vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer 08/960003-1 8 (LP) Datum vonnis: 10 december 201$ Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , thans in voorarrest verblijvende in het Huis van Bewaring [locatie] te [plaats 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 november 201$. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.W. van Damme en van wat door de raadsman van verdachte, mr. M.A.W. Nillesen. advocaat te ‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen van geldbedragen van respectievelijk € 1.033.445,- en €1.082.950,- (feit 1) en aan (schuld)witwassen van voornoemd geldbedrag van € 1.033.445,- door middel van de aankoop van een woning. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij, op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 201 7 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuÏd)witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders, een of meerdere (grote) geldbedrag(
- en)van: -1.033. 115,- euro (op 20 september 2017); en/of -1.082.950,- euro (in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017); verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt, althans de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd (grote) geldbedrag(en,) was en/of wie voornoemd(
- e)geldbedrag(
- en)voorhanden had, terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders,wist(
- en)althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat voornoemd(e,) geldbedrag(en,) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijft 2 hij, op omstreeks 21 september 2017 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders, een of meerdere (grote) geldbedrag(
- en)van: -1.540.000,- euro (ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 1] op 21 september 2017) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt, althans de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(
- e)(grote) geldbedrag(
- en)was en/of wie voornoemd(
- e)geldbedrag(en,) voorhanden had, terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat voornoemd(
- e)geldbedrag(
- en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4. 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De verdediging heeft subsidiair inzake feit 1 vrijspraak bepleit ten aanzien van de “ [omschrijving] ” en inzake feit 2 partieel vrijspraak bepleit van het onder het tweede gedachtestreepje genoemde bedrag. De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek gedaan om een aantal getuigen te (doen) horen, overeenkomstig zijn eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 4 september 2018. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het politieonderzoek1 is gestart naar aanleiding van meldingen in 2017 op grond van de Wet ongebruikelijke transacties. Dit betrof een door verdachte (met bankbiljetten van 100 euro) contant gedane betaling van €30.000,- op 21 juli 2017 aan [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] en een drietal (door de ING gesignaleerde) ongebruikelijke banktransacties inzake branchevreemde betalingen (voor een totaalbedrag van € 1.033.445,84) op 20 september 2017 van recyclingbedrijf [bedrijf 2] BV aan respectievelijk: - [bedrijf 3] BV ad € 365.195.84; - [bedrijf 4] BV ad € 333.450.-;- - [bedrijf 5] BV ad € 334.800,-2 Op 20 september 2017 is van elk van voornoemde bankrekeningen een geldbedrag van € 225.000,- overgemaakt naar de privé-bankrekening van verdachte bij de ING Bank. Op 21september 201 7 zijn de navolgende geldbedragen overgemaakt naar de privé- bankrekening van verdachte bij de ING Bank ( [rekeningnummer 1] ): 1. vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] BV; 2. € 108.450,- vanaf de bankrekening van [bedrijf 4] BV; 3. € 109.800,00 vanaf de bankrekening van [bedrijf 5] BV. Vanaf de bankrekeningen van verdachte bij de ING Bank ( [rekeningnummer 1] ) en de ABNAMRO Bank ( [rekeningnummer 2] ) zijn in de periode van 23 juni 2017 tot en met 21 september 2017 diverse geldbedragen, voor een totaalbedrag van € 1.595.198,39, overgemaakt naar de derdengeldrekening van notariskantoor [bedrijf 6] te [plaats 2] ten behoeve van de aankoop door verdachte van het pand, gelegen aan de [adres 1] , ten bedrage van € 1.540.000,-. Dit pand is op 21 september 2017 ten overstaan van notaris [bedrijf 6] door verkopers aan verdachte geleverd. Dit betreft de navolgende overboekingen: Bankrekening Datum Bedrag in euro [rekeningnummer 3] 23-06-2017 154.000,00 [rekeningnummer 3] 15-09-2017 80.000,00 [rekeningnummer 4] 15-09-2017 75.000,00 [rekeningnummer 3] 21-09-2017 372.000,00 [rekeningnummer 3] 21-09-2017 885.000,00 [rekeningnummer 4] 22-09-2017 30.000,00 [rekeningnummer 3] 22-09-2017 -801,61 Totaal 22-09-2017 1.595.198.39 1Proces-verbaal 26Ephraim-915 d.d. 9 augustus 2018 inzake onderzoek 26Ephraim / LEREA 17006 van Landelijke Eenheid. Dienst Landelijke Recherche 2 Proces-verbaalnummer 26Ephraim-599 (bijlage 35), pagina 704-705 Ten behoeve van de betaling van voornoemd totaalbedrag zijn behalve de eerdergenoemde gelden ad € 1.033.445,84 voor een totaalbedrag van circa € 560.000,- overboekingen gedaan vanaf de privé-bankrekeningen van verdachte. Daarbij is vastgesteld dat die betalingen kort daarvoor zijn voorafgegaan door overboekingen vanaf de bankrekeningen van respectievelijk [bedrijf 4] BV, [bedrijf 3] BV, en [bedrijf 5] BV, de bankrekening van zaalvoetbalvereniging [bedrijf 7] , alsmede de bankrekeningen van [naam 1] (zus van verdachte) en [naam 2] (zoon van verdachte). In het geval de contante bedragen op één of meer van bovenstaande rekeningen zijn gestort, werden de bedragen na storting geheel of gedeeltelijk (direct en/of indirect) doorgeboekt naar één van voornoemde privé-bankrekeningen van verdachte.3 In de periode van 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 hebben voor een totaalbedrag van € 1.082.950,- 117 verschillende contante geldstortingen plaatsgevonden op de navolgende bankrekeningen: - privérekening [verdachte] ING Bank: € 348.850,-; - privérekening [verdachte] ABNAMRO Bank: € 132.750,-; - - bankrekening [bedrijf 4] BV: € 262.450,-; - - bankrekening [bedrijf 3] BV: € 170.850,-;4 - - bankrekening [bedrijf 5] BV: € l68.050,-. Uit het opsporingsonderzoek blijkt voorts onder meer het navolgende: een groot deel van de contante geldstortingen op de bankrekening van de [bedrijven] -bedrijven is kort daarop overgeboekt naar de privé-bankrekeningen van verdachte5; voornoemde drie rechtspersonen [bedrijf 4] BV, [bedrijf 3] BV en [bedrijf 5] BV zijn op 5 juni 2014 ingeschreven in de Kamer van Koophandel met als omschrijving activiteit: “(Groot)handel in (onder andere) groenten en fruit; Markthandel in aardappelen, groenten en fruit”; [bedrijf 4] BV is (onder meer) gefinancierd met een bedrag van € 30.000,- dat op 9 juni 2014 is overgeboekt vanaf de privérekening van verdachte, welk geldbedrag enkele dagen eerder door middel van een contante geldstorting was bijgeschreven op de privérekening van verdachte; de activiteiten van voornoemde bedrijven zijn op 20 maart 2015 door de Kamer van Koophandel doorgehaald vanwege gebleken inactiviteit. Op 15 juni 2017 zijn voornoemde bedrijven uitgeschreven door de Kamer van Koophandel vanwege het ontbreken van bekende baten bij de rechtspersonen; behalve voornoemde bedrijven zijn op 5 juni 2014 bij de Kamer van Koophandel tevens ingeschreven [bedrijf 8] BV en Stichting [bedrijf 9] BV; voornoemde BV’s zijn eveneens uitgeschreven op 15 juni 2017; enig aandeelhouder van [bedrijf 3] BV was [bedrijf 4] BV, waarvan [bedrijf 5] BV weer enig aandeelhouder was; hiervan was [bedrijf 8] BV enig aandeelhouder; Stichting [bedrijf 9] was enig aandeelhouder was [bedrijf 8] BV; verdachte was bestuurder van Stichting [bedrijf 9] ;6 blijkens een door de Belastingdienst op 5 maart 2015 uitgevoerde controle op het vestigingsadres van de [bedrijven] -bedrjven op het [adres 2] is er na het per 23 oktober 2014 aangaan door verdachte van de huurovereenkomst van kantoorruimte ter plaatse geen bedrijfsactiviteit waargenomen, zijn de maandelijkse huurtermijnen niet voldaan, staat de kantoorruimte leeg en is verdachte aldaar sinds het afsluiten van het huurcontract niet meer gezien7; behoudens een door verdachte overgelegd overzicht van inkoopbedragen ter zake van containers met fruit is niet gebleken van andere nota’s/facturen, transportformulieren en dergelijke, welke betrekking kunnen hebben op de bedrijfsactiviteiten van de [bedrijven] -bedrjven; behoudens de facturen betreffende betalingen die gedaan zijn door [adres 3] is niet gebleken van andere (door)leveringen door de [bedrijven] -bedrijven ter zake van de (door)verkoop van die containers met fruit en/of de inhoud daarvan, welke mogelijk een (begin van een) verklaring zouden kunnen vormen voor de diverse contante geldstortingen die in de periode van 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven; door of namens verdachte zijn geen jaarrekeningen en/of andere bedrijfsmatige stukken en/of fiscale aangiften ingebracht.8 3Proces-verbaal 26Ephraim-917 (bijlage 34), pagina 67 1-678 4Proces-verbaal 26Ephraim-83 (voorgeleidingsdossier), pagina 6 5Proces-verbaal26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 457 6 Proces-verbaal 26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 452-453 7Proces-verbaal 26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 454-455 8 Proces-verbaal Ephraim-581 (bijlage 19), pagina 446-448 Is sprake van witwassen? De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel “uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat dit voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Daartoe zal allereerst moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring heeft voor de herkomst van het voorwerp. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand onwaarschijnlijk te zijn. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. In dit geval zijn geen specifieke misdrijven aan te duiden waaruit het geld afkomstig is geweest. Het strafblad van verdachte laat die conclusie niet toe en ook overigens valt verdachte niet in verband te brengen met concrete (eigen of andermans) misdaden. De rechtbank dient daarom te beoordelen of er feiten en omstandigheden zijn die doen vermoeden dat sprake is van het witwassen van crimineel geld, in casu geld dat middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank stelt in dat verband in de eerste plaats vast dat er sprake is van enkele kenmerken die naar ervaring duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven, zogenoemde witwastypologieën. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. De frequentie en de omvang van de contante geldstortingen is zeer ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan. De bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven zijn voornamelijk “gevoed” met contante geldstortingen, waarvan de herkomst onbekend is. Daarbij is sprake geweest van een systematiek van stortingen van contante gelden door middel van een derde persoon op diverse verschillende plaatsen en tijdstippen. Uit de frequentie van de geldstortingen op de bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven in combinatie met de omvang van de geldstortingen kan worden afgeleid dat het kennelijk de bedoeling was om de zogenaamde “rneldgrens” en/of legitimatieplicht bij de desbetreffende banken te ontduiken. Bij verdachte is bovendien een grote hoeveelheid contant geld van bijna € 96.000,- in niet gebruikelijke coupures aangetroffen alsmede een geldtelmachine. Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de contante geldstortingen. De rechtbank komt op basis van de inhoud van de dossierstukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen tot het oordeel dat verdachte geen verifieerbare gegevens heeft verstrekt die erop wijzen dat bovengenoemde geldbedragen uit de contante geldstortingen op legale wijze zijn verkregen en overweegt daaromtrent het navolgende. Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.082.950,- (contante stortingen op de privébankrekeningen van verdachte en de bankrekeningen van de [bedrijven] -bedrijven) Uit de inhoud van de dossierstukken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van bedrijfsactiviteiten door de [bedrijven] -bedrijven welke een verklaring kunnen vormen voor de diverse contante geldstortingen van substantiële omvang. Behoudens het door verdachte overgelegde overzicht van inkoopbedragen ter zake van containers met fruit is geen sluitende bedrijfsadministratie overgelegd en evenmin is gebleken van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou kunnen blijken van reguliere handelsactiviteiten en daarmee van legale inkomsten, welke de contante geldstortingen mogelijk zouden kunnen verklaren. De rechtbank stelt in dat verband vast dat verdachte uitsluitend voor wat betreft de leveringen aan [adres 3] aannemelijk heeft kunnen maken dat feitelijk sprake is geweest van levering van fruit. De verklaring van verdachte voor de contante geldstortingen van de gelden op de bankrekeningen van de [bedrijven] -bedrijven. zijnde de omzet van de [bedrijven] -bedrijven, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat die gelden een legale herkomst hebben. Daarbij klemt temeer dat verdachte pas ná daarover verschillende keren te zijn bevraagd heeft aangegeven dat de (fruit)containers door hem werden gekocht tegen 30% girale aanbetaling, en de overige 70% cash, en dat het gros van de betalingen aan verdachte contant werden verricht. Verdachte heeft voor het overige naar het oordeel van de rechtbank geen concrete, min of meer verifieerbare stukken overgelegd die erop (kunnen) duiden dat de contante geldstortingen afkomstig zijn uit (bedrijfs)activiteiten, zoals de doorverkoop van fruit, in ieder geval bedrijfsactiviteiten, in ieder geval een legale herkomst hebben. De rechtbank hecht in dit verband ook betekenis aan het feit dat – bijvoorbeeld - ter zake van de door verdachte gesteld doorverkoop van fruit aan de Aldi geen verkoopfactuur is overgelegd. Waar het gaat om verkoop van grote partijen fruit, aan professionele partijen, is het ongeloofwaardig dat dergelijke transacties contant en zonder facturen plaatsvinden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig, nu die verklaring niet of nauwelijks is onderbouwd en verantwoord met officiële stukken ter zake van de gevoerde reguliere handelsactiviteiten. Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.033.445.- ( [bedrijf 2] -betalingen) De stelling van verdachte dat voornoemd geldbedrag afkomstig is uit — kort samengevat — de opbrengsten van de levering van schroot aan [bedrijf 2] BV, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank acht het in dit verband van betekenis dat verdachte en [bedrijf 2] wisselende verklaringen hebben afgelegd, waarbij verdachte op onderdelen zijn verklaring aan die van [bedrijf 2] heeft aangepast in relatie tot onder meer de vervoersbewijzen die de levering van schroot met zich mee zou moeten brengen. Om te beginnen heeft verdachte vaag, wisselend en volstrekt onverifieerbaar verklaard over de herkomst en opslaglocatie van de (grote hoeveelheid) containers. De officier van justitie heeft er terecht op gewezen dat het vervoeren van de containers en het afval naar [bedrijf 2] een enorme logistieke operatie moet zijn geweest. Verdachte heeft echter geen enkel vervoersdocument kunnen overleggen waaruit mogelijk een begin van een voldoende concrete, verifieerbare verklaring zou kunnen volgen voor de door [bedrijf 2] gedane betalingen. Het door verdachte overgelegde overzicht van inkoopbedragen ter zake van containers met fruit acht de rechtbank daartoe volstrekt onvoldoende. Verder heeft verdachte verklaard dat de containers en het sloopafval aan hem in privé toekwamen, doch heeft hij zulks niet onderbouwd met enige (bedrijfs)administratie. Verdachte heeft echter geen aannemelijke verklaring gegeven voor de redenen om de betreffende betalingen over te (doen) maken op bankrekeningen van de drie verschillende [bedrijven] -bedrijven, in plaats van rechtstreeks op zijn privé-rekening. De rechtbank hecht daarbij betekenis aan de omstandigheid dat de [bedrijven] -bedrijven bedrijfsmatig al geruime tijd niet meer actief waren en formeel al waren ontbonden, zoals blijkt uit de gegevens van de Kamer van Koophandel, maar dat nog wel actief gebruik is gemaakt van de bankrekeningen ten behoeve van betaling van de [omschrijving] . Conclusie Aldus ontbreekt evenzo een voldoende concrete, min of meer verifieerbare verklaring voor de stortingen van die gelden ten gunste van de privébankrekeningen van verdachte bij de ING Bank en ABNAMRO Bank. Ook overigens biedt de inhoud van het strafdossier geen enkele aanwijzing dat bovengenoemde geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. De rechtbank stelt tenslotte vast dat verdachte geen (inkomens- en/of fiscale) stukken heeft willen of kunnen overleggen aangaande zijn volgens hem in Zwitserland ontvangen girale inkomsten uit arbeid. De rechtbank stelt derhalve ook die eventuele legale inkomstenbron als ongeloofwaardig terzijde. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat bovengenoemde geldbedragen van € 1.033.445,- en € 1.082.950,-, middellijk of onmiddellijk, uit misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de voornoemde omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat voornoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen van € 1.033.445,- en € 1.082.950,-, zoals onder 1 ten laste is gelegd. Uit het vorenstaande volgt voorts dat de aankoop van het onroerend goed aan de [adres 1] ad € 1.540.000,- heeft plaatsgevonden met crimineel geld en dat verdachte zich voor voornoemd bedrag heeft schuldig gemaakt aan witwassen, zoals onder 2 ten laste is gelegd. De rechtbank is op grond van het voren overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voorwaardelijk verzoek tot het (nader) horen van getuigen De rechtbank ziet geen aanleiding tot het (nader) horen van getuigen, zoals door de verdediging subsidiair is verzocht, nu de verklaringen van die getuigen niet voor het bewijs gebezigd worden. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: 1. hij op diverse tijdstippen in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of (één van,) zijn mededaders, meerdere grote geldbedragen van: -1. 033.145,- euro (op 20 september 2017), en -1.082.950,- euro (in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017), verworven en voorhanden gehad en van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten, dat voornoemde geldbedragen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf; 2. hij op 21 september 2017 te Amsterdam, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van,) zijn mededaders, een groot geldbedrag van: -1.540.000,- euro (ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 1] op 21 september 2017), verworven en overgedragen en omgezet en van voornoemd geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrij spreken. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is telkens strafbaar gesteld in de artikelen 420bis juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: Meerdaadse samenloop van: feit 1: het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en feit 2: liet misdrijf: witwassen. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor liet bewezen verklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit om ingeval van veroordeling van verdachte een gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die tilt liet dossier (waaronder de omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage) en tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij liet volgende van belang. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het structureel witwassen van omvangrijke geldbedragen, wat gericht is geweest op het veiligstellen van uit misdrijf afkomstige opbrengsten. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van liet financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop zijn van dergelijke witgewassen geldbedragen uit crimineel vermogen heeft een sterk corrumperende werking en daardoor wordt bovendien de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Op het witwassen staan dan ook hoge straffen. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 mei 2018 alsmede op het punitieve effect van verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, zoals hierna weergegeven. De rechtbank acht, alles afwegende, in dit geval oplegging van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. 7.4 De inbeslaggenomen voorwerpen De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: - - het onroerend registergoed [adres 1] ; - - een geldbedrag van € 95.845,00; - - een geldtelmachine dienen te worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerpen betreffen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan. 8. De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 33, 33a en 57 Sr. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - - - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; Strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: meerdaadse samenloop van: feit 1: het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en feit 2: het misdrijf: witwassen; Strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; Straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar; - - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; de inbeslaggenomen voorwerpen - verklaart verbeurd: - - het onroerend registergoed [adres 1] ; - - een geldbedrag van € 95.845,00; - - een geldtelmachine. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. K. Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak. griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2018.