RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/770044-18 Datum vonnis: 13 november 2018 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1993 in [geboorteplaats] , wonende in [adres] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2018. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte meermalen ontucht heeft gepleegd met de toen veertienjarige [slachtoffer] . Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2017 tot en met 31 juli 2017 te Enschede, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,(telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het één of meermalen: - duwen/drukken van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of - likken aan en/of tussen de schaamlippen en/of aan de vagina van die [slachtoffer] en/of - duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of (daarbij) zich laten pijpen door die [slachtoffer] . 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het wettig en overtuigend bewijs voor wat aan verdachte onder het tweede en derde gedachtestreepje is tenlastegelegd ontbreekt. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de door verdachte verrichte handelingen, voor zover bewezen, niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Daartoe heeft de raadsvrouw betoogd dat er weliswaar sprake was van een aanmerkelijk leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , maar dat bij de leeftijd van verdachte niet moet worden uitgegaan van zijn kalenderleeftijd maar van zijn ontwikkelingsleeftijd. Daar vanuit gaande is van een schending van een sociaal ethische norm geen sprake, waarmee het ontuchtig karakter aan de gedragingen wordt ontnomen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de brief van [naam] , orthopedagoog en werkzaam bij de [stichting] , van 16 oktober 2018, waarin [naam] schrijft dat verdachte, gezien zijn cognitieve capaciteiten, functioneert op een ontwikkelingsleeftijd die verwacht kan worden bij iemand met een kalenderleeftijd van gemiddeld negen jaar oud. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Ontuchtige handelingen De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van seksueel contact dat als ontuchtig in de zin van artikel 245 Sr kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat artikel 245 Sr strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Volgens vaste rechtspraak is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van ontuchtige handelingen de maatstaf, of de betreffende seksuele handelingen algemeen als sociaal-ethisch zijn aanvaard. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Op basis van de inhoud van het procesdossier en van verdachtes ter zitting afgelegde verklaring, stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen heeft gepleegd met de toen veertienjarige - en dus tien jaar jongere - [slachtoffer] . Dat leeftijdsverschil is naar het oordeel van de rechtbank sociaal-ethisch niet aanvaardbaar. Daaraan doet niet af dat verdachte mogelijk een ontwikkelingsleeftijd had van een negenjarige. De bepaling is immers geschreven ter bescherming van personen tussen twaalf en zestien jaren en die bescherming geldt ook wanneer seksueel contact met een in leeftijd veel oudere, maar in ontwikkeling achtergebleven persoon plaatsvindt. Zou dat anders zijn, dan zouden verstandelijke beperkingen van een verdachte aan bewezenverklaring van ontuchtige handelingen in de weg staan. Dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest. Ook verder zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die het ontuchtige karakter aan de bewezenverklaarde seksuele handelingen ontnemen. De rechtbank verwerpt het verweer. 4.3.2 Bewezenverklaring De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2017 te Enschede, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.