← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2017:4672

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Familierecht en Jeugdrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer: C/08/182542 / FA RK 16-346 beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 december 2017 inzake Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Almelo, verzoeker, hierna ook de raad te noemen, met betrekking tot de minderjarige [minderjarige] , geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] , verder [minderjarige] te noemen. Belanghebbende is: [X] , verder te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.D. Onland. Als overige belanghebbende is aangemerkt: de gecertificeerde instelling stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, verder te noemen de GI. 1Het procesverloop De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de navolgende stukken: de beschikking van 24 juni 2016; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 februari 2017; de beschikking van 28 februari 2017; het rapport van de raad, ontvangen op 10 februari 2017; de brief met bijlagen van mr. E.C. Weijsenfeld, bijzondere curator, ontvangen op 14 september

  1. De voortzetting van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren 3 november 2017 ten overstaan van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken. Ter zitting zijn verschenen en gehoord:  mevrouw J. Slot namens de raad;  mr. Onland namens de moeder;  mevrouw A. Bekke en mevrouw L. Koop namens de GI; 2Nadere vaststaande feiten Uit de bijlagen bij de brief van mr. Weijsenfeld blijkt dat de minderjarige is genaamd: [minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] . Zij is staatsburger van de republiek [land 1] . 3De verdere beoordeling 3.
  2. De rechtbank neemt hier over al hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in de beschikking van 28 februari
  3. 3.
  4. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en uit hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, voldoende is gebleken dat in het geval van [minderjarige] sprake is van een situatie waarin wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor gezagsbeëindiging en waarin gezagsbeëindiging ook in haar belang is te achten. 3.
  5. De raad heeft een nader onderzoek verricht naar de situatie van [minderjarige] . Gebleken is dat moeder instabiel, slecht bereikbaar is en onbetrouwbaar is in het geven van informatie over [minderjarige] . Grote zorgen zijn er op dit moment over het functioneren van moeder, waarbij zij op geen enkele wijze invulling geeft aan het ouderlijk gezag. Gebleken is ook dat het niet lukt om tot een passende omgangsregeling tussen moeder en [minderjarige] te komen. Tijdens de zitting van 3 november 2017 is gebleken dat moeder al langere tijd niet bereikbaar is voor de GI en voor haar advocaat. Wel is bekend dat moeder zwanger is en het vermoeden bestaat dat zij in [land 1] of [land 2] verblijft. Belangrijke beslissingen voor [minderjarige] kunnen niet genomen worden, waaronder het aanvragen van verblijfsdocumenten en een burgerservicenummer. Een onderzoek naar het vaderschap van [minderjarige] is niet van de grond gekomen omdat moeder geen medewerking verleent aan een DNA-onderzoek. 3.
  6. [minderjarige] woont sinds 3 juni 2016 in haar huidige pleeggezin. De raad constateert dat [minderjarige] zich binnen dat pleeggezin goed en leeftijdsadequaat ontwikkelt en dat zij een positieve ontwikkeling laat zien. De raad is van mening dat de huidige plaatsing op korte en op lange termijn tegemoet komt aan wat [minderjarige] nodig heeft. De verwachting is niet dat moeder de opvoeding en verzorging van de [minderjarige] zelfstandig weer ter hand kan nemen, zeker niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Moeder onttrekt zich aan iedere vorm van hulpverlening. De rechtbank onderschrijft de bevindingen en conclusies van de raad en maakt deze tot de hare. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en daarom zal het verzoek van de raad tot gezagsbeëindiging van de moeder worden toegewezen. 3.
  7. Met de gezagsbeëindiging ontstaat voor alle betrokkenen duidelijkheid. [minderjarige] heeft er recht op en belang bij dat vastgesteld wordt dat zij verder mag opgroeien in het pleeggezin. 3.
  8. De rechtbank zal eveneens het verzoek van de raad om de GI als voogd te benoemen toewijzen. Nu de GI zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen, wordt dienovereenkomstig beslist. 3.
  9. De rechtbank vertrouwt erop dat de GI blijvend oog zal hebben voor het vormgeven van een vertrouwensband tussen [minderjarige] en haar ouders en andere belangrijke mensen uit haar leven. Met het oog daarop is het van belang dat zo spoedig mogelijk helderheid ontstaat over het vaderschap van [minderjarige] , zodat duidelijk wordt wie die andere belangrijke mensen zijn. 4De beslissing De rechtbank: 4.
  10. beëindigt het ouderlijk gezag van [X], geboren [1992] , geboorteplaats onbekend, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] . 4.
  11. benoemt tot voogd over de minderjarige de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering; 4.
  12. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, mr. C. Verdoold en mr. I. Sumner, allen tevens kinderrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.