vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/201323 / HA ZA 17-209 Vonnis van 22 mei 2019 in de zaak van [A] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschappen van [B] en [C] , kantoorhoudende te Borne, eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. A.J.A. Assink te Enschede, tegen [D] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. J.W. Stegeman te Almelo. Partijen zullen hierna de vereffenaar en [D] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 4 april 2018, - verklaring van depot van 23 april 2018, - de op 14 juni 2018 ten behoeve van de comparitie van partijen door de vereffenaar overgelegde productie 1 , het proces-verbaal van comparitie van 29 juni 2018, akte uitlating van de vereffenaar van 3 april
- 1.
- Daarnaast heeft de vereffenaar op 1 april 2019 een brief aan de rechtbank gestuurd, waarin hij heeft verzocht om - ter uitvoering van de grosse van de in het proces-verbaal van 29 juni 2018 vastgelegde tussen partijen gesloten overeenkomst - het certificaat als bedoeld in artikel 53 van de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: herschikte EEX-verordening). Bij mailbericht van 17 april 2019 heeft de rechtbank aan de vereffenaar bericht dit certificaat niet te kunnen verstrekken, omdat artikel 53 Herschikte EEX-verordening betrekking heeft op een (gerechtelijke) beslissing en niet op een tussen partijen overeengekomen schikking. 2.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie Eiswijziging, benoeming vereffenaar, gevorderde vereffeningskosten 2.
- De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 4 april 2018 over het toestaan van de eiswijziging en -vermeerdering, passering standpunten over benoeming vereffenaar en afwijzing bij eindvonnis van de gevorderde vereffeningskosten. Geldleningsovereenkomst 2.
- Ten aanzien van het geschil over de geldleningsovereenkomst (vordering I) hebben partijen ter comparitie van 29 juni 2018 een schikking getroffen, inhoudende - kort samengevat - dat [D] op uiterlijk 28 maart 2019 een bedrag van € 376.000,00 betaalt aan de vereffenaar. (Beweerdelijke) schenking 2.
- In het tussenvonnis van 4 april 2018 heeft de rechtbank voor de vorderingen die zien op de (beweerdelijke) schenking beslist dat [D] binnen 3 weken na tussenvonnis de volgende stukken diende te deponeren: - de originele akte van schenking van 3 februari 2011; - de originele akten van de getekende akkoordverklaring van 31 mei 2013, 12 september 2013, 27 september 2013 en 20 november
- Op 23 april 2018 heeft [D] deze documenten gedeponeerd bij de rechtbank. 2.
- Voorts heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat een comparitie wordt gelast om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten kenbaar te maken over de gedeponeerde schenkingsovereenkomst en akkoordverklaringen, waarbij de rechtbank ter comparitie ook andere inlichtingen over de zaak kon vragen en zou onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens konden worden. 2.
- Ter comparitie hebben partijen kenbaar gemaakt een schikking te hebben getroffen en hebben zij verzocht hiervan proces-verbaal op te laten maken, hetgeen is gebeurd ter comparitie van 29 juni
- In de schikking van partijen is onder andere het volgende vermeld; (…)
- De procedure bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, bekend onder zaaknummer C/08/201323 / HA ZA 17/209 wordt aangehouden tot 3 april
- Indien op 28 maart 2019 het bedrag ad € 376.000,00 door [D] volledig is betaald, dan trekken partijen hun vorderingen over een weer in en doen zij daarvan dan afstand;
- De vereffenaar en de erfgenamen doen, op voorwaarde dat op 28 maart 2019 het bedrag ad € 376.000,00 door [D] is betaald, afstand van de gestelde vorderingen op [D] uit hoofde van de schenking ad € 200.000,
- De schenking wordt dan niet langer betwist;
- [D] doet, op voorwaarde dat op 28 maart 2019 het bedrag ad € 376.000,00 door hem is betaald, en er door de erfgenamen en de vereffenaar afstand is gedaan van de vorderingen uit hoofde van de schenking, afstand van het nog niet betaalde deel van de schenking ad € 12.197,68; (…)
- Op voorwaarde dat [D] op uiterlijk 28 maart 2019 een bedrag ad € 376.000,00 heeft betaald aan de vereffenaar, hebben [D] enerzijds en de vereffenaar en de andere erfgenamen anderzijds over en weer niets meer van elkaar te vorderen en verlenen zij elkaar vrjjwaring en kwijting ten aanzien van de nalatenschappen van [B] en mevrouw [C] . Vanwege deze schikking heeft geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden ter comparitie en is de zaak verwezen naar de rolzitting van 3 april 2019 voor uitlating partijen. 2.
- De vereffenaar heeft op de roldatum 3 april 2019 bij akte gesteld dat [D] het bij schikking overeengekomen bedrag van € 376.000,00 niet heeft voldaan. De vereffenaar persisteert bij zijn stellingen dat de schenking tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden en dat de schenkingsovereenkomst(en) vernietigd dienen te worden en heeft tussenvonnis verzocht. 2.
- [D] heeft geen akte genomen of zich anderszins uitgelaten. 2.
- Nu de procedure wordt voortgezet wegens het niet voldoen van [D] van het in de schikking overeengekomen bedrag en op de comparitie geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden van het geschil over de (beweerdelijke) schenkingen, zal de rechtbank nogmaals een comparitie gelasten om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten kenbaar te maken over de gedeponeerde schenkingsovereenkomst en akkoordverklaringen, waarbij de rechtbank ter comparitie ook andere inlichtingen over de zaak kan vragen en zal onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 2.
- De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten. in reconventie 2.
- De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 4 april 2018 over de reconventionele vordering. 2.
- Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden. 3De beslissing De rechtbank in conventie 3.
- beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.E. Zweers, mr. H. Bottenberg- van Ommeren en mr. A.N. Kok in het gerechtsgebouw te Almelo aan Egbert Gorterstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd, 3.
- bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn, 3.
- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 5 juni 2019 voor het bepalen van dag en tijdstip waarop de comparitie van partijen zal plaatsvinden. Partijen hoeven niet aanwezig te zijn bij deze rolzitting. Partijen kunnen tot uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk 20 verhinderdata (of 40 verhinderingsdagdelen) opgeven voor de drie maanden volgend op genoemde rolzitting; 3.
- bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen, alsmede dat de comparitie zou kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien partijen bij hun opgave meer dan 20 verhinderdata (of 40 verhinderingsdagdelen) hebben opgegeven; 3.
- bepaalt dat de comparitie in beginsel niet zal worden uitgesteld nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald; 3.
- bepaalt dat partijen eventuele nadere stukken ten behoeve van de comparitie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij(en) moeten toesturen; 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan, in reconventie 3.
- houdt iedere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Kok, mr. A.E. Zweers en mr. H. Bottenberg- van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.