← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2017:3799

beslissing RECHTBANK OVERIJSSEL Wrakingskamer Zittingsplaats Zwolle zaaknummer: C/08/206285 / KG RK 17-728 Beslissing van 10 oktober 2017 in de zaak van [A] , wonende te [plaats] , verzoeker tot wraking, advocaat mr. P.J. de Bruin te Rotterdam, 1De procedure 1.

  1. Op 14 augustus 2017 heeft [A] het verzoek tot wraking gedaan van mr. W.J.B. Cornelissen, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder AWB 17/1324 en AWB 17/
  2. 1.
  3. De reactie van mr. Cornelissen is op 30 augustus 2017 ontvangen. Daarbij heeft hij kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten. 1.
  4. Op 30 augustus 2017 heeft [A] per e-mail het verzoek gedaan tot wraking van de wrakingskamer. Bij beslissing van 4 september 2017 is dit verzoek afgewezen. 1.
  5. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 26 september 2017 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze beslissing gehecht. 2De beoordeling 2.
  6. Aan het verzoek tot wraking heeft [A] , samengevat, ten grondslag gelegd dat mr. Cornelissen het EVRM en daarop gebaseerde protocollen en rechtspraak heeft geschonden en voorts dat mr. Cornelissen zich schuldig heeft gemaakt aan leugen, bedrog en valsheid in geschrifte. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [A] naar zijn aangetekende brief van 26 juni 2017 aan de rechtbank en naar zijn e-mail van 31 juli 2017 aan zijn advocaat en C. Kuiper, griffier bij deze rechtbank. 2.
  7. De wrakingskamer overweegt dat ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van een partij een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. 2.
  8. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 van de Awb kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook daadwerkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid: "legitimate doubt" kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoeker zich beroept, moeten aannemelijk zijn geworden. Zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid. 2.
  9. De wrakingskamer stelt vast dat gemelde brief van 26 juni 2017 niet door [A] in dit geding is gebracht. Ook overigens heeft [A] naar het oordeel van de wrakingskamer zijn standpunt dat mr. Cornelissen jegens hem in de zaken AWB 17/1324 en AWB 17/1325 een vooringenomenheid koestert, niet met concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Van een uitzonderlijke omstandigheid als hiervoor bedoeld is de wrakingskamer dan ook niet gebleken. Bij haar oordeel betrekt de wrakingskamer dat kritiek op eerdere jurisprudentie van een rechterlijk college (of uitspraken van de rechters in kwestie) niet als wrakingsgrond in aanmerking komt (HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2739) en dat blijkens vaste rechtspraak partijdigheid van een rechter niet reeds wordt aangetast door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin de verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld of dat de rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld (zie o.a. CRvB 4 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3815). 2.
  10. De wrakingskamer komt tot de slotsom dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen. 3De beslissing De wrakingskamer 3.
  11. wijst het verzoek tot wraking af, 3.
  12. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (AWB 17/1324 en AWB 17/1325) zo spoedig mogelijk wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door de mrs. F. van der Maden, W.F. Boele enW.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P. van der Stroom, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober
  13. de griffier, de voorzitter, Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.