beslissing RECHTBANK OVERIJSSEL Wrakingskamer Zittingsplaats Zwolle zaaknummer: 230742 KGRK 19-189 Beslissing van 25 april 2019 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [adres] , verzoeker tot wraking, gemachtigde: mr. H.M. van Vliet. 1De procedure 1.
- Op 22 maart 2019 heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting het verzoek tot wraking gedaan van mr. J.W.M. Bunt, bestuursrechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de verzetzaak die is geregistreerd onder nummer Awb 18/
- 1.
- Mr. Bunt heeft niet berust in de wraking. 2Het wrakingsverzoek Aan het verzoek tot wraking is – samengevat – ten grondslag gelegd dat mr. Bunt partijdig is omdat hij verzoeker niet de gelegenheid heeft gegeven om aanvullende jurisprudentie aan te leveren.. Aanvullend heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat hij wel weet dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen, maar dat er dan een nieuwe behandeling van de zaak zal moeten plaatsvinden en hij dan alsnog de door hem gewenste uitspraken kan indienen. 3Het standpunt van mr. Bunt Volgens mr. Bunt heeft verzoeker voldoende gelegenheid gehad om zijn verzet nader te onderbouwen. Vanaf het moment van indiening van het verzetschrift (16 november 2018) tot tien dagen voor de zitting had hij de gelegenheid om nadere stukken in het geding te brengen. Ook ter zitting konden er van de zijde van verzoeker nog stukken worden ingediend dan wel bestond er voor hem de mogelijkheid om op een andere wijze een nadere onderbouwing van zijn standpunt te geven. Daarnaast is mr. Bunt van mening dat hij duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij zich nog geen (eind)oordeel van de zaak had gevormd, wat ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt. Uit de bewoordingen van de gemachtigde maakt mr. Bunt op dat het wrakingsverzoek ten onrechte is gedaan, want met het doel om op die manier tijd en gelegenheid te creëren om alsnog nadere stukken/onderbouwing aan het dossier toe te kunnen voegen. 4De beoordeling 4.
- Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval is, moet objectief gerechtvaardigd zijn. Dat betekent dat er concrete feiten en omstandigheden moeten zijn waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. 4.
- De wrakingskamer ziet aanleiding het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting af te wijzen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid als bedoeld in artikel 9.1 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Uit de toelichting op het wrakingsverzoek kan niet anders worden afgeleid dan dat het verzoek alleen is gedaan om te bewerkstelligen dat de behandeling van de verzetzaak zou worden geschorst en er op die manier alsnog de gelegenheid zou ontstaan voor verzoeker om jurisprudentie ter ondersteuning van zijn standpunt aan te leveren. Naar het oordeel van de wrakingskamer is hiermee sprake van kennelijk misbruik van recht als bedoeld in onderdeel i. van artikel 9.
- 5De beslissing De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, W.J.B. Cornelissen en S. Taalman in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.D. Moeke en in het openbaar uitgesproken op 25 april
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.