← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2019:3785

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/963562-16 (P) Datum vonnis: 22 oktober 2019 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1958 in [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2019. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J. Bruins, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 8 oktober 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich primair heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, subsidiair aan schuldwitwassen en meer subsidiair aan het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: primair zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 19 april 2017, te Landgraaf , en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen een of meer (aanzienlijke) geldbedrag(

  1. en)en/of (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(
  2. en)bitcoin(
  3. s)(voor een totaal bedrag van ongeveer 3.594.634,56 euro, althans enig geldbedrag), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die een of meer (aanzienlijke) geldbedrag(
  4. en)en/of (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(
  5. en)bitcoin(
  6. s)gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(
  7. s)wist(
  8. en)die/dat geldbedrag(
  9. en)en/of bitocin(
  10. s)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; subsidiair zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 19 april 2017, te Landgraaf en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen een of meer (aanzienlijke) geldbedrag(
  11. en)en/of (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(
  12. en)bitcoin(
  13. s)(voor een totaalbedrag van 3.594.634,56 euro) heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl zij en/of haar mededader(
  14. s)redelijkerwijs moest(
  15. en)vermoeden dat die geldbedrag(
  16. en)en/of bitcoin(
  17. s)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; meer subsidiair zij in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 19 april 2017 te Landgraaf en/of elders in Nederland meermalen, althans eenmaal, opzettelijk uit de opbrengst van (een) door misdrijf verkregen goed(eren), te weten een of meer (aanzienlijke) geldbedrag(
  18. en)en/of (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(
  19. en)bitcoin(s), voordeel heeft getrokken door gebruik te maken van met die/dat geldbedrag(
  20. en)gekochte motorvoertuig(en), woning(
  21. en)en/of een of meer ander(
  22. e)goed(eren). 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte een dusdanig grote rol heeft gehad dat van medeplegen van (schuld)witwassen sprake kan zijn. De rechtbank acht voorts niet bewezen wat aan verdachte meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat het niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte er wetenschap van heeft gehad dat de opbrengst afkomstig was van uit misdrijf verkregen goederen. 5De inbeslaggenomen voorwerpen De rechtbank overweegt dat de [medeverdachte] heeft verklaard dat de geldbedragen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 5 (te weten geldbedragen à € 5.000,-, € 2.000,-. € 2.100,-, € 17.000,- en € 500,-) handelsgeld betreffen. Het beslag op deze geldbedragen is zowel ten laste van verdachte als ten laste van [medeverdachte] gelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze geldbedragen dienen te worden teruggegeven aan de medeverdachte, met dien verstande dat deze geldbedragen in het vonnis van de medeverdachte d.d. 22 oktober 2019 zijn verbeurdverklaard. De rechtbank overweegt dat de 3 appartementen aan [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats 1] (nummer 13 op de beslaglijst) aan verdachte zouden moeten worden teruggegeven, nu zij is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Op voornoemde appartementen is echter ook beslag gelegd ten laste van haar [medeverdachte] . Zij zijn beiden, ieder voor een deel, eigenaar van de appartementen. Nu de appartementen in de zaak tegen [medeverdachte] vandaag verbeurd zijn verklaard, komt aan verdachte mogelijk een vergoeding toe als bedoeld in artikel 33c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij de beoordeling van die vergoeding is niet alleen van belang de waarde van de appartementen en het eigendomsaandeel van verdachte, maar ook dat de veroordeling tot verbeurdverklaring in de zaak tegen de medeverdachte onherroepelijk is. Op dat moment kan immers pas worden vastgesteld of verdachte (onevenredig) is getroffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de appartementen niet kunnen worden teruggegeven aan de deels rechthebbende verdachte en dat aan haar ook nog geen vergoeding als bedoeld in artikel 33c lid 2 Sr kan worden toegekend, zodat verdachte in deze de weg van artikel 552a Sv danwel via de burgerlijk rechter dient te bewandelen. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde nummers 6 tot en met 12 (te weten het woonhuis aan [adres 5] , [garageboxen] , de woonhuizen aan [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] te [plaats 2] en een berging/stalling aan [adres 6] ), aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. 6De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij; de inbeslaggenomen voorwerpen - gelast de teruggave van de geldbedragen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 5 (te weten geldbedragen à € 5.000,-, € 2.000,-. € 2.100,-, € 17.000,- en € 500,-) aan de rechthebbende; - gelast de teruggave van de op de beslaglijst vermelde nummers 6 tot en met 12 (te weten het woonhuis aan [adres 5] , [garageboxen] , de woonhuizen aan [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] te [plaats 2] en een berging/stalling aan [adres 6] ) aan verdachte, voor zover deze goederen aan haar in eigendom toebehoren. Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. H.R. Schimmel en mr. C.H. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019. Buiten staat Mr. Dijkstra is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.