RECHTBANK OVERIJSSEL Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer 08/952952-16 (P) Datum vonnis: 15 december 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] , nu verblijvende in het [verblijfplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 januari 2017, 14 april 2017, 7 juli 2017, 22 september 2017 en 17 november
(12)jaren, met aftrek van het voorarrest. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van de straf. Wel heeft hij verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd over de psychische toestand van verdachte voor wie de grootste straf is dat hij 24 uur per dag het beeld van het slachtoffer voor zich moet zien. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft door middel van excessief geweld welbewust, een einde gemaakt aan het leven van zijn 29 jarige partner [slachtoffer] . Daarmee is haar het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven. Met dit vreselijke en onomkeerbare verlies is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden, die verder zullen moeten zonder hun dochter en zus. Dit is ter terechtzitting indringend naar voren gebracht door de moeder van het slachtoffer die ter terechtzitting gebruik heeft gemaakt van haar spreekrecht en door de vader van het slachtoffer die een schriftelijke slachtofferverklaring heeft geschreven die ter terechtzitting namens hem is voorgelezen. De rechtsorde is door dit feit ernstig geschokt en het hoeft geen betoog dat een dergelijk feit sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt. Verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven over zijn betrokkenheid bij het feit, waarmee hij het verwerkingsproces bij de nabestaanden, die met onbeantwoorde vragen achterblijven, ernstig bemoeilijkt. Bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan heeft de rechtbank acht geslagen op de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte die met name zijn verwoord in zowel de door de psycholoog H.E.W. Koornstra en de psychiater F. Verstraeten van respectievelijk 31 maart 2017 en 4 april 2017 opgemaakte pro justitia rapportages, als de pro justitia rapportage van de psychiater M.J. van Haaren en de GZ-psycholoog L. Vermeulen, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht. Het daarover opgemaakte rapport van 6 november 2017 houdt, zakelijk weergegeven, onder meer de volgende bevindingen en conclusies in. De psychiater F. Verstraeten: Tijdens de verschillende contactmomenten neemt betrokkene veelal een voorovergebogen houding aan, spreekt hij zacht en op monotone en klagende toon en stelt zich continu zeer passief op, terwijl hij adviezen en hulp telkens naast zich neerlegt en op sommige momenten zelfs een manipulatieve indruk maakt. Hierdoor, in combinatie met de observatiegegevens en de informatie dat betrokkene zijn klachten aggraveert of zelfs simuleert, maakt betrokkene een onoprechte indruk, waarbij hij zichzelf in de slachtofferrol lijkt te willen positioneren. Een eventuele proceshouding kan hierin een rol spelen. Betrokkene claimt geen herinneringen te hebben aan het tenlastegelegde. Op basis van de beschikbare gegevens en de gespreksindrukken komen echter geen aanwijzingen naar voren voor evidente geheugenproblemen. Betrokkene maakt een gemiddeld intelligente indruk. Het denken is normaal van tempo en coherent van vorm. Er is geen sprake van een stoornis van de inhoud van het denken in de vorm van wanen en er zijn geen tekenen van hallucinaties. De gewetensfunctie van betrokkene is intact en de empathische vermogens ongestoord. Er zijn geen aanwijzingen voor een gestoorde impulscontrole. Op basis van de contactname, spraak en wijze van sociale interactie bestaan er geen aanwijzingen voor autistiforme kenmerken. Er is bij betrokkene sprake van een somatisch-symptoomstoornis, persisterend, een paniekstoornis en er zijn afhankelijke, vermijdende, theatrale en mogelijk narcistische kenmerken in zijn persoonlijkheid zichtbaar. De psychiater M.J. van Haaren en de GZ-psycholoog L. Vermeulen: Betrokkene is een gemiddeld intelligente man die gedeeltelijk zijn medewerking aan het onderhavig onderzoek heeft verleend. Ondergetekenden menen dat bij betrokkene sprake is van een rouwproces met betrekking tot het overlijden van het slachtoffer, zonder wie hij naar zijn zeggen niet kan en wil leven. Door dit rouwproces kwam betrokkene tijdens de onderzoeksgesprekken telkens terug op het grote verlies dat hij ervoer, sprak hij herhaaldelijk zijn passieve doodswens uit om weer bij haar te kunnen zijn en trok hij zich nagenoeg de gehele onderzoeksperiode terug in zijn cel. Het voorgaande zou ook - eventueel daarnaast - kunnen passen bij traumatisering door het daderschap, indien bewezen. De indruk bestaat dat betrokkenes geclaimde geheugenverlies voor het ten laste gelegde de functie heeft van zelfbehoud, ofwel dat hij dit onbewust loochent. Dit gaat verder dan passend bij een eventuele procespositie. Buiten zijn geclaimde geheugenproblematiek voor het ten laste gelegde, bestaan er verder geen aanwijzingen voor geheugenproblematiek voor de lange of korte termijn. Hoewel betrokkene neuropsychologisch alsook neurologisch onderzoek heeft geweigerd, komen er op basis van de klinische indrukken en de groepsobservatie geen aanwijzingen naar voren voor problemen op dit gebied. Op basis van onderhavig onderzoek hebben de psychiater en psycholoog geen persoonlijkheidsstoornis kunnen vaststellen. Concluderend was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een somatisch-symptoomstoornis. Voorts was sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol. Ondanks het feit dat ondergetekenden menen dat betrokkene een kwetsbare man is met een beperkte draagkracht en beperkte copingmechanismen, hebben zij op basis van het onderhavig onderzoek geen gebrekkige ontwikkeling kunnen onderbouwen dan wel uitsluiten. De vastgestelde somatisch-symptoomstoornis is forensisch niet relevant. Met andere woorden, hiervan menen de psychiater en psycholoog dat deze geen directe doorwerking heeft op het ten laste gelegde, indien bewezen. Omdat de psychiater en psycholoog geen verband hebben kunnen onderbouwen tussen stoornis en delict, indien bewezen, is het niet mogelijk een uitspraak te doen over een eventueel pathologisch bepaald recidiverisico. Vanwege het ontbreken van een uitspraak over een eventueel pathologisch bepaald recidiverisico onthouden de psychiater en psycholoog zich van het geven van een behandeladvies binnen een strafrechtelijk kader. De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit, gezien de ernst daarvan, dient te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte, anders dan een veroordeling ter zake overtreding van de Afvalstoffenwet, niet eerder tot straf is veroordeeld. Alles afwegende acht de rechtbank, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren passend en geboden. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 27 Sr. 9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: het misdrijf: doodslag; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. A.M. Rikken en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost Nederland met nummer 2016499487 (TGO Congo), sluitingsdatum 17 juli 2017. Tenzij hieronder anders vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. 1 Het proces-verbaal van aanhouding van 11 oktober 2016, pagina’s 209 t/m 211, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten: Op zondag 9 oktober 2016 waren wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , belast met de noodhulp in Enschede. Wij zijn omstreeks 20:53 uur, op verzoek van het OC-Hengelo, naar de [adres] gegaan. Hier zou een zoon van de familie zijn aangekomen. De familie heeft de komst van de politie verzocht. Om 21:10 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat er twee personen, naar later bleek de vader en zwager, uit de woning kwamen. Zij gaven aan dat de zoon met de auto van zijn vriendin was gekomen en dat de zoon onder het bloed zat. Door de zwager werd een grijze auto, merk Citroen, type C2, voorzien van het kenteken [kenteken] aangewezen. In de woonkamer gekomen zagen wij bedoelde zoon op een stoel zitten. Ik, [verbalisant] , sprak de zoon aan en vroeg hem meerdere keren wat er gebeurd was. Wij zagen dat zijn handen onder het bloed zaten. Bij het beter bekijken van zijn handen zagen wij dat het opgedroogd bloed was. Tevens zagen wij dat de witte zoolrand van de schoenen van de zoon ook onder het bloed zaten. Wij zagen dat de gehele schoenzolen onder het bloed zaten. Wij zagen dat de witte schoenzolen helemaal rood waren. Wij hoorden van de ouders dat ze bang waren dat er iets met de vriendin van hun zoon was gebeurd. De moeder gaf aan dat ze geprobeerd had om te bellen en te appen met de vriendin van haar zoon. Ze had geen reactie gekregen waardoor hun ongerustheid werd bevestigd. Ze vertelden dat hun zoon met zijn vriendin samenwoonde. Nu kwam hun zoon bij hen, onder het bloed en ze kregen geen antwoord wat er was gebeurd. Ik, [verbalisant] , vroeg aan de zoon of het bloed van zijn vriendin was. Wij zagen dat hij daarop ja knikte en met zijn vinger naar boven wees. Ik, [verbalisant] , heb de aangewezen Citroen bekeken op sporen en ik zag aan de buitenzijde bij het bestuurdersportier, rechts naast de deurgreep, een rode vlek zitten, vermoedelijk bloed. In de auto zag ik donkergekleurde vegen op de armsteun van de bestuurdersportier zitten, vermoedelijk ook bloed. Vervolgens hoorden wij via de portofoon dat de collega’s in de woning aan de [adres] het levenloze lichaam van een vrouw hadden gevonden. Op grond van bovenstaande bevindingen hebben wij [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 als verdachte aangehouden. Wij zagen dat de verdachte geen uiterlijke verwondingen had. 2. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2016, pagina’s 530 en 531, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten: Op zondag 9 oktober 2016, te 21:26 uur kwamen wij aan de [adres] . Verbalisant [verbalisant] gaf aan dat er niet gereageerd werd op aanbellen. Verbalisant [verbalisant] heeft hierop met de lifehammer de onderste ruit van de toegangsdeur ingetikt. Via het ontstane gat reikte verbalisant [verbalisant] naar binnen, en opende de deur middels de deurklink. De deur was niet slotvast afgesloten. Een sleutelbos hing in het slot. Verbalisanten hebben hierop de woning betreden en zijn via de trap naar de eerste verdieping gelopen. Verbalisant [verbalisant] is naar de woonkamer gelopen en zag vanuit de deurpost een vrouw op haar rug op de grond liggen. Verbalisant [verbalisant] zag dat de vrouw met haar hoofd in een plas bloed lag. Hierop heeft verbalisant [verbalisant] aan verbalisant [verbalisant] aangegeven dat een vrouw in de woonkamer lag. Hierop hebben beide verbalisanten de woonkamer betreden om duidelijk te krijgen of de vrouw nog in leven was. Verbalisanten zagen allebei dat het hoofd van de vrouw in een grote plas bloed lag en dat de vrouw een grauwe gelaatskleur had. De vrouw lag in een onnatuurlijke houding. 3. Een door Ann Maes, arts en patholoog, opgemaakt rapport van 20 oktober 2016, betreffende een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer] , geboren op 15 november 1986, pagina’s 2167 t/m 2172, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Interpretatie van resultaten Bij sectie werden als gevolg van bij leven opgelopen scherprandig perforerend geweld, drie steekletsels en één snijwondje gevonden. Er waren twee steekwonden aan de hals en er was één steekwond vrijwel middenvoor aan de borst. De letsels zijn opgeleverd door steken en snijden met één of meer scherprandige voorwerpen zoals een mes. Gezien het wondaspect van twee van de letsels kunnen ze zijn ontstaan door steken met een éénzijdig snijdend mes. In relatie met de steekletsels in de hals was rechts de halsader en links de halsslagader geraakt. In relatie met de steekwond aan de borst waren o.a. de lichaamsslagader (aorta) en de longslagader geraakt en was er veel bloed verloren in het hartzakje. Als gevolg van massaal bloedverlies waren er bleke bloedarme inwendig organen. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen. Er was een klein oppervlakkig snijwondje aan de binnenzijde van de duim passend bij afweerletsel. Het oplopen van de drie steekletsels, zowel gezamenlijk als apart, verklaart het overlijden zondermeer als gevolg van bloedverlies, algehele weefselschade en functieverlies van het hart door het bloed in het hartzakje. Hoogstwaarschijnlijk is [slachtoffer] kort, in de orde van grootte van meerdere minuten, na het oplopen van de steekletsels overleden. Conclusie [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van meervoudig bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld (steekverwondingen) op het lichaam. 4. Een door N.M. van der Geest, opgemaakt rapport van 23 mei 2017, betreffende een evaluatie van onder andere de resultaten van bloedspoorpatroononderzoek, naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , op 9 oktober 2016, pagina’s 2271 t/m 2285, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit rapport is onder andere een bloedspoorpatroononderzoek uitgevoerd. Van de Forensische Opsporing Oost-Nederland is op 20 februari 2017 het in tabel 1 weergegeven onderzoeksmateriaal ontvangen. Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal SIN Omschrijving AMW9953NL Schoeisel (schoen) paar blauwe schoenen van de verdachte AAIW9957NL Kleding (trui) zwarte trui met capuchon van de verdachte AAIW9958NL Kleding (broek) grijze joggingbroek van de verdachte AKII7221NL Kleding (trui) voorpand van de witte trui van het slachtoffer AA3Q0689NL Kleding (broek) blauwe spijkerbroek van het slachtoffer De informatie die gebruikt is bij de verschillende onderzoeken is verkregen uit onder andere - het (verslag van het ) Forensisch Intake gesprek op 10 januari 2017; - de aanvraag extern forensisch onderzoek van de Politie Eenheid Oost-Nederland van 26 januari 2017 (aanvraag 010; PL0600-2016499487); - een SD-card AAKE0018NL van de Politie Eenheid Oost-Nederland met hierop de volgende voor het onderzoek relevante informatie: foto's van de verschillende onderzoeken door de Forensische Opsporing op zowel de plaats delict als aan de verschillende stukken van overtuiging; foto's van het onderzoek op de plaats delict door het Mobiel Forensisch Team van het NFI; processen-verbaal van de verschillende forensische onderzoeken uitgevoerd door de Forensische Opsporing; NFI-deskundigen rapport: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood van 20 oktober 2016; NFI-deskundigen rapport: Onderzoek naar biologische sporen en DNA- onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Almelo op 9 oktober 2016 van 12 januari 2017; zes processen-verbaal van het verhoor van verdachte [verdachte] . In de aanvraag onderzoek van 26 januari 2017 van de Politie Eenheid Oost-Nederland is onder meer verzocht om de trui AAIW9957NL, joggingbroek AAIW9958NL en schoenen AAIW9953NL van de verdachte te onderzoeken op de aanwezigheid van bloed van het slachtoffer en of het bloedsporenbeeld beter past bij de verklaring(
- en)die hij heeft afgelegd, of bij het scenario waarbij de verdachte de dader is. Om bovenstaande vraag te kunnen beantwoorden zijn in overleg met de aanvrager hypothesen opgesteld om de bevindingen van het bloedspoorpatroononderzoek te kunnen evalueren te weten: hypothese 1: Verdachte [verdachte] heeft de in het sectierapport van 20 oktober 2016 genoemde steek- en snijletsels toegebracht aan slachtoffer [slachtoffer] ; hypothese 2: Iemand anders dan de verdachte heeft de steekletsels toegebracht. De verdachte [verdachte] is via de voordeur terug in de woning gekomen en heeft alleen handelingen verricht zoals hij verklaard heeft in verhoren, te weten: het vastpakken van een hand, het (achter)hoofd, de schouders en de middel van slachtoffer [slachtoffer] waarna hij de woning weer verlaat. In dit deskundigenrapport worden de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek aan de schoenen AAIW9953NL, de trui AAIW9957NL en de joggingbroek AAIW9958NL van de verdachte geëvalueerd onder hypothesen op activiteitniveau. De evaluatie is gebaseerd op een deskundigenoordeel, waarbij gebruik is gemaakt van wetenschappelijke publicaties en kennis van - en ervaring met bloedspoorpatroononderzoek. Uit de verkregen informatie is de volgende relevante contextinformatie geselecteerd en betrokken bij de hiernavolgende evaluatie: - op zondag 9 oktober 2016 meldt verdachte [verdachte] zich 's avonds bij zijn ouders, hij zit helemaal onder het bloed. De verdachte was zelf niet gewond; - de politie heeft hem ter plaatse gehoord en heeft de auto waarmee hij gekomen was globaal onderzocht. Op diverse plekken op en in de auto zijn donkergekleurde vlekken en vegen gezien die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bloed; - tijdens een later uitgevoerd forensisch sporenonderzoek aan en in deze personenauto zijn op verschillende locaties bloedsporen aangetroffen, bemonsterd en veiliggesteld; - de trui AAIW9957NL, joggingbroek AAIW9958NL en schoenen AAIW9953NL van de verdachte zijn veiliggesteld na aanhouding; - de handen van de verdachte waren bebloed en zijn na aanhouding bemonsterd; - een Politie Eenheid is dan inmiddels naar het huisadres van de verdachte in Almelo gegaan, alwaar zij het levenloze lichaam aantroffen van slachtoffer [slachtoffer] ; - het slachtoffer werd gekleed in de woonkamer aangetroffen met haar telefoon in haar rechterbroekzak; - in de woning, met name in de woonkamer zijn veel bloedsporen aangetroffen, - In de woning zijn diverse schoensporen in/met bloed gezet aangetroffen en deze zijn fotografisch vastgelegd; - het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van meervoudig bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld (steekverwondingen) op het lichaam; - de verdachte is zes maal verhoord. Tijdens deze verhoren beschrijft hij wat volgens hem is gebeurd; - de verdachte verklaart dat hij onderweg naar zijn ouders was en zich onderweg realiseerde dat hij zijn jas, telefoon en portemonnee vergeten is en gaat terug; - terug in huis treft hij [slachtoffer] ruggelings aan op de grond tussen de bank en de stoel in het zitgedeelte van de woonkamer; - verdachte verklaart meerdere malen dat hij het slachtoffer aanraakte met zijn vingers en dat hij voelde dat ze helemaal nat en plakkerig was en ze niets zei en niet bewoog en niet reageerde; - verdachte verklaart dat hij het (achter)hoofd, de schouders, de middel en een hand van het slachtoffer [slachtoffer] heeft vastgepakt, waarna hij de woning weer verlaat en vertrekt richting zijn ouders. Onderzoeksresultaten De schoenen AAIW9953NL, de trui AAIW9957NL en de joggingbroek AAIW9958NL zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. Van de hierbij aangetroffen bloedsporen zijn de uiterlijke kenmerken (microscopisch) onderzocht. De op de kleding en schoenen aangetroffen bloedsporen zijn beschreven vanuit het perspectief waarop dergelijke kleding en schoenen normaliter worden gedragen. Schoenen AAIW9953NL van de verdachte Verspreid over de opstaande randen van de zolen zijn enkele bloedspatjes aangetroffen, welke niet groter zijn dan 3 mm. Tevens zijn enkele bloedspatjes aangetroffen met een afmeting van kleiner dan 1 mm. Op het blauwe deel van de schoenen bevinden zich bloedspoortjes die qua grootte overeen komen met de bloedspatjes op de witte opstaande randen van de zolen. Gezien de aard en kleur van het textiele materiaal van de schoenen die de classificatie bemoeilijken, is maar één bloedspoor op het blauwe deel aan de linkerzijde van de linkerschoen, net boven de rand van de witte opstaande rand van de zool, als bloedspat geclassificeerd. De rest van deze bloedsporen zijn als bloedvlekjes geclassificeerd. Trui AAIW9957NL van de verdachte Verspreid over de buitenkant van de trui is het volgende bloedsporenbeeld aangetroffen: Op het voorpand en op beide zijden van de mouwen zijn veel circulaire tot ellipsvormige bloedspatten aanwezig. De bloedspatten variëren in grootte tussen circa 1 mm tot circa 10 mm. Enkele ellipsvormige bloedspatten op het voorpand vertonen een neerwaartse beweegrichting. Tevens zijn verspreid over beide mouwen maar voornamelijk aan de voorzijde van de linkermouw en op de onderste helft van het voorpand contactsporen van bloed aangetroffen. Joggingbroek AAIW9958NL van de verdachte Verspreid over de voor- en achterzijde van de broek zijn bloedsporen van variërende grootte aangetroffen. Aan beide zijden van de broek zijn contactsporen van bloed aanwezig. De evaluatie wordt uitgevoerd onder de volgende aannamen: - de onderzochte kleding en schoenen zijn door verdachte [verdachte] gedragen tijdens genoemde handelingen onder beide hypothesen; - de kleding en schoenen zijn gedragen op een wijze waarop dergelijke kleding normaliter wordt gedragen; - indien een persoon is gekoppeld aan het celmateriaal in een bemonstering, dan wordt ten behoeve van de evaluatie op activiteitniveau aangenomen dat deze bemonstering daadwerkelijk celmateriaal bevat van deze persoon. Overwegingen en interpretatie Op de schoenen AAIW9953NL, de trui AAIW9957NL en de joggingbroek AAIW9958NL zijn verschillende typen bloedsporen aangetroffen. Onder beide hypothesen is het reëel om bloedsporen te krijgen. De kans om bloedspatten te verkrijgen is echter onder H1 veel groter dan onder H2. Onder beide hypothesen worden bloedsporen verwacht in de vorm van fysieke overdracht (contactsporen van bloed). Immers, kan het bebloede slachtoffer ook tijdens het steken (H1) en de momenten daarna door de verdachte zijn aangeraakt en/of vastgepakt. Echter voor het verkrijgen van bloedspatten is meer dan fysiek contact vereist. Hiervoor moet kracht worden uitgeoefend in of met vloeibaar bloed. De grootte van de bloedspatten en de verspreiding hangt af van de aard en mate van de uitgeoefende kracht en de hoeveelheid bloed waarop de kracht is uitgeoefend. Op de joggingbroek AAIW9958NL zijn contactsporen van bloed en bloedvlekken aangetroffen die niet onderscheidend zullen zijn ten opzichte van beide hypothesen. Op basis van bovenstaande, zijn naar het inzien van de deskundige bloedspoorpatroononderzoek twee onderzoeksresultaten die relevant zijn wanneer de hypothesen worden beschouwd. Onderzoeksresultaat 1 Verspreid over de buitenkant van de trui AAIW9957NL van de verdachte zijn bloedspatten van variërende grootte aangetroffen. Hiervan zijn er tien geselecteerd en veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De DNA-profielen hiervan matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] . Onderzoeksresultaat 2 Op de schoenen AAIW9953NL en dan met name op de witte opstaande rand van de zolen zijn enkele bloedspatjes van variërende grootte aangetroffen. Vanaf verschillende locaties van de schoenen zijn in totaal vier bloedspatjes geselecteerd en veiliggesteld voor een DNA- onderzoek. Twee bloedspatjes, één vanaf de linker- en één vanaf de rechterschoen, matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] . Als hypothese 1 waar is wordt de kans op de onderzoeksresultaten beoordeeld als groot. Bij het slachtoffer zijn als gevolg van bij leven opgelopen scherprandig perforerend geweld drie steekletsels en één snijwondje gevonden. In relatie met de steekletsels in de hals was rechts de halsader en links de halsslagader geraakt en in relatie met de steekwond in de borst zijn onder andere de lichaamsslagader en de longslagader geraakt. Deze letsels hebben geresulteerd in massaal bloedverlies bij het slachtoffer. Tijdens de dynamiek onder Hl wordt de kans op het verkrijgen van bloedspatten (van welke aard dan ook) beoordeeld als groot. Als hypothese 2 waar is, wordt de kans op de onderzoeksresultaten beoordeeld als klein. Op de foto's van het onderzoek op de plaats delict is zichtbaar dat zowel het slachtoffer als de omgeving sterk bebloed is. Onder het hoofd van het slachtoffer is veel bloed zichtbaar. Tijdens het vastpakken van het slachtoffer is de kans groot dat er bloed naar de handen van de verdachte wordt overgedragen. Dit bloed kan vervolgens vanaf de handen druipen en op zowel de kleding als op de grond terecht zijn gekomen als relatief grote passieve bloedspatten. Op de schoenen kunnen hierdoor secundaire bloedspatjes zijn ontstaan als gevolg van (passief) bloed dat op de grond terecht komt. De kans op het aantreffen van kleinere secundaire bloedspatjes op voornamelijk de onderste helft van de schoenen wordt dan ook beoordeeld als betrekkelijk groot. De kans op het aantreffen van relatief grote bloedspatten op de trui als gevolg van druipen wordt ook beoordeeld als betrekkelijk groot. Echter, wordt de kans op het aantreffen van kleine bloedspatjes verspreid over de trui beoordeeld als zeer klein. Conclusie In de aanvraag onderzoek van 26 januari 2017 van de Politie Eenheid Oost-Nederland is verzocht om de trui AAIW9957NL, joggingbroek AAIW9958NL en schoenen AAIW9953NL van de verdachte te onderzoeken op de aanwezigheid van bloed van het slachtoffer en of het bloedsporenbeeld beter past bij de verklaring(
- en)die hij heeft afgelegd, of bij het scenario waarbij de verdachte de dader is. Hypothese 1: Verdachte [verdachte] heeft de in het sectierapport van 20 oktober 2016 genoemde steek- en snijletsels toegebracht aan slachtoffer [slachtoffer] . Hypothese 2: Iemand anders dan de verdachte heeft de steekletsels toegebracht. De verdachte [verdachte] is via de voordeur terug in de woning gekomen en heeft alleen handelingen verricht zoals hij verklaard heeft in verhoren, te weten: het vastpakken van een hand, het (achter)hoofd, de schouders en de middel van slachtoffer [slachtoffer] waarna hij de woning weer verlaat. Op grond van de hierboven genoemde overwegingen worden de onderzoeksresultaten van het bloedspoorpatroononderzoek en DNA-onderzoek beoordeeld als veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is. 5. Een door ing. I. Keereweer, opgemaakt rapport van 29 juni 2017, betreffende een onderzoek naar het moment van ontstaan schoensporen naar aanleiding van een steekincident op 9 oktober 2016, pagina’s 2296 t/m 2316, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onder het lichaam van [slachtoffer] werden schoenzoolafdrukken aangetroffen. Verzocht is om de deskundige in te zetten voor analyserend en vergelijkend onderzoek met betrekking tot de aangetroffen schoensporen in de woning, zichtbaar gemaakt door ALCV en waarvoor CAD-tekeningen gemaakt zijn. Vraagstelling: Kan er aan de hand van vorenstaande informatie en de aangeleverde digitale informatie de volgende hypothesen op activiteiten niveau worden onderzocht? De volgende aspecten spelen hier onder andere een belang: 1. het aangetroffen schoensporenbeeld, weergegeven met de sporenbordjes, "K", "M", "O" en "I", "J", aangetroffen in de woning van de verdachte en slachtoffer; 2. de verklaringen van de verdachte over de wijze hoe hij volgens hem bij het aantreffen van het slachtoffer met haar contact heeft gehad; 3. het sporenbeeld op de kleding en schoeisel van de verdachte; 4. het veroorzaakte letsel van het slachtoffer; 5. het sporenbeeld aangetroffen op de kleding van het slachtoffer; 6. het aangetroffen bloedsporenbeeld in de woning. Voor de beantwoording van de vraagstelling zijn de bovengenoemde aspecten 1, 2, 5 ( voor wat betreft alleen de sok van de linkervoet) en 6 meegenomen in het onderzoek. De overige aspecten zijn bij dit onderzoek niet direct van belang en worden in andere onderzoeken meegenomen. De ontvangen hypothesen zijn: "H.1: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan voordat het slachtoffer [slachtoffer] op de vloer voor haar overlijden terecht kwam; H2: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan tijdens hulphandelingen; H3: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn op andere wijze ontstaan." Gevolgde methodiek In de woonkamer en in de overloop bij de trap zijn op 15 plaatsen schoensporen met bloed waargenomen met een zig-zag patroon die door de forensische opsporing zijn aangegeven met de letters "A" t/m "O". Het onderzoek van de Forensische Opsporing heeft uitgewezen dat het zig-zag patroon overeenkomt met proefsporen die zijn vervaardigd met de schoenen van de verdachte. Voor beantwoording van de vraagstelling, of de met bloed geplaatste schoensporen nabij het slachtoffer, zijn ontstaan voordat het slachtoffer [slachtoffer] op de vloer voor haar overlijden terecht kwam (hypothese 1), of tijdens hulphandelingen (hypothese 2), is het volgende onderzocht: - of de schoensporen zijn veroorzaakt met een rechter- of linkerschoen en in welke richting; - de positie van de schoensporen t.o.v. de positie van het slachtoffer; - een eventuele verstoringen van de schoensporen (onder andere bloeddruppels op de schoensporen). De schoensporen nabij het slachtoffer op de plaatsen "K", "L", "M", "N" en "O" zijn op ware grootte afgedrukt. De waargenomen schoensporen zijn vervolgens ver- geleken met transparante foliën waarop proefschoenafdrukken zijn gekopieerd, die vervaardigd zijn met de schoenen van de verdachte. Op de sok aan de linkervoet van het slachtoffer zijn lijnvormige sporen waargeno- men die eveneens zijn vergeleken met de proefsporen vervaardigd met de schoenen van de verdachte. Waarnemingen en resultaten Het slachtoffer is liggend op de rug aangetroffen op de vloer tussen een kast en een stoel. De ligging van het slachtoffer is op de vloer met een viltstift gemarkeerd. Na verwijdering van het slachtoffer zijn op vijf plaatsen op de vloer met en in bloed geplaatste schoensporen aangetroffen. Om de bloedsporen beter zichtbaar te maken zijn deze, volgens opgave van de Forensische Opsporing, chemisch behandeld met ALCV (Aqueous Leuco Crystal Violet). De schoensporen hebben een zig-zag patroon. De vijf plaatsen met schoensporen nabij het slachtoffer zijn gemerkt met de letters "K", "L", "M", "N" en "O". Op plaats L zijn twee gedeeltelijk over elkaar geplaatste schoensporen aangetroffen, door het NFI aangegeven met "L1" en "L2". Afbeelding 2 toont de vijf plaatsen met schoensporen nadat het slachtoffer is ver- wijderd van de locatie De schoenen van de verdachte hebben een zig-zag profiel. Vanwege de vraag- stelling, verklaringen van verdachte, het eerder uitgevoerde Forensisch onderzoek en eigen waarnemingen, is voor het vervolg van het onderzoek aangenomen dat alle aangetroffen schoensporen met een zig-zag patroon zijn veroorzaakt met één en hetzelfde paar schoenen, namelijk die van de verdachte. Als uitgangspunt is aangenomen dat de ligging van het slachtoffer praktisch dezelfde is als direct nadat het slachtoffer op de vloer terecht is gekomen, en dat de handelingen, zoals de verdachte verklaart heeft, de ligging nauwelijks heeft veranderd. Voor beantwoording van de gestelde vraag zijn de aangetroffen schoensporen nabij het slachtoffer "K" t/m "O" nader on- derzocht. Van de schoensporen "K" t/m "O" is bepaald in welke richting deze zijn geplaatst en met welke schoen (rechter- of linker). Op basis van de sporen zijn ook de positie van de schoenen en de daarbij behorende contouren vastgesteld. Hiertoe zijn de schoensporen "K" t/m "O" op ware grootte afgedrukt. Vervolgens zijn deze schoen- sporen vergeleken met transparante foliën waarop de proefsporen zijn gekopieerd die vervaardigd zijn met de schoenen van de verdachte. Bij het vergelijkend onderzoek zijn de schoensporen met de proefschoensporen vergeleken op passing van de contouren en het zig-zag patroon. Bij de schoensporen "K", "L1", "L2", "M" en "O" zijn de passingen vrij goed, wat het bepalen van de linker- of rechterschoen, richting en positie in de breedterichting goed mogelijk maakt. Omdat van de schoensporen de contouren (buitenranden van de schoenen) maar gedeeltelijk zijn afgetekend is bij de passing de positie van het proefafdrukspoor in de lengterichting enigszins variabel. Afbeelding 3 toont de contouren van de schoenen geprojecteerd over de schoen- sporen op de vloer en de contouren van het slachtoffer, na verwijdering van het slachtoffer. Interpretatie van waarnemingen Voor beantwoording van de vraagstelling zijn de volgende hypothesen ontvangen: "H1: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan voordat het slachtoffer [slachtoffer] op de vloer voor haar overlijden terecht kwam; H2: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan tijdens hulphandelingen; H3: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn op andere wijze ontstaan." De interpretatie is alleen gericht op de evaluatie van de bevindingen onder de hypothesen Hl en H2 omdat deze, voor zover op dit moment bij mij bekend, de standpunten van enerzijds het OM en anderzijds de verdediging vertegenwoordigen. Onder "de aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen" wordt verstaan de schoensporen "K" t/m "O". Deze hypothesen zijn voor wat betreft het moment van ontstaan van de schoensporen (voor of na het moment dat het slachtoffer op de vloer terecht kwam) uitsluitend. Hypothese 3 is zonder nadere invulling van de wijze van ontstaan van de bloedsporen niet goed bruikbaar. Er zijn in en met bloed geplaatste schoensporen in de woning aangetroffen. Al deze waargenomen schoensporen betreffen schoensporen met een zig-zag patroon. Schoensporen met een ander patroon zijn niet waargenomen. Voor de evaluatie van het schoensporenonderzoek zijn de volgende aannamen gedaan: - de in hypothese H2 genoemde 'hulphandelingen' zijn de handelingen met het slachtoffer die de verdachte in zijn verklaringen heeft omschreven, zijnde het vastpakken en proberen wakker maken, op te tillen bij haar hoofd, middel en schouders. Aangenomen is dat bij deze pogingen de ligging van het slachtoffer praktisch dezelfde is gebleven; - alle aangetroffen schoensporen met een zig-zag patroon zijn veroorzaakt met één en hetzelfde paar schoenen, namelijk die van de verdachte. Onder hypothese H1 zijn als eerst de schoensporen nabij het slachtoffer "K" t/m "O" geplaatst, en is daarna het slachtoffer op de vloer terecht gekomen. Hierbij is de kans groot dat het slachtoffer één of meerdere van de schoensporen geheel of gedeeltelijk bedekt. Over de positie en richting van de schoensporen op deze plaats is op voorhand weinig te zeggen. Daarnaast zijn er mogelijke schoensporen te verwachten op de looproute naar buiten. Onder hypothese H2 is het slachtoffer eerst op de vloer terecht gekomen en zijn daarna de schoensporen "K" t/m "O" geplaatst. Hierbij wordt verwacht dat naast het slachtoffer wordt gestapt vanuit de hocker, dit op basis van verklaringen van de verdachte in betrekking tot de looproute. Hierbij worden geen schoensporen ver- wacht die zich geheel of gedeeltelijk onder het slachtoffer bevinden. De verklaringen geven geen informatie over de positie van de verdachte tijdens de genoemde hulphandelingen. Bevindingen die beter passen bij hypothese H1 dan bij H2 De schoenen die de schoensporen "K", "Ll", "L2", "M" en "O" hebben veroorzaakt, zijn geplaatst op locaties die zich gedeeltelijk onder het slachtoffer bevinden en zijn globaal gericht naar het hoofd van het slachtoffer. Van schoenspoor "N" is de richting niet vast te stellen, maar is wel vast komen te staan dat deze zich deels onder het slachtoffer bevindt. Op de achterzijde van de sok aan de linkervoet bevindt zich een bloedspoor met een zig-zag patroon. Deze bevindingen passen beter bij het ontstaan van de schoensporen voordat het slachtoffer op de vloer voor haar overlijden terecht kwam, dan daarna. Deze gevolgtrekking wordt onderbouwd met het volgende: a. De posities van de schoenen, die de zes schoensporen "K", "L1", "L2", "M", "N" en "O" hebben veroorzaakt, gedeeltelijk onder het slachtoffer, passen goed bij H1. De aanwezigheid van schoensporen gedeeltelijk onder het lichaam is goed te verklaren als deze eerst geplaatst zijn en vervolgens het slachtoffer op die locatie op de vloer terecht is gekomen. De posities van de schoensporen zijn niet goed te verklaren als deze geplaatst zijn nadat het slachtoffer al op de vloer lag. De schoensporen worden dan naast het slachtoffer verwacht. De schoensporen bevinden zich gedeeltelijk onder het lichaam waardoor het plaatsen ervan praktisch niet uitvoerbaar is. Het veroorzaken van de schoensporen "L1" en "L2" gedeeltelijk onder de rechtervoet van het slachtoffer, terwijl de voet vast ligt tegen de poot van de kast, is niet aannemelijk bij de door de verdachte beschreven 'hulphandelingen'. Niet uitgesloten kan worden dat schoenspoor "K" bij hulphandeling op de vloer naast het slachtoffer is veroorzaakt, waarna het slachtoffer iets naar links is geschoven gedeeltelijk op het schoenspoor. Op de vloer nabij het slachtoffer zijn geen veegsporen waargenomen die wijzen op het verplaatsen van het slachtoffer nadat deze op de vloer is terecht gekomen. Er zijn wel veegsporen op de vloer waargenomen, die wijzen op een schuifbeweging van het linker- en rechterbeen op het moment dat het slachtoffer op de vloer terecht komt. b. De waargenomen schoensporen "K", "L", "M", en "O" bevinden zich gedeeltelijk onder het slachtoffer en zijn gericht naar de hocker. De verklaring van de verdachte is dat hij het slachtoffer benadert van uit de hocker. Als de verdachte van de hocker in de vrije ruimte stapt tussen het slachtoffer en de kast en de stoel, dan zouden enkele schoensporen gericht naar de voeten van het slachtoffer moeten staan en sporen van omkeren naar het hoofd, wat niet het geval is. Om de aangetroffen schoensporen nabij het slachtoffer, die in de richting van de hocker staan, te kunnen plaatsen zou de verdachte achteruit lopend deze moeten hebben veroorzaakt. Het achterwaarts benaderen van het slachtoffer op de vloer vanuit de richting van de hocker is niet logisch en praktisch lastig uitvoerbaar. Bij het hoofd van het slachtoffer zijn geen sporen waargenomen die wijzen op hurken of knielen, evenmin naast het slachtoffer tussen de stoel en de kast. c. De schoensporen "K", "L", "M", en "O" tonen geen schuifkenmerken die kunnen ontstaan bij het gedeeltelijk opzij schuiven van het slachtoffer met een schoen van de verdachte waaraan zich bloed bevindt. d. Linker sok Voor het veroorzaken van het lijnvormige spoor, op de achterzijde van de sok ter hoogte van de achillespees, komt het zig-zag profiel van schoenen van de verdachte in aanmerking. Zoals het slachtoffer ligt op haar rug met de achterzijde van de linkervoet op de vloer is niet voor te stellen dat dit spoor op de sok veroorzaakt is bij de door de verdachte aangegeven 'hulphandelingen' door op de linkervoet te staan (hypothese H2). Het spoor kan zijn veroorzaakt in staande positie van het slachtoffer waarbij de zool van de schoen van de verdachte de achterzijde van de linkervoet van het slachtoffer raakt (hypothese H 1). Het is niet aannemelijk dat het spoor is ver- oorzaakt door het gedeeltelijk overnemen (stempelen) van een schoenspoor van de vloer, omdat op de vloer bij de linkervoet geen schoenspoor is waargenomen. Bij in contact komen van de sok met de vloer wordt meer een veeg spoor verwacht. Er zijn bij het schoensporenonderzoek geen bevindingen aan het licht gekomen die beter passen onder hypothese H2 dan onder hypothese H1. Samenvatting De bevindingen van het onderzoek aan de schoensporen ("K", "L1", "L2", "M", "N" en "O") en aan het lijnvormig spoor op de linker sok, passen beter bij hypothese Hl dan bij hypothese H2. Conclusie Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten, de vraagstelling en de gestelde vol- gende hypothesen: H1: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan voordat het slachtoffer [slachtoffer] op de vloer voor haar overlijden terecht kwam; H2: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn ontstaan tijdens hulphandelingen; H3: De aangetroffen en met bloed geplaatste schoensporen zijn op andere wijze ontstaan; wordt het volgende geconcludeerd: De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is. De bevindingen konden onder hypothese H3 niet goed worden geëvalueerd zonder een nadere invulling van de andere ontstaanswijze. 6. Een door drs. J.A. de Koeijer, opgemaakt interdisciplinair rapport van de NFI onderzoeken naar aanleiding van een steekincident op 9 oktober 2016, pagina’s 2317 2313, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit IDFO-rapport komen conclusies van deskundigen van schoensporenonderzoek en bloedspoorpatroononderzoek samen. Het geheel overziend zijn er twee op het NFI uitgevoerde onderzoeken waarvan de resultaten onderscheid maken tussen de aangedragen hypotheses: - het bloedspoorpatroononderzoek en DNA-onderzoek aan de bloedssporen op de kleding en schoenen van de verdachte; - het sporenonderzoek een de met bloed gezette schoensporen op de PD. Interdisciplinaire conclusie De hieronder weergegeven interdisciplinaire conclusie is tot stand gekomen door het combineren van de resultaten van de op het NFI uitgevoerde onderzoeken die betrekking hebben op de voor het IDFO-onderzoek aangeleverde hypothesen: H1: Verdachte [verdachte] heeft de in het sectierapport van 20 oktober 2016 genoemde steek- en snijletsels toegebracht aan het slachtoffer [slachtoffer] . H2: Iemand anders dan de verdachte heeft de steekletsels toegebracht. De verdachte [verdachte] is via de voordeur terug in de woning gekomen en heeft alleen handelingen verricht zoals hij verklaard heeft in verhoren 1 tot en met 6, te weten: het vastpakken van een hand, het (achter)hoofd, de schouders en de middel van slachtoffer [slachtoffer] waarna hij de woning weer verlaat. De gecombineerde resultaten van het onderzoek aan de in/met bloed gezette schoensporen op de PD en aan de bloedsporen op de kleding en schoenen van de verdachte zijn zeer veel tot extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese Hl juist is dan wanneer hypothese H2 juist is. 7. Het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2017, pagina’s 977 t/m 985, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant: Ten einde de dwarsverbanden aan te geven in de gerelateerde onderwerpen, wordt deze hieronder in een tijdlijn opstelling van 9 oktober 2016 weergegeven. De tijden betrekking hebbende op verdachte [verdachte] zijn in rood weergegeven die van slachtoffer [slachtoffer] in blauw. Indien beiden zichtbaar zijn is dit in zwart weergegeven. Tijdlijn : • 17:18:30 uur Wifi afmelding Gsm Samsung S7 [verdachte] • 17:19:53 uur Wifi afmelding Gsm IPhone 6S [slachtoffer] • 17:17 uur, Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] komen in beeld op de camerabeelden van de [adres] Almelo. Ze komen uit de richting van hun woning. Ze laten de honden uit. Ze lopen op het trottoir aan de zijde van de [adres] • 17:35 uur, Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] lopen met de honden over de [adres] in de richting van hun woning. • 17:36:53 uur wifi Samsung S7 [verdachte] aan • 17:42:51 uur wifi IPhone 6S [slachtoffer] aan • 17:42:57 uur wifi IPhone 6S [slachtoffer] uit • 17:50:39 uur wifi IPhone 6S [slachtoffer] aan • 17:54:28 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] • 17:54:43 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] • 17:55:19 uur Messenger bericht Gsm [naam] naar Samsung S7 [verdachte] • 17:55:24 uur Messenger bericht Gsm [naam] naar Samsung S7 [verdachte] • 19:08:32 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] • 19:08:45 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] • 19:36:45 uur Messenger bericht Gsm [naam] naar Samsung S7 [verdachte] • 19:47:49 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] • 19:47:53 uur Messenger bericht Samsung S7 [verdachte] naar Gsm [naam] Opgemerkt: [verdachte] verklaart op 2 november 2016 dat hij ten tijde van het berichtencontact met [naam] , in de woning [adres] , was. • 19:48:06 uur t/m 19:48:19 uur registratie stappenteller IPhone S6 [slachtoffer] • 19:58:44 uur Wifi afmelding Samsung S7 [verdachte] . 9. De door verdachte ter terechtzitting van 17 november 2017 afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende: Tot en met 9 oktober 2016 woonde ik met [slachtoffer] aan [adres] . Nadat ik op 9 oktober 2016 samen met [slachtoffer] de honden had uitgelaten ben ik, toen wij thuis kwamen, naar de slaapkamer gegaan, terwijl [slachtoffer] in de woonkamer bleef. Kort voordat ik de woning die avond verliet had ik met mijn Samsung Galaxy S7 facebookcontact met [naam] . Tijdens de contacten met [naam] bevond ik mij dus in de woning aan de [adres] . Als ik in die woning was maakte mijn telefoon automatisch contact met het Wifi netwerk. Het is goed mogelijk dat het laatste contact met [naam] om ongeveer 19.48 uur was. Nadat ik de woning had verlaten ben ik in de voor onze woning staande auto gestapt en weggereden richting Enschede. Het op mijn schoenen, kleding en handen aangetroffen bloed van [slachtoffer] is verklaarbaar door het feit dat ik, kort voordat ik de woning verliet, lichamelijk contact met haar heb gehad. Tijdens dat laatste contact met [slachtoffer] reageerde zij nergens meer op. Na alles wat ik gehoord en gelezen heb twijfel ik erg over wat er gebeurd is op die bewuste 9 oktober 2016, waarbij ik de mogelijkheid openhoud dat ik [slachtoffer] wat heb aangedaan.