RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/1626, 18/1627, 18/1628, 18/1629, 18/1630, 18/1631, 18/1632, 18/1633 en 18/1730 uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen, Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, verzoeksters, gemachtigde: mr. V. Wösten, te ’s-Gravenhage, en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder, gemachtigde: mr. M.E. de Boer, advocaat te ’s-Gravenhage. Als derde-partijen hebben deelgenomen: [belanghebbende 1] , te [woonplaats 1] , belanghebbende in Awb 18/1626, gemachtigde: mr. M.W.M. Janse, te Leeuwarden, [belanghebbende 2] , te [vestigingsplaats 1] , belanghebbende in Awb 17/1627, gemachtigde: B. Lowijs, te Oldebroek, [belanghebbende 3] , te [vestigingsplaats 2] , belanghebbende in Awb 18/1628, [belanghebbende 4] , te [woonplaats 2] , belanghebbende in Awb 18/1629, [belanghebbende 5] , te [vestigingsplaats 3] , belanghebbende in Awb 18/1630, gemachtigde: N. ten Voorde, te Lochem, [belanghebbende 6] , te [woonplaats 3] , belanghebbende in Awb 18/1631, gemachtigde: ing. W. Hoeve, te [woonplaats 3] , [belanghebbende 7] ., te [vestigingsplaats 4] , belanghebbende in Awb 18/1632, [belanghebbende 8] , te [vestigingsplaats 5] , belanghebbende in Awb 18/1633, gemachtigde: ing. J.C. Vijfhuizen, te Ermelo, [belanghebbende 9] , te [vestigingsplaats 6] , belanghebbende in Awb 18/1730. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2017 (= besluit I) heeft verweerder aan [belanghebbende 1] (hierna: [belanghebbende 1] ) te [woonplaats 1] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 17/818. Bij besluit van 13 februari 2017 (= besluit II) heeft verweerder aan [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2] ) te [vestigingsplaats 1] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 17/816. Bij besluit van 13 december 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 3] (hierna: [belanghebbende 3] ) te [vestigingsplaats 2] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit III) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 13 december 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/159. Bij besluit van 22 april 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 4] (hierna: [belanghebbende 4] ) te [woonplaats 2] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit IV) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 22 april 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/154. Bij besluit van 20 mei 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 5] (hierna: [belanghebbende 5] ) te [vestigingsplaats 3] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit V) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 20 mei 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/155. Bij besluit van 28 april 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 6] (hierna: [belanghebbende 6] ) te [woonplaats 3] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit VI) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 28 april 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/156. Bij besluit van 4 mei 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 7] (hierna: [belanghebbende 7] ) te [vestigingsplaats 4] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit VII) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 4 mei 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/157. Bij besluit van 11 mei 2016 heeft verweerder aan [belanghebbende 8] (hierna: [belanghebbende 8] ) te Staphorst een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit VIII) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 11 mei 2016 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 18/158. Bij besluit van 29 november 2017 (= besluit IX) heeft verweerder aan [belanghebbende 9] (hierna: [belanghebbende 9] ) te [vestigingsplaats 6] een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer Awb 17/817. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening strekken ertoe dat de vergunningen van de derde partijen worden geschorst, zodat de derde partijen daarvan geen (verder) gebruik kunnen maken, totdat de beroepen zijn beoordeeld en uitspraak is gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Wösten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Puttenstein, A.B. Willigenburg en L.H.T. Wuijster, bijgestaan door mr. M.E. de Boer en mr. R.D. Reijnders. A. [belanghebbende 1] is in persoon verschenen, vergezeld door [echtgenote van belanghebbende 1] en bijgestaan door mr. M.W.M. Janse. [belanghebbende 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door [maat] , bijgestaan door B. Lowijs. [belanghebbende 3] V.O.F. heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Ruitenberg. W.J. [belanghebbende 4] is in persoon verschenen. J.L. [belanghebbende 6] (hierna: [belanghebbende 6] ) is in persoon verschenen, bijgestaan door ing. W. Hoeve. [belanghebbende 8] heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. J.C. Vijfhuizen. [belanghebbende 5] , [belanghebbende 7] en [belanghebbende 9] zijn niet ter zitting verschenen. Overwegingen Awb 18/1730 ( [belanghebbende 9] ) – heropening 1. Gebleken is dat [belanghebbende 9] niet op deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de zitting. De kennisgeving in Awb 18/1730 en enkele andere stukken die naar [belanghebbende 9] hadden moeten worden verzonden, zijn abusievelijk verzonden naar één van de andere partijen. Dit gebrek dient te worden hersteld. Het onderzoek in deze zaak zal daarom worden heropend en [belanghebbende 9] zal in de gelegenheid worden gesteld alsnog mondeling een toelichting te geven. Ten aanzien van de overige zaken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De gerealiseerde situaties 2.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.2 Naar aanleiding van verzoeken om informatie van verzoeksters hebben toezichthouders van de provincie Overijssel in augustus 2018 controles verricht met betrekking tot de veehouderijen van de derde partijen. Ook nadien hebben controles door toezichthouders van de provincie Overijssel plaatsgevonden. De meest recente controles hebben omtrent de gerealiseerde situaties de volgende informatie opgeleverd. 2.3 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 1] , op 24 oktober 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 132 van de vergunde melk- en kalfkoeien gerealiseerd zijn, dat 81 van de 141 vergunde stuks vrouwelijk jongvee gerealiseerd zijn, dat alle vier de vergunde fokstieren gerealiseerd zijn en dat 9 van de vergunde 10 schapen inclusief lammeren gerealiseerd zijn. 2.4 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 2] , op 13 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 991 van de vergunde 1205 vleeskalveren gerealiseerd zijn en dat 6 van de vergunde 50 schapen gerealiseerd zijn. 2.5 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 3] , op 12 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 103 van de 110 vergunde melkkoeien en 28 van de vergunde 60 stuks jongvee tot 2 jaar zijn gerealiseerd. 2.6 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 4] , op 13 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 24 van de 36 stuks vrouwelijk jongvee zijn gerealiseerd, dat 77 van 104 melkkoeien zijn gerealiseerd en dat 78 van de 60 schapen zijn gerealiseerd. 2.7 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 5] , op 13 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 94 van de vergunde 150 melkkoeien zijn gerealiseerd en dat 8 van de vergunde 94 stuks jongvee zijn gerealiseerd. 2.8 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 6] , op 22 oktober 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 49 van de 60 vergunde melk- en kalfkoeien zijn gerealiseerd en dat 41 van de vergunde 42 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar zijn gerealiseerd en alle 40.000 opfokhennen jonger dan 18 maanden zijn gerealiseerd. 2.9 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 7] , op 13 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 2095 van de vergunde 2974 vleeskalveren zijn gerealiseerd. 2.10 Bij de meest recente controle bij het bedrijf van [belanghebbende 8] , op 13 november 2018, heeft de toezichthouder geconstateerd dat 280 van de vergunde 390 melkkoeien zijn gerealiseerd en dat 137 van de vergunde 151 stuks vrouwelijk jongvee, jonger dan twee jaar, zijn gerealiseerd. Voorts is geconstateerd dat 17 stuks vrouwelijk jongvee, ouder dan twee jaar, zijn gerealiseerd. Ten aanzien van de vergunde 2 fokstieren is geconstateerd dat 3 stierkalveren jonger dan één jaar en drie stierkalveren ouder dan één jaar, maar jonger dan twee jaar, zijn gerealiseerd. Wet- en regelgeving 3.1 Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. 3.2 Op grond van het bepaalde in artikel 9.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming gelden op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunningen als vergunningen die op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zijn verleend. 3.3 De aan de derde partijen verleende vergunningen zijn verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), waarvoor de grondslag is gelegen in de Wet natuurbescherming in samenhang met hoofdstuk 2 van het Besluit natuurbescherming. Rechtspraak 4.1 Bij verwijzingsuitspraak van 17 mei 2017 (ELI:N:RVS:2017:1259) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geconstateerd dat de onderbouwing van het PAS op een aantal onderdelen moet worden verbeterd en aangevuld. Daarnaast heeft de Afdeling prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Deze prejudiciële vragen hebben met name betrekking op de verenigbaarheid van het PAS dan wel van onderdelen van het PAS met richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn). Deze vragen zijn bij arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882) beantwoord. Ter zitting hebben verzoeksters en verweerder aangegeven dat in de zaken waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld en beantwoord op 14 februari 2019 een zitting van de Afdeling plaatsvindt. 4.2 Ten aanzien van de vraag of in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie voorlopige voorzieningen dienden te worden getroffen in zaken waarin met toepassing van het PAS een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is verleend, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 9 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:795) – na de constatering dat de onderbouwing van het PAS, naast de onderdelen die reeds genoemd zijn in de verwijzingsuitspraak van 17 mei 2017, op nog een aantal onderdelen moet worden verbeterd en aangevuld – in rechtsoverweging 8.4 als volgt geoordeeld: De thans ontstane situatie geeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanleiding om in bepaalde situaties een voorlopige voorziening te treffen, met het doel dat wordt voorkomen dat de depositie op de hexagonen waar nu meer dan 60% van de ontwikkelingsruimte is uitgegeven, kan toenemen. Dat betekent dat een voorlopige voorziening is aangewezen ten aanzien van vergunningen waarin ontwikkelingsruimte is toegedeeld voor een activiteit die leidt tot een toename van depositie op een hexagoon waarvoor meer dan 60% van de beschikbare ontwikkelingsruimte in segment 2 is uitgegeven en de vergunde activiteit nog niet of niet volledig is gerealiseerd (d.w.z. de depositie die veroorzaakt kan worden door de vergunde activiteit vindt nog niet of niet volledig plaats). Hierbij is niet van belang dat de vergunning is verleend voordat de omvang van de ontwikkelingsruimte werd herberekend. Evenmin is van belang of het betreffende hexagoon betrekking heeft op een stikstofgevoelig leefgebied of stikstofgevoelige habitat. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen en het doel van de te treffen maatregel, namelijk het voorkomen dat de depositie op bepaalde hexagonen zal toenemen door activiteiten waarvoor ontwikkelingsruimte is toegedeeld, vooralsnog geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van vergunningen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.