RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer 08-097686-19 (P) Datum vonnis: 6 december 2019 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 november 2019. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Waterman en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Borne, naar voren is gebracht. Tevens is namens de benadeelde partij gehoord [naam 1] , verbonden aan slachtofferhulp Nederland. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om seksueel binnen te dringen bij iemand onder de twaalf jaar, dan wel ontuchtige handelingen heeft gepleegd met iemand onder de zestien jaar. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 11 april 2019 te Rijssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 2015, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen te plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] op diens rug op de grond neergelegd en/of is (vervolgens) bovenop het (boven)lichaam van die [slachtoffer] gaan zitten en/of heeft (daarbij) zijn, verdachtes, penis ontbloot en/of (vervolgens) zijn ontblote penis op/tegen de mond van die [slachtoffer] gedrukt/geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 april 2019 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het duwen/drukken van zijn, verdachtes, ontblote penis op/tegen de mond van die [slachtoffer] . 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is geen sprake van vrijwillige terugtred zoals door de raadsvrouw is aangevoerd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte zijn penis op/tegen de mond van het slachtoffer heeft geduwd/gedrukt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte het slachtoffer (destijds net vier jaar oud) op 11 april 2019 in Rijssen mee de bosjes in heeft genomen en het slachtoffer op zijn rug heeft gelegd. Verdachte had zijn knieën aan weerskanten van het slachtoffer en zat boven diens borst. Als hij naar beneden keek zag hij het gezicht van het slachtoffer. Vervolgens heeft verdachte de gulp van zijn, verdachtes, broek opengemaakt en zijn penis uit zijn broek gehaald. Het geslachtsdeel van verdachte is niet in de mond van het slachtoffer geweest. Het slachtoffer begon met zijn hoofd heen en weer te gaan en moest huilen, waarna verdachte is weggegaan. Ten aanzien van het duwen/drukken van verdachtes penis op/tegen de mond van het slachtoffer overweegt de rechtbank dat het slachtoffer bij herhaling heeft gezegd dat hij aan de piemel van verdachte moest ruiken en dat hij het heel vies vond. Daaruit volgt dat verdachte zijn penis in de richting van de neus (en dus mond) van het slachtoffer heeft bewogen en de penis van verdachte in de onmiddellijke nabijheid van de neus (en dus mond) van het slachtoffer is geweest. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en zijn penis in de mond van het slachtoffer wilde steken. Gelet op deze specifieke omstandigheden legt de rechtbank voornoemde handelingen van verdachte uit als het op/tegen de mond duwen van zijn, verdachtes, penis. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: hij op 11 april 2019 te Rijssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen te plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , die [slachtoffer] op diens rug op de grond heeft neergelegd en (vervolgens) bovenop het (boven)lichaam van die [slachtoffer] is gaan zitten en (daarbij) zijn, verdachtes, penis heeft ontbloot en vervolgens zijn ontblote penis op/tegen de mond van die [slachtoffer] heeft gedrukt/geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 244 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsvrouw heeft betoogd dat er sprake is van vrijwillige terugtred en verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Immers, verdachte is gestopt door het tegenstribbelen van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vrijwillige terugtred aan de zijde van verdachte. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat het door verdachte voorgenomen seksueel binnendringen niet is voltooid doordat het slachtoffer met zijn hoofd heen en weer is gaan bewegen en is gaan huilen, zodat niet aannemelijk is geworden dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van verdachte afhankelijk. Er is derhalve geen sprake van vrijwillige terugtred, doch van een strafbare poging tot seksueel binnendringen. De rechtbank verwerpt het verweer. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: poging tot met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft onder toepassing van het adolescentenstrafrecht en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte gevorderd aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden op te leggen met een proeftijd van twee jaren, waarbij de bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd, met dien verstande dat daaraan de volgende voorwaarden worden toegevoegd: een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de [adres 2] , [adres 3] [adres 4] en de school van het slachtoffer in Rijssen. De officier van justitie vordert het contact- en het locatieverbod uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uur op te leggen, met aftrek. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring het feit verminderd aan verdachte moet worden toegerekend en het adolescentenstrafrecht toegepast dient te worden. Tevens heeft zij verzocht aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, waaraan de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Tegen het verzochte locatieverbod bestaat bezwaar omdat het onevenredig belastend is voor verdachte. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft een klein en kwetsbaar jongetje meegenomen naar een afgelegen plek en is daar over het jongetje heen gaan zitten waarbij verdachte zijn piemel dicht bij de mond van het jongetje heeft gehouden met de bedoeling zijn piemel in de mond van het jongetje te stoppen. Gelukkig is het niet tot verdergaande seksuele handelingen gekomen en is het bij een poging tot seksueel binnendringen gebleven omdat het jongetje zijn hoofd heen en weer bewoog en begon te huilen waarna verdachte het huilende jongetje heeft achtergelaten. Een getuige kwam het jongetje tegen en heeft zich over hem ontfermd en hem naar zijn moeder gebracht. Verdachte heeft door aldus te handelen de lichamelijk integriteit van een zeer jong en weerloos kind geschonden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer de eerste maanden na het voorval het gebeuren nog vaak ter sprake bracht. Hoewel het nu goed lijkt te gaan met het slachtoffer, valt niet uit te sluiten dat hij op een later moment nadelige gevolgen zal ondervinden van dit voorval. Daarnaast brengt een feit als dit gevoelens van onveiligheid teweeg en onrust in een buurt waar veel kleine kinderen wonen. Een dergelijk incident is de schrik van elke ouder. Uit het hierna overwogene volgt dat de rechtbank het advies van de deskundige, te weten: het feit kan verdachte in verminderde mate worden toegerekend, overneemt en tot het hare maakt. Verdachte kon het strafbare van zijn handelen dus deels wel inzien en had dat ook moeten doen. Dat hij dat niet gedaan heeft en zijn eigen behoeftebevrediging boven het welzijn van een klein jongetje heeft gesteld neemt de rechtbank hem kwalijk. De rechtbank heeft kennis genomen van een Pro Justitia rapport van 31 juli 2019, opgemaakt door J. Hamel, GZ-psycholoog, waaruit onder meer blijkt, samengevat, dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, waarbij met name zijn sociaal emotionele ontwikkeling fors achterloopt op zijn kalenderleeftijd. Verdachte heeft geen aansluiting bij leeftijdsgenoten, heeft een laag zelfbeeld en weinig zelfvertrouwen. Daarnaast is zijn woedebeheersing een punt van aandacht. Op cognitief gebied is er sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, waarbij hij verbaal op een laaggemiddeld niveau functioneert en performaal op begaafd niveau. De enorme afweer die verdachte toont bij het (pogen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.