RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/1359 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] te [woonplaats] verzoeker, gemachtigde: mr. M. Draaiers, en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder, gemachtigde: mr. M.M. Kleibeuker. Procesverloop Op 28 mei 2018 heeft de korpschef van de politie IJsselland bij verweerder melding gedaan van zijn vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over rijvaardigheid dan wel lichamelijke/geestelijke geschiktheid voor het besturen van de motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Aan dat vermoeden liggen de volgende incidenten ten grondslag: een verkeersongeval met letsel op 13 maart 2018 te Hellendoorn, en een verkeersongeval met uitsluitend materiële schade op 29 april 2018 te Lemelerveld. Verzoekers rijbewijs is hierbij niet ingevorderd. Op 11 juni 2018 heeft de korpschef van de politie Stad-Utrecht daarvan eveneens bij verweerder melding gemaakt. Aan dat vermoeden ligt het volgende incident ten grondslag: een verkeersongeval op 3 juni 2018 te Utrecht. Naar aanleiding van dit incident is verzoekers rijbewijs ingevorderd. Bij besluit van 9 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten verzoeker een medisch onderzoek naar de geschiktheid te laten doen en de geldigheid van zijn rijbewijs te schorsen tot de uitslag van het medisch onderzoek bekend is. Verzoeker heeft op 18 juli 2018 tegen het primaire besluit een pro-forma bezwaar ingediend en dit op 31 juli 2018 aangevuld. Verzoeker heeft daarbij medische gegevens overgelegd: van de spoedeisende hulp van het ZGT te Almelo, inzake een onderzoek op 13 maart 2018 van zijn huisarts L. Wapstra van 19 juli 2018, met medische informatie van 1 mei 2018 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 1 augustus 2018 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker is voor het medisch onderzoek opgeroepen op 11 augustus 2018 en heeft daaraan meegewerkt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn vader [naam vader] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij zonder zijn rijbewijs zijn werk als [naam werk] bij [naam werkgever] te Moerdijk niet kan verrichten en zijn baan dreigt te verliezen. Verzoeker stelt verder dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat bij hem sprake is geweest van een geestelijke en/of lichamelijke aandoening waardoor hij niet goed functioneert, dan wel dat hij psychische problemen ondervindt. Van een black out of andere ernstige problematiek is geen sprake, zoals ook door zijn huisarts is verklaard en blijkt uit het onderzoek van het ziekenhuis. Voorts stelt verzoeker dat verweerder met het opleggen van het medische onderzoek en de schorsing van zijn rijbewijs niet de geldende waarborgen en formaliteiten in acht heeft genomen, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel met het nemen van het primaire besluit is geschonden. 3. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. Het spoedeisend belang Naar het oordeel kan verzoeker, gelet op hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft gesteld en onderbouwd, een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet worden ontzegd. Dit oordeel raakt uitsluitend verweerders besluit om de geldigheid van verzoekers rijbewijs te schorsen tot de uitslag van het medisch onderzoek bekend is. Het medisch onderzoek zelf heeft immers reeds plaatsgevonden, zodat ten aanzien daarvan geen voorlopige voorziening meer kan worden getroffen. Het juridische kader Artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: de wet) bepaalt voor zover relevant: 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. 2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs. 3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. (…) Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden. Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c van de wet besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot: een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. Op grond van artikel 2, eerste lid van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (verder: de regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage. Op grond van artikel 5 van de regeling geschiedt een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet in – voor zover hier relevant – het volgende geval: (…) c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige; (…). Op grond van artikel 6 van de regeling schorst het CBR in de gevallen, bedoeld in artikel 5, overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek. Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder b van de regeling besluit het CBR ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdelen I en II: - lichamelijke geschiktheid (categorie B, onderdeel I): bewusteloosheid of stoornis in het bewustzijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.