Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/770025-17 (P) Datum vonnis: 8 augustus 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juli 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzet danwel schuldheling. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 18 augustus 2015 in de gemeente Lelystad en/of Meppel, althans in Nederland, één of meer goederen te weten - een geldbedrag van 742 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 720 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1500 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1300 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 2530 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 3150 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1820 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 3000 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1200 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1200 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 32480 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 19284 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 34884 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 36407 euro, althans een geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht onder meer vast dat aangever [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode van 11 februari 2015 tot en met 18 augustus 2015 op verschillende datums een geldbedrag van in totaal € 142.617,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van verdachte. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij tijdens zijn detentie medeverdachte [hoofdverdachte] heeft leren kennen. Op enig moment zou ter sprake zijn gekomen dat [hoofdverdachte] financiële problemen had en dat [hoofdverdachte] een lening van [slachtoffer] zou krijgen om schulden af te lossen. Omdat medeverdachte [hoofdverdachte] geen eigen bankrekening had in verband met financiële problemen, heeft hij verdachte gevraagd of hij zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen, zodat een geldbedrag op die bankrekening kon worden gestort. Vervolgens heeft verdachte op verschillende datums van [slachtoffer] geldbedragen op zijn bankrekening ontvangen die in orde van grootte varieerden van bedragen tussen € 720,- en € 36.407,-. In totaal betreft het een bedrag van € 142.617,-. Vervolgens zou elke keer nadat er geld op de rekening van verdachte werd gestort, [hoofdverdachte] contact hebben opgenomen met verdachte en kreeg hij opdracht om het geld van de bankrekening te halen. Vervolgens werd het contante geld, dat door verdachte in één of vanwege de omvang in meerdere enveloppen werd bewaard, opgehaald door de vriendin van [hoofdverdachte] , medeverdachte [medeverdachte 2] . De vader van [hoofdverdachte] , medeverdachte [medeverdachte 1] , was daar ook bij aanwezig. Verder heeft verdachte verklaard dat hij van [hoofdverdachte] geen vergoeding heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening, maar dat hem wel werk in het vooruitzicht werd gesteld in een kledingwinkel van [hoofdverdachte] . 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de schuldheling stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dat wettig en overtuigend bewezen kan worden. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gemotiveerd bepleit dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en dat verdachte daarom integraal dient te worden vrijgesproken. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht opzetheling ten aanzien van de ten laste gelegde goederen niet bewezen, nu van concrete feiten en omstandigheden ter zake van wetenschap bij verdachte dat deze goederen door misdrijf zijn verkregen niet genoegzaam is gebleken. De rechtbank zal verdachte hier voor vrijspreken. Met betrekking tot de ten laste gelegde schuldheling overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de ten laste gelegde geldbedragen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht daarbij van belang dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de geldbedragen bij enig nadenken, gelet op de reeks van ongebruikelijke transacties in combinatie met de manier waarop de geldbedragen vervolgens contant werden overgedragen aan anderen en beloftes met betrekking tot het krijgen van werk werden gedaan die vervolgens niet werden nagekomen, had kunnen en moeten vermoeden dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. De verklaring van verdachte dat hij in de veronderstelling was dat de ontvangen bedragen een lening van een derde aan [hoofdverdachte] betrof voor de aankoop van een nieuwe winkel terwijl [hoofdverdachte] op dat moment gedetineerd zat, acht de rechtbank onder deze omstandigheden ongeloofwaardig. Dat aangever (aanvankelijk) in de veronderstelling verkeerde dat het om een lening ging maakt dat niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van voorgaande overweging in samenhang met de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde schuldheling. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 18 augustus 2015 in de gemeente Lelystad en/of Meppel, althans in Nederland, één of meer goederen te weten - een geldbedrag van 742 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 720 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1500 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1300 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 2530 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 3150 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1820 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 3000 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1200 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 1200 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 800 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 32480 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 19284 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 34884 euro, althans een geldbedrag en/of - een geldbedrag van 36407 euro, althans een geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 417bis Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: het misdrijf: schuldheling, meermalen gepleegd. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en daarnaast een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat bij een strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een werkstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, is passender. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van geldbedragen, terwijl hij had moeten vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich onvoldoende heeft afgevraagd wat de herkomst van de (hoge) geldbedragen was. Verdachte heeft daarbij eigen gewin – het vooruitzicht op een betaalde baan – laten prevaleren. Verdachte heeft op deze wijze bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan. Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals door de officier van justitie is geëist, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:het misdrijf: schuldheling; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde; straf veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren; beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.