RECHTBANK OVERIJSSEL Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer 08/996085-15 (P) Datum vonnis: 19 februari 2018 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2018. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door [Industrieservice] BV in de periode van 17 december 2013 tot en met 7 september 2015, doordat de administratie van voornoemd bedrijf niet bewaard is voor de curator en deze administratie ook niet is getoond aan de curator. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: [Industrieservice] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 17 december 2013 in staat van faillissement is verklaard, in of omstreeks de periode van 17 december 2013 tot en met 7 september 2015, in de gemeente Delfzijl en/of de gemeente Groningen, tezamen en in verenging met een ander(en), ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en - daartoe uitgenodigd en aangemaand door de curator - tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers als in dat artikel bedoeld, zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feit, opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding [Industrieservice] BV (verder te noemen: Industrieservice) is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 22 augustus 2008 opgericht. Medeverdachte [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1] ) was tot 29 januari 2013 enig bestuurder van Industrieservice. Vanaf 29 januari 2013 is verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van Industrieservice. Industrieservice is op 17 december 2013 door de rechtbank Noord-Nederland failliet verklaard waarbij mr. R.G.A. Luinstra tot curator is aangesteld. Curator Luinstra heeft op 8 december 2014 aangifte gedaan van faillissementsfraude, waarbij de curator heeft verklaard dat volgens opgaaf van de bestuurder (verdachte) geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Ook heeft verdachte aan hem aangegeven dat hij geen administratie had gekregen van zijn voorganger [medeverdachte 1] . Ondanks verzoeken daartoe heeft de curator geen inlichtingen gekregen over de administratie. Bij de doorzoeking van de privéwoning van de boekhouder van onder meer Industrieservice, de heer [medeverdachte 2] , zijn op 26 mei 2015 op de zolder fysieke administratieve stukken zoals het ketendossier van Industrieservice over het jaar 2012, en een USB-stick met administratie, aangetroffen. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. 4.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu hij niet in het bezit was van de gehele administratie van Industrieservice en hij de administratie waarover hij wel beschikte ter beschikking heeft gesteld aan de curator Luinstra. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Artikel 15i, eerste lid van boek 3 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt: Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Daarnaast is iedere ondernemer wettelijk verplicht de administratie zeven jaar te bewaren. Bij het voeren van een deugdelijke boekhouding, als bedoeld in de hiervoor weergegeven bepalingen uit het BW, gaat het in ieder geval om basisgegevens als: - het grootboek; - de debiteuren- en crediteurenadministratie; - de voorraadadministratie; - de in- en verkoopadministratie; - de loonadministratie (bij personeel). Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen, worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat, als in geval van een faillissement de curator niet kan beschikken over een deugdelijke administratie, dit benadeling van de (faillissements-)schuldeisers met zich meebrengt. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 3 april 2015 blijkt dat verdachte op 29 januari 2013 de aandelen heeft verworven van Industrieservice en dat verdachte eigenaar en enig bestuurder van Industrieservice is geworden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij Industrieservice bewust op zijn naam heeft gezet en dat hij dit heeft gedaan om van zijn schulden af te komen. Verdachte wist dat er binnen deze BV illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en dat hij als katvanger zou fungeren. Hij heeft dit besproken met [medeverdachte 1] . In Industrieservice zouden goederen worden besteld die niet betaald gingen worden maar die wel aan anderen zouden worden doorverkocht. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat Industrieservice failliet zou worden verklaard. Nadat Industrieservice in staat van faillissement is verklaard, is verdachte gevraagd om de administratie van Industrieservice aan de curator te verstrekken. Verdachte heeft tegen de curator verklaard dat er geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Evenwel is in de bij de boekhouder aangetroffen administratie een document aangetroffen, gedateerd januari 2013 en ondertekend door verdachte, waarin staat dat verdachte de gehele boekhouding en administratie van onder meer Industrieservice heeft ontvangen. Verdachte heeft erkend dat hij deze verklaring heeft ondertekend, terwijl hij in werkelijkheid helemaal geen administratie van Industrieservice had ontvangen. Uiteindelijk heeft de curator geen administratie van Industrieservice gekregen van verdachte, noch van medeverdachte [medeverdachte 1] . Doordat er geen administratie aan de curator is verstrekt, heeft de curator niet kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement waren, en meer in zijn algemeenheid heeft hij de rechten en verplichtingen van Industrieservice niet kunnen vaststellen, waardoor de rechten van de schuldeisers zijn verkort. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat Industrieservice onder leiding van verdachte en tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van Industrieservice niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het BW. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: [Industrieservice] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 17 december 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 17 december 2013 tot en met 7 september 2015, in de gemeente Delfzijl en/of de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en - daartoe uitgenodigd en aangemaand door de curator - tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers als in dat artikel bedoeld, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging. De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede dat verdachte voor de duur van drie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.