in een andere richting dan die waarin voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding In de nacht van vrijdag 11 december op 12 december 2015 liep aangever [slachtoffer] in Deventer vanaf de Brink via de Korte Be naar de Lange Bisschopstraat en merkte dat drie jongens achter hem aanliepen. Toen aangever [slachtoffer] de Broederenstraat inliep, werd hij plotseling van achteren aangevallen, waarbij hij op de grond viel. Vervolgens werd aangever [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag in zijn gezicht geschopt. Hierop zijn de jongens weggerend. Na uitvoerig politie onderzoek, onder andere door het uitkijken van camerabeelden die zijn gemaakt in het centrum van Deventer, het opvragen van historische gegevens van telefoonnummers, en na uitzending van het programma “Onder de Loep” van TV Oost heeft de politie op 5 juli 2016 [verdachte 2] als verdachte aangehouden. Vervolgens is op 11 juli 2016 verdachte [verdachte 3] aangehouden en op 30 augustus 2016 verdachte [verdachte 1] . Uit nader onderzoek is gebleken dat [verdachte 2] ten onrechte als verdachte is aangemerkt en is zijn strafzaak geseponeerd. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde. Kortgezegd heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde – met voorbedachte raad toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in vereniging - aangevoerd dat op basis van de aangifte van [slachtoffer] , de letselverklaring van [slachtoffer] en de diverse verklaringen in het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer] is geschopt. Als gevolg hiervan moest aangever [slachtoffer] worden geopereerd, zodat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] beide opzet hebben gehad op de zware mishandeling en op de samenwerking. Volgens de officier van justitie kan geen bewezenverklaring volgen voor de voorbedachte raad, zodat verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde – wederspannigheid – aangevoerd dat op basis van de verschillende processen-verbaal van bevindingen die door de verbalisanten zijn opgemaakt wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich bij zijn aanhouding heeft verzet. Dat verdachte heeft verklaard dat hij wel wilde meewerken, maar dat de politie desondanks jegens hem geweld heeft gebruikt, is niet geloofwaardig. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Allereerst kan ten aanzien van de feitelijke handelingen niet worden vastgesteld dat verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt, nu medeverdachte [medeverdachte] dit weliswaar heeft verklaard, maar tevens blijkt van twijfel in diens verklaring. Alleen kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen, omdat de tijd tussen het moment dat verdachte aangever [slachtoffer] zag lopen en de confrontatie te kort is geweest. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij heeft geslagen, omdat hij boos was, hetgeen een contra-indicatie vormt voor voorbedachte raad. De raadsman heeft voorts betoogd dat geen sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel en daarbij verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad waarbij een gebroken neus en een afgebroken tand niet werden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en naar een uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, waarbij een gebroken kaak niet werd gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verder kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat geen kans op volledig herstel aanwezig is, zodat ook om die reden geen sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel en verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde – openlijke geweldpleging – kan wel wettig en overtuigend worden bewezen met uitzondering van het gedeelte van zwaar lichamelijk letsel. Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De rechtbank is van oordeel dat de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewijs opleveren dat verdachte op 12 december 2015 samen met medeverdachte [medeverdachte] en getuige [getuige] aangever [slachtoffer] lopend heeft achtervolgd. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] van achter geslagen, waardoor deze ten val is gekomen. Toen [slachtoffer] op de grond lag, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hem in het gezicht geschopt. Dit bewijs ziet de rechtbank in de aangifte van [slachtoffer] , de getuigenverklaring van [getuige] , de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en de eigen verklaring van verdachte. Hieruit is gebleken dat verdachte, [verdachte 2] en [medeverdachte] op een bankje zaten toen zij aangever [slachtoffer] zagen lopen. [medeverdachte] had eerder in het uitgaansleven een woordenwisseling met aangever gehad. De drie jongens zijn achter [slachtoffer] aangelopen. In de Broederenstraat heeft verdachte [slachtoffer] geslagen, waardoor deze ten val is gekomen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben vervolgens allebei tegen het hoofd van [slachtoffer] geschopt, nu dit wordt verklaard door zowel medeverdachte [medeverdachte] als door getuige [getuige] . Deze verklaringen worden tevens ondersteund door de opgemaakte letselrapportage. Uit deze letselrapportage is gebleken dat de onderkaak van [slachtoffer] tussen de 2e en 3e voortand was gebroken, welk letsel was veroorzaakt door direct inwerkend stomp botsend geweld uitgeoefend op het gelaat c.q. de kaak van [slachtoffer] . De kaak is op 12 december 2015 operatief gefixeerd. Verdachte wordt primair verweten dat hij tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan aangever [slachtoffer] . Voorbedachte raad De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorbedachte raad. De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Zwaar lichamelijk letsel De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het letsel van [slachtoffer] is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hiertoe zijn de aard en ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medische ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel redengevend. De rechtbank overweegt dat de botbreuken in de onderkaak van [slachtoffer] weliswaar hebben geleid tot noodzakelijk medisch ingrijpen, maar dat blijkens de letselrapportage wel sprake zal zijn van volledig functioneel herstel binnen 6 tot 8 weken. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van slachtofferhulp toegelicht dat [slachtoffer] (fysiek) is hersteld. De rechtbank is daarom van oordeel het letsel juridisch niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank acht derhalve niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is van oordeel dat wél wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben in de Broederenstraat openlijk geweld jegens [slachtoffer] gepleegd, waarbij verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt en medeverdachte [medeverdachte] aangever [slachtoffer] heeft geschopt, zodat bij beide verdachten sprake was van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. In het dossier zitten processen-verbaal van bevindingen opgemaakt door drie verschillende verbalisanten, die hebben verklaard dat zij op 30 augustus 2016 rond 9.00 uur naar de [adres 2] te Deventer moesten gaan, omdat verdachte daar buiten heterdaad moest worden aangehouden. Uit de processen-verbaal is gebleken dat verdachte zich in eerste instantie had verschanst in de kast op zijn slaapkamer en dat hij zich vervolgens verzette tegen de aanhouding door zich in tegengestelde richting te bewegen, eerst in de slaapkamer, toen in de gang en vervolgens bij het dienstvoertuig van de politie. De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie en ter zitting heeft verklaard dat hij tegen de verbalisanten had gezegd dat hij zou meewerken, maar dat de politie hem toch met geweld heeft benaderd. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. De verklaring van verdachte strookt niet met de verklaringen van de verbalisanten. De rechtbank acht geen termen aanwezig om aan de processen-verbaal van bevindingen, zoals deze door drie verschillende verbalisanten zijn opgetekend, te twijfelen, temeer daar de betreffende processen-verbaal op 30 augustus 2016 op ambtseed dan wel ambtsbelofte zijn opgemaakt, onderling consistent en gedetailleerd zijn. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 30 augustus 2016 heeft schuldig gemaakt aan wederspannigheid. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: 1 subsidiair hij op 12 december 2015 te Deventer openlijk, te weten op de openbare weg, de Broederenstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit één of meerdere malen (met kracht) trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen en/of duwen op/tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] , terwijl dit door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel, te weten een op meerdere plaatsen gebroken kaak (waardoor deze [slachtoffer] geopereerd moest worden), ten gevolge heeft gehad; 2. hij op 30 augustus 2016 te Deventer, zich met geweld heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (allen hoofdagent van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het aanhouden van verdachte buiten heterdaad op verdenking van een strafbaar feit, door (meermalen) te rukken en/of te trekken en/of te bewegen in een andere richting dan die waarin voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen. De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 141 en 180 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 subsidiair: het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; feit 2 het misdrijf: wederspannigheid. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze staan vermeld in het reclasseringsrapport d.d. 20 maart 2017. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van een eventuele strafoplegging op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd kan worden, maar dan geheel voorwaardelijk en tevens lager dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte open staat voor hulpverlening, zodat oplegging van de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden aan de orde is. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft in de nacht van 11 op 12 december 2015 in Deventer samen met één mededader openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachte achter het slachtoffer zijn aangegaan, omdat het slachtoffer eerder aan de vriendin van zijn medeverdachte zou hebben gezeten. Hij kende het slachtoffer niet. Verdachte heeft het slachtoffer van achteren benaderd en de eerste klap uitgedeeld, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. Hierna hebben verdachte en zijn medeverdachte tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt, waarbij aangever een gebroken kaak heeft opgelopen en moest worden geopereerd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich op de openbare weg agressief en gewelddadig heeft gedragen tegen het slachtoffer voor wie het een angstige en pijnlijke ervaring is geweest. Uit de toelichting op het schadeformulier blijkt dat het slachtoffer na het incident enorme angsten heeft ontwikkeld, onrustig en verward was en ook regelmatig last had van woede-uitbarstingen, herbelevingen en nachtmerries. De angsten van het slachtoffer werden steeds erger en als gevolg hiervan heeft het slachtoffer in totaal 22 EMDR sessies bij de psycholoog gevolgd. Met dit zinloze geweld heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en de gezondheid van het slachtoffer, maar ook bijgedragen aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid bij dit soort gelegenheden. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij het slachtoffer gewond op straat heeft achtergelaten zonder zich verder om zijn situatie te bekommeren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid tegen verschillende verbalisanten. Uit hun processen-verbaal blijkt dat de aanhouding van verdachte een tumultueus verloop heeft gehad. Verdachte heeft met zijn gedrag de uitoefening van de taak van de verbalisanten ernstig bemoeilijkt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel ten gevolge wordt in beginsel 3 maanden gevangenisstraf passend geacht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij deze oriëntatiepunten en acht bij deze openlijke geweldpleging als strafverzwarende omstandigheden van aard en ernst van het letsel en de kwetsbaarheid van het slachtoffer aan de orde. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de wederspannigheid van verdachte bij zijn aanhouding, waarbij sprake is geweest van een aaneenschakeling van verschillende momenten van het plegen van verzet tijdens zijn aanhouding. Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts acht geslagen op: een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 20 maart 2017, opgemaakt door D. Albersen, reclasseringswerker; een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 februari 2017. In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 20 maart 2017 is opgetekend dat verdachte een 22-jarige jongeman is, die al eerder is veroordeeld voor mishandeling. Tegen hem zijn meldingen gedaan van huiselijk geweld toen hij nog bij zijn moeder en broers en zusje woonde. Gelet hierop kan bij verdachte worden gesproken van een delictpatroon. Voorts is gebleken dat verdachte sinds januari 2017 op zichzelf woont en in het kader van een voorloop door de reclassering wordt begeleid. Verdachte laat hierbij een ambivalente houding zien ten opzichte van hulpverlening, komt afspraken wisselend na en lijkt moeite te hebben met autoriteit. Ondanks dat verdachte zelf twijfelt of bij hem sprake is van agressieproblematiek, geeft hij aan wel open te staan voor behandeling en/of een training. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, gezien de eerdere veroordeling wegens mishandeling, met name als verdachte niet wordt behandeld voor zijn agressieproblematiek en zijn opstandige gedrag ten opzichte van autoriteit. Tevens wordt het risico op onttrekken aan voorwaarden ingeschat als hoog, omdat verdachte ambivalent staat ten opzichte van hulpverlening. De reclassering heeft geadviseerd tot oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden zijn een meldplicht, de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve Vaardigheden en de verplichting dat verdachte zich laat behandelen voor zijn agressieproblematiek bij Transfore of soortgelijke ambulante zorg. De rechtbank acht in dit geval een gevangenisstraf van 5 maanden noodzakelijk en passend bij de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf, te weten 3 maanden niet ten uitvoer zal te worden gelegd onder de hiervoor genoemde voorwaarden. De rechtbank beoogt hiermee verdachte te stimuleren de ambulante behandeling en het daarop volgende behandeltraject te gaan volgen en hiermee de kans op herhaling te verminderen. De proeftijd zal daarbij gesteld worden op drie jaar. De rechtbank heeft tot slot rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, na het plegen van de onderhavige strafbare feiten, nog is veroordeeld tot een werkstraf en verschillende geldboetes voor openbare dronkenschap, mishandeling in vereniging en overtreding van de APV Deventer, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. 8De schade van benadeelden 8.1 De vordering van de benadeelde partij Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: [slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding wegens immateriële schade te betalen tot een totaalbedrag van € 5.200,-- (vijfduizendtweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: [verbalisant 2] (gemachtigde [gemachtigde] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een vergoeding wegens immateriële schade te betalen tot een totaalbedrag van € 440,-- (vierhonderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.200,--, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] (gemachtigde [gemachtigde] ) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet duidelijk blijkt dat de schade van de benadeelde partij het gevolg is van het handelen van verdachte zelf of van andere verdachten. 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verbalisant 2] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat geen rechtstreeks verband is vast te stellen tussen het wondje aan de vinger van [verbalisant 2] en het handelen van verdachte. 8.4 Het oordeel van de rechtbank Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer] . De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.200,--, hoofdelijk, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [verbalisant 2] , nu het dossier de mogelijkheid openlaat dat de schade door anderen dan verdachte is toegebracht. De benadeelde partij [verbalisant 2] zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. 8.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht. 9De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 63 Sr. 10De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1: het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; feit 2: het misdrijf: wederspannigheid; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde; straf veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten: kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.