Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/770267-17 (P) Datum vonnis: 12 december 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 november 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Fahner en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.E. Klein Overmeen, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, tweemaal ontucht heeft gepleegd met vrouwen die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met februari 2015 te Franeker en/of Leeuwarden en/of in Nederland, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, althans in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan de GGZ en/of verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens) - die [slachtoffer 1] omhelsd/geknuffeld en/of - die [slachtoffer 1] hem laten aftrekken en/of - zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of - zijn tong in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of - zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd; art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht 2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 12 december 2016 te Franeker en/of Leeuwarden en/of in Nederland, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, althans in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan de GGZ en/of aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens) - die [slachtoffer 2] omhelsd/geknuffeld en/of - die [slachtoffer 2] hem laten aftrekken en/of - zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of - zijn tong in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of - zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd; art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht zowel het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de (seksuele) relatie tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer 1] in augustus 2013 is aangevangen en dat deze heeft geduurd tot en met december 2014 en dat in die periode alle tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de (seksuele) relatie tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer 2] reeds was aangevangen toen tussen hen nog een behandelrelatie bestond. Als einddatum van de bewezen te verklaren periode dient naar het oordeel van de officier van justitie, hoewel de relatie tussen verdachte en aangeefster daarna nog voortduurde, aansluiting te worden gezocht bij de dag waarop de behandeling van aangeefster bij de GGZ formeel is geëindigd, namelijk op 22 mei 2015. 4.1 Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft verklaard dat hij een seksuele relatie heeft gehad met zowel mevrouw [slachtoffer 1] (feit 1) als mevrouw [slachtoffer 2] (feit 2). Verdachte heeft daarover ter terechtzitting aangegeven zich niet te kunnen herinneren of hij mevrouw [slachtoffer 1] ook heeft gebeft maar hij heeft bevestigd dat de overige tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft verder verklaard dat de relatie met [slachtoffer 2] is begonnen nadat de behandelrelatie al was beëindigd. De raadsman van verdachte heeft - primair - vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft hij daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat geen sprake is van 'ontucht', nu de intentie en instemming om een relatie aan te gaan bij zowel verdachte als aangeefster [slachtoffer 1] aanwezig waren, dat sprake was van wederkerigheid en dat niet is gebleken van afwezigheid van vrijwilligheid en/of een hiërarchische verhouding, laat staan van enige daaruit voortvloeiende druk of dwang. De raadsman heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997, 485. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte ten tijde van de relatie met mevrouw [slachtoffer 2] geen behandelrelatie meer met haar had en in de tweede plaats dat geen sprake is van 'ontucht', waartoe hij dezelfde argumenten heeft aangevoerd als in de zaak van mevr. [slachtoffer 1] . 4.4 Het oordeel van de rechtbank De aan verdachte tenlastegelegde feiten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte vast dat verdachte in de periode van 1 augustus 2012 (begin feit 1 volgens de tenlastelegging) tot en met 12 december 2016 (eind feit 2 volgens de tenlastelegging) werkzaam was als sociotherapeut bij de GGZ. Verder stelt de rechtbank met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat zij een seksuele relatie hebben gehad in de periode van augustus 2013 tot en met december 2014. Uit voornoemde verklaringen komt kortgezegd naar voren dat verdachte aangeefster in 2012 heeft ontmoet op een afdeling voor personen met een eetstoornis, maar dat pas later een relatie tussen hen is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de verklaring van aangeefster vanaf augustus 2013 van een seksuele relatie worden gesproken, die in december 2014 of januari 2015 is beëindigd. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte uitgaan van december 2014 als eindpunt van deze relatie. De rechtbank heeft verder, in het licht van de seksuele handelingen waarover zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat zij gedurende die relatie ook een keer door verdachte is gebeft. De rechtbank stelt ten slotte op grond van deze verklaringen vast dat verdachte gedurende hun relatie tevens (een) behandelaar was van aangeefster. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde stelt de rechtbank op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat ook zij een seksuele relatie hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat de behandelrelatie in december van 2014 is beëindigd en dat de seksuele relatie in januari 2015 is aangevangen, terwijl aangeefster heeft verklaard dat de seksuele relatie al in september 2014, dus nog tijdens de behandeling, is begonnen. De rechtbank overweegt dat aangeefster haar verklaring dat zij en verdachte op 5 september 2014 voor het eerst hebben getongzoend, heeft onderbouwd met door haar overgelegde e-mailberichten van 7 september 2014, waarin wordt gesproken over 5 september 2014 en waarin verdachte onder meer e-mailt naar aangeefster dat hij verward is over zijn gedachten en het gevoel heeft dat hij het daar samen met aangeefster over moeten hebben. Uit deze mailwisseling kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zich tussen aangeefster en verdachte in elk geval iets heeft voorgedaan dat impact op hen beiden heeft gehad. Relatief kort daarna, op 16 september 2014, hebben verdachte en aangeefster bovendien opnieuw een mailwisseling waaruit onmiskenbaar sprake is van flirten. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van deze mailwisselingen geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat de eerste tongzoen op 5 september 2014 plaatsvond en zal daarvan dan ook uitgaan. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de inhoud van voornoemde e-mailwisselingen minder goed valt te rijmen met de verklaring van verdachte dat de seksuele relatie tussen hem en aangeefster pas in januari 2015 is aangevangen, terwijl verdachte de door hem genoemde aanvangsperiode ook niet gemotiveerd heeft onderbouwd. De seksuele relatie tussen verdachte en aangeefster is blijkens hun verklaringen beëindigd in december 2016. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte tot 11 december 2014 feitelijk (mede)behandelaar van aangeefster was, en dat aangeefster op 22 mei 2015 formeel bij de GGZ is uitgeschreven. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de seksuele relatie tussen verdachte en aangeefster is begonnen op een moment waarop tussen hen een behandelrelatie bestond, terwijl de seksuele relatie heeft voortgeduurd tot na het moment van beëindiging daarvan. . Naar het oordeel van de rechtbank was er na 22 mei 2015 geen sprake meer van een formele of feitelijke behandelrelatie, zodat aangeefster na die datum niet langer aan verdachtes zorg was toevertrouwd in de zin van artikel 249 Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsman heeft onder verwijzing naar HR NJ 1997, 485 ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten betoogd dat geen sprake is van 'ontucht' omdat, kortgezegd, sprake was van een relatie met wederzijdse instemming zonder dat daarbij druk of dwang is uitgeoefend door verdachte. Artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3° (Sr is onder meer in het leven geroepen om de patiënt of cliënt te beschermen tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, NJ 2004/78). Deze strafbaarstelling geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als bedoeld in deze wetsbepaling bestaat. Er is slechts dan geen sprake van 'ontucht plegen', wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997/485). De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat is bepleit dat geen sprake is geweest van ontucht, omdat de relaties vrijwillig zijn aangegaan en enige vorm van afhankelijkheid ontbrak. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting enerzijds naar voren komt dat beide aangeefsters op vrijwillige basis een relatie met verdachte zijn aangegaan, in die zin dat zij op dat moment verliefd op hem waren dan wel dachten verliefd te zijn, maar anderzijds dat zij achteraf gezien een andere visie en een andere beleving hebben ten aanzien van de mate van vrijwilligheid en afhankelijkheid ten tijde van de seksuele relatie. Op grond van voornoemde jurisprudentie is bij het bestaan van een behandelrelatie in beginsel een afhankelijke positie gegeven, maar is het mogelijk dat zich uitzonderingssituaties voordoen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich bij de onderhavige relaties niet heeft voorgedaan. De rechtbank neemt bij dat oordeel in aanmerking dat uit het dossier naar voren komt dat de relatie tussen verdachte en aangeefsters in beide gevallen juist is ontstaan vanuit de behandelrelatie, dat verdachte ongeveer 30 jaar ouder is dan aangeefsters en dat op grond van de aangiftes en overige stukken in het dossier beide aangeefsters als kwetsbare personen moeten worden aangemerkt, terwijl verdachte vanuit zijn functie van hun problematiek op de hoogte was. Gegeven deze omstandigheden was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van (volledig) gelijkwaardige relaties, maar heeft een zekere mate van overwicht van verdachte c.q. afhankelijkheid van aangeefsters een rol gespeeld bij het ontstaan en het voortduren daarvan. Dit wordt expliciet geïllustreerd door de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] inhoudende dat zij verdachte zag als een vaderfiguur en de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] dat zij tegen verdachte opkeek. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat enige vorm van afhankelijkheid in de relaties tussen verdachte en beide aangeefsters heeft ontbroken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom in beide gevallen sprake geweest van 'ontucht' als bedoeld in artikel 249, tweede lid, onder 3° Sr. De rechtbank acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: 1. hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met december 2014 te Franeker en Leeuwarden, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt aan de GGZ en verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens) - die [slachtoffer 1] geknuffeld en - die [slachtoffer 1] hem laten aftrekken en - zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en - zijn tong in de mond en vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en - zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht; 2. hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 22 mei 2015 te Leeuwarden, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt aan de GGZ en aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens) - die [slachtoffer 2] geknuffeld en - die [slachtoffer 2] hem laten aftrekken en - zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en - zijn tong in de mond en vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en - zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht; De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 249 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd. feit 2 het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd. 6De strafbaarheid van verdachte 6.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft - subsidiair - bepleit dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met al de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder de omstandigheden die speelden in zowel de relatie tussen verdachte en aangeefsters, de privé/familiesfeer, de werkomstandigheden, de psychische toestand van verdachte als beschreven door de reclassering en door de psychotherapeut, het de weg kwijt zijn, de burn-outklachten, de bekentenis van verdachte, het first-offenderschap, het zich vrijwillig onder behandeling stellen, het (blijvend) tonen van zelfinzicht door zijn beroep niet meer te willen doen en het willen maken van excuses. 6.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich niet expliciet over het beroep op afwezigheid van alle schuld uitgelaten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden niet inhouden dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen, noch dat verdachte in zijn handelen jegens aangeefsters de maximaal van hem te vergen zorg heeft betracht, terwijl daarvan uit het dossier ook geenszins is gebleken. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt daarom verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod gedurende de proeftijd van 3 jaren. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen straf behoort te worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met al de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder met de omstandigheden die speelden in zowel de relatie tussen verdachte en aangeefsters, de privé/familiesfeer, de werkomstandigheden, de psychische toestand van verdachte als beschreven door de reclassering en door de psychotherapeut, het de weg kwijt zijn, de burn-outklachten, de bekentenis van verdachte, het first-offenderschap, het zich vrijwillig onder behandeling stellen, het (blijvend) tonen van zelfinzicht door zijn beroep niet meer te willen doen en het willen maken van excuses. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft met twee vrouwen een seksuele relatie gehad, terwijl zij in zijn hoedanigheid van sociotherapeut aan zijn zorg waren toevertrouwd. Het is ernstig dat verdachte misbruik heeft gemaakt, juist van patiënten die toch al worstelden met meervoudige persoonlijkheidsproblematiek en een getekende levensgeschiedenis. Verdachte had uit hoofde van zijn functie kennis van hun problematiek en moet zich, mede gezien zijn ruime werkervaring als sociotherapeut, van de kwetsbaarheid van aangeefsters terdege bewust zijn geweest. Uit de verklaringen die verdachte heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting komt naar voren dat hij - mede onder invloed van het overlijden van zijn moeder en daaropvolgende burn-outklachten - niet de distantie wist te bewaren die van hem als hulpverlener mocht worden verwacht en dat hij zich in plaats daarvan onprofessioneel heeft opengesteld voor geleidelijk groeiende gevoelens van affectie en verliefdheid voor aangeefsters. Gedurende dat proces is hij kennelijk niet in staat geweest het kwalijke van deze gevoelens tijdig te onderkennen en te voorkomen dat hij daarop zou acteren. Hoewel verdachte daadwerkelijk verliefd denktte zijn geworden op beide aangeefsters en het in algemene zin goed met hen voor lijkt te hebben gehad, blijkt uit het dossier ook dat hem enig opportunisme en sturend gedrag in de bejegening van aangeefsters kan worden verweten. Uit de aangiftes en de op schrift gestelde slachtofferverklaringen komt naar voren dat beide aangeefsters nog altijd veel last ondervinden van de bewezenverklaarde feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting onderkend dat zijn gedrag fout is geweest en heeft daarover spijt betuigd, waarbij hij een oprechte indruk heeft gemaakt. Bij haar oordeel heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 8 november 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit een reclasseringsrapport van 7 juli 2017 en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt verder naar voren dat ook verdachte consequenties heeft ervaren van zijn handelen. Hij heeft zijn baan bij ' [instelling 1] ' verloren nadat de onderhavige feiten aan het licht zijn gekomen en heeft voor zichzelf de beslissing genomen dat hij in de toekomst niet opnieuw in de zorg actief zal zijn. Verdachte heeft op persoonlijk vlak verklaard dat hij is ingestort nadat hij de relaties met aangeefsters aan zijn gezin heeft opgebiecht. Wekelijks volgt hij op vrijwillige basis psychotherapie om aan zijn problematiek te werken. Blijkens een schrijven van de therapeut van 14 november 2017 toont hij daar inzet en is hij in staat tot zelfreflectie. Verdachte is met zijn echtgenote verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en vanwege gevoelens van schaamte over de feiten en angst voor de reacties van anderen laat hij zich niet of nauwelijks meer in het openbare leven in zijn woonplaats zien. De reclassering acht de kans op recidive gering wanneer verdachte niet opnieuw in een setting gaat werken met kwetsbare vrouwen en acht op basis daarvan een beroepsverbod geïndiceerd. De rechtbank acht, alle omstandigheden afwegende, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in het onderhavige geval niet opportuun. Wel zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen en verdachte ontzetten van het recht het beroep van sociotherapeut uit te oefenen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Om de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking te brengen in de strafmaat, acht de rechtbank daarnaast een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren passend en geboden. 8De schade van benadeelden 8.1 De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 26.603,83 (zegge: zesentwintigduizend zeshonderddrie euro en drieëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat voor € 1218,83 uit reiskosten en voor € 385,00 aan kosten voor het eigen risico voor zorg. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 25.635,71 (zegge: vijfentwintigduizend zeshonderdvijfendertig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat voor € 635,71 uit reiskosten. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wegens immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- en dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wegens immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-. Ten aanzien van de vorderingen tot materiële schadevergoeding van beide benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze geheel toegewezen dienen te worden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman zich primair, kortgezegd, op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat zij een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. Subsidiair zijn de opgevoerde schadeposten betwist en is bepleit, in het geval de rechtbank de vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.