vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/203706 / KG ZA 17-208 Vonnis in kort geding van 27 juli 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. S. Maakal te Heerenveen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ENSCHEDE, zetelend te Enschede, gedaagde, advocaat mr. J. Saelman te Amsterdam. Partijen zullen hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘de Gemeente’ genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de door de Gemeente overgelegde producties; de mondelinge behandeling; de pleitnota van [eiseres] ; de pleitnota van de Gemeente. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Bij brief van 20 maart 2013 heeft de Gemeente [eiseres] een last onder dwangsom opgelegd, omdat [eiseres] zonder vergunning een kapschuur en zwembadoverkapping had geplaatst. 2.2. Tegen dit besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 26 maart 2014 het beroep ongegrond verklaard en het besluit van de Gemeente in stand gelaten. 2.3. Op 1 mei 2014 heeft de Gemeente een invorderingsbesluit genomen. 2.4. Het door [eiseres] tegen dat besluit ingestelde hoger beroep is op 1 juli 2015 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ongegrond verklaard, met dien verstande dat de Gemeente – kort gezegd – niet meer dan € 33.000,00 kan invorderen, omdat de verbeurde dwangsommen deels zijn verjaard. 2.5. Op 20 augustus 2015 heeft de Gemeente een dwangbevel uitgevaardigd tegen [eiseres] , waarbij betaling wordt gevorderd van het bedrag van € 33.000,00 wegens verbeurde dwangsommen, vermeerderd met rente en kosten. De deurwaarder heeft het dwangbevel op 22 september 2015 aan [eiseres] betekend. 2.6. [eiseres] is vervolgens een executiegeschil gestart op grond van artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij vonnis van 9 november 2015 heeft deze rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen. 2.7. Op 12 september 2016 heeft de Gemeente ten laste van [eiseres] executoriaal beslag laten leggen onder de ABN Amro bank en de Rabobank, welke beslagen geen doel hebben getroffen. Deze derdenbeslagen zijn op 16 september 2016 aan [eiseres] betekend. 2.8. Op 6 juli 2017 heeft de Gemeente executoriaal beslag laten leggen op de onroerende zaak van [eiseres] , gelegen aan [het adres] (hierna: de woning). 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert samengevat - primair de opheffing van het door de Gemeente gelegde executoriale beslag, met onmiddellijke ingang, en subsidiair de Gemeente te gebieden het gelegde executoriale beslag op te heffen binnen een termijn van uiterlijk veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, en om haar te verbieden de aangekondigde executoriale verkoop doorgang te laten vinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en in beide gevallen (primair en subsidiair) de Gemeente te gebieden om de invordering van de verbeurde dwangsommen te staken en gestaakt te houden, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans (meer subsidiair) een zodanige voorlopige voorziening te treffen als in goede justitie geraden wordt geacht, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiseres] legt - samengevat weergegeven - aan haar vorderingen ten grondslag dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen is komen te vervallen als gevolg van verjaring. Voorts maakt de Gemeente volgens [eiseres] misbruik van recht door beslag te leggen en te dreigen met openbare verkoop. De woning staat immers “onder water” en is door verschillende oorzaken aan waardevermindering onderhevig. Voorts bestaat er zicht op legalisatie van de kapschuur en zal [eiseres] bij gedwongen verkoop in een acute noodsituatie komen te verkeren. Aldus dient een belangenafweging in haar voordeel uit te vallen. 3.3. De Gemeente voert verweer, strekkende tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang is een gegeven, gelet op de aard van het gevorderde. 4.2. Bij een executiegeschil als het onderhavige kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen de executoriale titel aangevoerd worden, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Volgens [eiseres] is hiervan in dit geval sprake, enerzijds omdat de invorderingsbevoegdheid van de Gemeente zou zijn verjaard en anderzijds omdat haar belangen bij opheffing van het beslag zwaarder dienen te wegen dan de belangen van de Gemeente bij voortzetting van de executie. De Gemeente heeft deze standpunten gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. Verjaring 4.3. Op grond van artikel 5:35 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verjaart in afwijking van artikel 4:104 Awb de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Het bestuursorgaan kan de verjaring stuiten door een handeling als bedoeld in de artikelen 4:105 en 4:106 Awb. 4.4. In casu staat vast dat er oorspronkelijk tien dwangsommen verbeurd zijn, waarvan er, ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, twee zijn verjaard. Het geschil richt zich op de overige acht dwangsommen van totaal € 33.000,00. Tussen partijen is niet in geschil dat de verjaring van deze dwangsommen drie keer is opgeschort en vervolgens op 7 juli 2015 is gestuit door een aanmaning van de Gemeente, waarna een nieuwe verjaringstermijn van een jaar is gaan lopen die zou eindigen op 7 juli 2016. Voorts is niet in geschil dat de Gemeente binnen die nieuwe verjaringstermijn, namelijk op 20 augustus 2015, een dwangbevel heeft uitgevaardigd, dat door de deurwaarder op 22 september 2015 aan [eiseres] is betekend. 4.5. Volgens [eiseres] is met het uitvaardigen van het dwangbevel de verjaring wederom gestuit en verlengd tot 20 augustus 2016. Dit was volgens haar de laatste verlenging. De Gemeente heeft vervolgens de verjaringstermijn geprobeerd te stuiten door tevergeefs beslag te leggen onder twee banken waarmee [eiseres] geen relatie onderhoudt. Naar de mening van [eiseres] is de verjaring, nu de bedoelde derdenbeslagen geen doel hebben getroffen, niet gestuit. 4.6. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de verjaring is gestuit door betekening van het dwangbevel aan [eiseres] door de deurwaarder op 22 september 2015, waarna een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen tot 22 september 2016. Vervolgens is de verjaring opnieuw tijdig gestuit, namelijk op 12 september 2016, althans 16 september 2016, door beslaglegging onder de ABN Amro bank en de Rabobank en de betekening van die beslagen aan [eiseres] . Dat de derdenbeslagen geen doel hebben getroffen is volgens de Gemeente niet relevant voor de vraag of de verjaring is gestuit. 4.7. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 4:106 Awb een bestuursorgaan de verjaring kan stuiten door
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.