← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2017:3968

Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige economische kamer Almelo Parketnummer: 08/994527-16 (P) Datum vonnis: 23 oktober 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 oktober

  1. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.E.G. Duijts en van hetgeen door verdachte en diens raadsvrouw mr. K.A. Schreurs, advocaat te Goor, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 18 november 2014 professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad; feit 2: op 18 november 2014 een wapen en munitie voorhanden heeft gehad. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
  2. hij op of omstreeks 18 november 2014, te Wierden , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten 2730, althans een aantal bangers, te weten -2700, althans een aantal vlinders, merk onbekend, - 11, althans een aantal vlinders, genaamd Spain cracker en artikelnummer FDS0016, - 1, vlinder, genaamd Caramelle 6, - 1, cilindrisch, genaamd Rambo 31, en/of - 15, althans een aantal Cilindrisch, genaamd Lupo 26 bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad; art. 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit
  3. hij op of omstreeks 18 november 2014 te Wierden , althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een gas/alarm revolver, model Chiefs Special, 9 mm R.K. Knal, serienummer R3825128, en/of munitie van categorie II en/of III, te weten 50, althans een aantal pyrotechnische patronen, kaliber 15 mm (BAM - PMI 0198) -categorie III-, en/of 50, althans een aantal pyrotechnische patronen, kaliber 15 mm (BAM - PM - 0003), -categorie II-, voorhanden heeft gehad; art. 26 lid 1 Wet Wapens en munitie 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat verdachte heeft verklaard dat zowel het vuurwerk als het wapen en de munitie van hem was. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het door het Nederland Forensisch Instituut (NFI) naar het vuurwerk ingesteld onderzoek is gebleken dat het professioneel vuurwerk betrof. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat op basis van het door de politie naar het vuurwerk, met name de 2700 vlinders (Vlinder BV2002), ingestelde onderzoek niet kan worden geconcludeerd dat de vlinders als professioneel vuurwerk moeten worden aangemerkt. In dit verband is er door de verdediging op gewezen dat de verbalisant in het aanvullend proces-verbaal van 22 juni 2016 opmerkt dat nader onderzoek van het knalvuurwerk noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksresultaten van het noodzakelijk geachte aanvullende onderzoek zijn niet bekend en ontbreken in het dossier. Het overige bij verdachte aangetroffen vuurwerk is volgens de verdediging enkel beoordeeld op uiterlijke kenmerken. Alleen de naam en het aantal stuks is genoteerd. Dit is volgens de verdediging onvoldoende om te concluderen dat het vuurwerk identiek is aan eerder door het NFI onderzocht vuurwerk. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit feit bewezen kan worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 De rechtbank constateert dat verbalisant [verbalisant] , werkzaam als materiedeskundige bij het Team Centraal Onderzoek Vuurwerk (COV) van de politie, in het aanvullend proces-verbaal van onderzoek aan het inbeslaggenomen vuurwerk van 22 juni 2016 vermeldt dat het type knalvuurwerk Vlinder BV2002 is onderzocht door het NFI. De afmetingen en specificaties van de in beslag genomen vlinders wijken echter af van die van de door het NFI onderzochte vlinders en daarom wordt nader onderzoek door het NFI noodzakelijk geacht. Het dossier bevat echter geen nadere rapportage van onderzoek door het NFI aan de in beslag genomen vlinders. Niet duidelijk is geworden of dit onderzoek ook daadwerkelijk is verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de 2700 vlinders als vermeld op de tenlastelegging, als professioneel vuurwerk kunnen worden aangemerkt. Het overige onder feit 1 vermelde vuurwerk is alléén beoordeeld op basis van uiterlijke kenmerken. Met name blijkt uit dossier niet dat (een monster van) dit vuurwerk door het NFI is onderzocht. Evenmin blijkt uit het dossier dat de politie heeft vastgesteld dat de fabrikant, het artikelnummer (dat dient ter identificatie van het vuurwerk), de CE-markering van het vuurwerk en/of de NEM (netto explosieve massa) van het vuurwerk overeenkomen met vuurwerk dat eerder door het NFI is onderzocht en waarvan is vastgesteld dat het professioneel vuurwerk betreft. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook ten aanzien van het overige onder feit 1 vermelde vuurwerk niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het als professioneel vuurwerk kan worden aangemerkt. De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 is ten laste gelegd. Ten aanzien van feit 2 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde feit, met dien verstande dat, gelet op het in de kennisgeving van inbeslagneming van 18 november 2014 vermelde aantal pyrotechnische patronen, kaliber 15 mm (BAM - PMI 0198) - categorie III -, slechts een aantal van 37 bewezen kan worden verklaard. Nu verdachte dit feit overigens heeft bekend – en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal de rechtbank conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
  4. het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
  5. een geschrift zijnde de kennisgeving van inbeslagneming van 18 november 2014, pag. 68 tot en met 70 (beslagdossier);
  6. het proces-verbaal van onderzoek wapen van 20 november 2014, pag. 124 tot en met
  7. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 18 november 2014 te Wierden een wapen van categorie III, te weten een gas/alarm revolver, model Chiefs Special, 9 mm R.K. Knal, en munitie van categorie II en III, te weten 37 pyrotechnische patronen, kaliber 15 mm, - categorie III -, en 50 pyrotechnische patronen, kaliber 15 mm, - categorie II -, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 2 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III; en het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden en een geldboete van € 1.000,--. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht het tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde komen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een taakstraf reëel is. Voor het onder feit 2 tenlastegelegde zou volgens de verdediging kunnen worden volstaan met een geldboete of een lichte taakstraf. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft een gas/alarm revolver voorhanden gehad met daarbij behorende munitie. Het bezit van een wapen veroorzaakt in de samenleving in het algemeen gevoelens van onveiligheid en ontploffing van een knalpatroon kan tot angst en schrik en/of lichamelijk letsel leiden. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel bij een dergelijk feit een geldboete van € 1.000,-- een passende straf is. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat het Openbaar Ministerie tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging in zal stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze termijn een aanvang genomen op 18 november 2014, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Sinds deze datum zijn bijna drie jaar verstreken alvorens dit vonnis wordt gewezen. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de tijdspanne van twee jaar rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een geldboete van na te noemen hoogte. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 23, 24, 24c en 91 Sr. 9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III; en het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,--, bij niet betalen te vervangen door 15 dagen vervangende hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober
  8. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2014061941 . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.