RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer : 8084793 \ CV EXPL 19-3454 (sd) Vonnis in kort geding van 5 november 2019 in de zaak van [eiser] ,wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiser] , procederend in persoon, tegen de stichting STADSBANK OOST NEDERLAND, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar],gevestigd en kantoorhoudende te Enschede, gedaagde partij, hierna te noemen ‘de Stadsbank’ respectievelijk ‘ [de schuldenaar] ’,ter zitting vertegenwoordigd door de bewindvoerder [A] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 oktober 2019, - de conclusie van antwoord van de Stadsbank inclusief producties van 10 oktober 2019, - de mondelinge behandeling van 29 oktober
- [eiser] is verschenen. Verder is [A] , de huidige bewindvoerder van [de schuldenaar] , verschenen. [de schuldenaar] is niet verschenen. De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken, aantekeningen gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Bij beschikking van 28 juli 2014 van de kantonrechter van deze rechtbank is bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de schuldenaar] en is de Stadsbank tot bewindvoerder benoemd. 2.
- [eiser] heeft met [de schuldenaar] op 26 juni 2019 een huurovereenkomst gesloten, ingaande op 1 juli 2019, met betrekking tot de woning met aanhorigheden aan [het adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 760,00 per maand. 2.
- De huurachterstand tot en met 9 oktober 2019 bedraagt € 1.520,
- 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat – de Stadsbank als bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.520,00, te vermeerderen met de kosten van de procedure, en de Stadsbank in de hoedanigheid van bewindvoerder te veroordelen de woning per omgaande te verlaten. [eiser] vordert daarnaast een bedrag van € 200,00 ter zake kosten van de dagvaarding. 3.
- De Stadsbank voert verweer. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken huurder kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn oordeel wordt gevraagd) de huurder tot ontruiming zal veroordelen. 4.
- Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat de huurachterstand inmiddels drie maanden bedraagt, omdat de huur voor de maand november 2019 ook niet (tijdig) is betaald. Dit is door de Stadsbank niet weersproken. 4.
- De bewindvoerder heeft zich verzet tegen de gevorderde ontruiming van de woning. Volgens de Stadsbank heeft [de schuldenaar] sinds februari 2019 geen bijstandsuitkering meer. De gevorderde ontruiming is ingrijpend voor [de schuldenaar] , omdat er zonder woning/vast adres geen recht is op een bijstandsuitkering. De bijstandsuitkering moet nog aangevraagd worden. Dat kan pas als [de schuldenaar] een ID-kaart heeft. Daar is geen geld voor. Ten slotte heeft de Stadsbank verklaard dat [de schuldenaar] te maken heeft met (verslavings)problematiek. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat de huurachterstand van [de schuldenaar] van drie maanden toewijzing van de vordering tot ontruiming van de woning rechtvaardigt. De onder 4.
- genoemde omstandigheden brengen de kantonrechter niet tot een ander oordeel. Nog los van de vraag of het belang van [de schuldenaar] zo zwaar weegt dat dit [eiser] tegengeworpen kan worden, geldt dat het gelet op de huidige situatie van [de schuldenaar] onaannemelijk is dat de lopende huur op afzienbare termijn betaald kan worden, laat staan dat de huurachterstand ingelopen kan worden. De kantonrechter ziet daarom voorshands voldoende gronden de vordering tot ontruiming toe te wijzen. 4.
- De vordering ter zake van de achterstallige huur tot en met 9 oktober 2019 van € 1.520,00 zal als onbetwist eveneens worden toegewezen. 4.
- Omdat [de schuldenaar] onder bewind staat, zal de Stadsbank in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] worden veroordeeld tot ontruiming, waarbij de kantonrechter opmerkt dat dit niets afdoet aan het feit dat [de schuldenaar] als materiële procespartij aan de ontruiming gebonden is. 4.
- De kantonrechter ziet in de persoonlijke omstandigheden van [de schuldenaar] aanleiding de ontruimingstermijn op vier weken te stellen, zodat hij nog enige tijd heeft om (tijdelijke) alternatieve woonruimte te zoeken. 4.
- De Stadsbank zal in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op € 331,99, bestaande uit de griffierechten van € 231,00 en de explootkosten van € 100,
- 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt de Stadsbank in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] om binnen vier weken na betekening van het vonnis de woning met aanhorigheden aan [het adres] te [woonplaats] te ontruimen; 5.
- veroordeelt de Stadsbank in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.520,00; 5.
- veroordeelt de Stadsbank in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de schuldenaar] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 331,99; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.