RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer 08-910011-18 (P) Datum vonnis: 20 december 2019 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] , nu verblijvende in P.I. Overijssel - HvB Zwolle te Zwolle. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 en 21 december 2018, 18 maart 2019, 3 september 2019, 29 oktober 2019, 11 november 2019, 12 november 2019 en 6 december
(7)patronen (9x19mm volmantel), voorhanden heeft gehad; 3 hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, opzettelijk met een automatisch vuurwapen dertig, althans een groot aantal (zwaar kaliber) kogels heeft afgevuurd op een woning aan de [adres 1] door een of meer ruiten van de beneden- en/of bovenverdieping van die woning en/of daarbij de benedenverdieping van die woning met deze kogels doorzeefd heeft, in welke woning, op zowel de beneden- als de bovenverdieping, voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, opzettelijk met een automatisch vuurwapen dertig, althans een groot aantal (zwaar kaliber) kogels heeft afgevuurd op een woning aan de [adres 1] door een of meer ruiten van de beneden- en/of bovenverdieping van die woning en/of daarbij de benedenverdieping van die woning met deze kogels doorzeefd heeft, in welke woning, op zowel de beneden- als de bovenverdieping, voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een automatisch vuurwapen dertig, althans een groot aantal (zwaar kaliber) kogels heeft afgevuurd op een woning aan de [adres 1] door een of meer ruiten van de beneden- en/of bovenverdieping van die woning en/of daarbij de benedenverdieping van die woning met deze kogels doorzeefd heeft, in welke woning, op zowel de beneden- als de bovenverdieping, voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een of meer andere personen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, immers heeft verdachte en/of verdachte's mededader, met een automatisch vuurwapen, zes, althans meerdere (zwaar kaliber) kogels afgevuurd op [loungeclub] aan de [adres 2] en/of door een of meer ruiten en/of deuren van die club, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een of meer andere personen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte en/of verdachte's mededader, met een automatisch vuurwapen, zes, althans meerdere (zwaar kaliber) kogels afgevuurd op [loungeclub] aan de [adres 2] en/of door een of meer ruiten èn/of deuren van die club, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 2] en/of A. [slachtoffer 2] en/of een of meer andere geregelde bezoekers van [loungeclub] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een automatisch vuurwapen zes, althans meerdere (zwaar kaliber) kogels af te vuren op [loungeclub] aan de [adres 2] en/of door een of meer ruiten èn/of deuren van die club; 5 hij op of omstreeks 19 september 2017, te Almelo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 7] en/of haar zoon [slachtoffer 8] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan de [adres 3] en/of door een of meer ruiten van de beneden- en bovenverdieping van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat N.N. op of omstreeks 19 september 2017, te Almelo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die N.N. voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 7] en/of haar zoon [slachtoffer 8] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft die N.N. en/of diens mededader(s), met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op een woning aan de [adres 3] en/of door een of meer ruiten van de beneden- en/of bovenverdieping van een woning aan de [adres 3] , in welke woning voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 19 september 2017, te Almelo, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door -middels telefonisch bericht, in de vorm van een "screenshot"(schermfoto)- informatie te krijgen over voornoemd pand aan de [adres 3] en/of (vervolgens) een of meerdere malen in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of dat pand heeft geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie heeft doorgegeven; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 19 september 2017, te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten (poging tot) moord en/of doodslag en/of zware mishandeling al dan niet met voorbedachte rade op/van de bewoners(
- s)van de woning aan de [adres 3] te Almelo, in vereniging gepleegd, opzettelijk een telefonisch bericht, in de vorm van een screenshot (schermfoto) met daarin vermeld het adres van de [adres 3] Almelo bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad en/of in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of dat pand en/of de bewoners heeft geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie, bestemd voor het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 19 september 2017, te Almelo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 7] en/of haar zoon [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan de [adres 3] en/of door een of meer ruiten van de beneden- en bovenverdieping van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat N.N. op of omstreeks 19 september 2017, te Almelo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 7] en/of haar zoon [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan de [adres 3] en/of door een of meer ruiten van de beneden- en bovenverdieping van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 19 september 2017, te Almelo, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door -middels telefonisch bericht, in de vorm van een "screenshot"(schermfoto)- informatie te krijgen over voornoemd pand aan de [adres 3] en/of (vervolgens) een of meerdere malen in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of dat pand heeft geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie heeft doorgegeven; 6 hij op of omstreeks 18 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan [adres 4] en/of door een rolluik en/of een of meer ruiten van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 6 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat N.N. op of omstreeks 18 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die N.N. voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft die N.N. en/of diens mededader, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op een woning en/of door een rolluik en/of of meer ruiten van een woning aan de [adres 4] , in welke woning voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 18 september 2017, te Enschede, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door middels telefonisch bericht, in de vorm van een screenshot (schermfoto) informatie te krijgen en te bewaren over een woning aan de [adres 5] Enschede en een omschrijving van de woning op [adres 4] van die straat en een opdracht tot het observeren van die woning en/of in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie heeft doorgegeven; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 6 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 18 september 2017, te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten (poging tot) moord en/of doodslag en/of zware mishandeling, al dan niet met voorbedachte rade op de bewoner(
- s)van de woning aan de [adres 4] te Enschede, in vereniging gepleegd, opzettelijk een telefonisch bericht, in de vorm van een screenshot (schermfoto), met daarin vermeld het adres van de [adres 5] en een omschrijving van de woning op [adres 4] van die straat en een opdracht tot het observeren van die woning bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad en/of in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie, bestemd voor het begaan van dat misdrijf, heeft doorgegeven; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 6 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat hij op of omstreeks 18 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan de [adres 4] en/of door een rolluik en/of een of meer ruiten van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden; ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 6 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat N.N. op of omstreeks 18 september 2017 te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op een woning aan de [adres 4] en/of door een rolluik en/of een of meer ruiten van die woning, in welke woning voornoemde personen zich bevonden; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 18 september 2017, te Enschede, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door middels telefonisch bericht informatie te krijgen en te bewaren over voornoemd pand aan de [adres 5] Enschede en een omschrijving van de woning op [adres 4] van die straat en een opdracht tot het observeren van die woning en/of in de nabijheid van dat pand heeft gepost en/of geobserveerd en/of de daardoor verkregen informatie heeft doorgegeven. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4. De bewijsoverwegingen Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Algemene inleiding Naar aanleiding van een serie gewelddadige gebeurtenissen in Twente gepleegd in de loop van het jaar 2017, zijn door de politie onderzoeken ingesteld. Volgens het Openbaar Ministerie zijn deze gewelddadige incidenten begonnen met een aanslag op een man in Enschede op 31 januari 2017, gevolgd door een aanslag op een Enschedese kapper op 2 februari 2017 en een aanslag op een man in Gronau op 24 mei 2017 en is het geëindigd – wat onderhavig onderzoek betreft – met nachtelijk vuurwapengeweld gericht op een drietal bewoonde woningen in Almelo en Enschede en op een Enschedese horecagelegenheid in de maand september 2017. Dat deze aanslagen hebben plaatsgevonden staat niet ter discussie. De vraag die voorligt, is of de personen jegens wie door het Openbaar Ministerie vervolging is ingesteld, zijnde verdachte en zijn broer medeverdachte [medeverdachte] , ook daadwerkelijk bij deze stroom aan gewelddadigheden betrokken zijn geweest en zo ja, hoe deze betrokkenheid gekwalificeerd kan worden. Voordat de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde feiten zal bespreken, zal eerst worden ingegaan op de – betwiste – betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 1] . 4.1 De verklaringen van [getuige 1] 4.1.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie achten de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar en hebben ten aanzien hiervan aangevoerd dat [getuige 1] zijn verklaringen in verhoor bij de rechter-commissaris heeft bevestigd en nader heeft toegelicht en dat zijn verklaringen steun vinden in technisch bewijs en getuigenverklaringen. 4.1.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] van generlei waarde zijn nu [getuige 1] verdachte nog nooit heeft gezien en nu hij niet meer dan vage verklaringen heeft afgelegd met informatie die hij via via, te weten van de broer van verdachte – medeverdachte [medeverdachte] –, heeft verkregen. Bovendien zijn de verklaringen van [getuige 1] aan elkaar geknoopt met eigen conclusies. Zij betwist dat sprake is van betrouwbare en consistente verklaringen van [getuige 1] . 4.1.3 Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar en geloofwaardig. Dit oordeel berust op een aantal pijlers. In de eerste plaats ziet het op de verklaringen van [getuige 1] over het plaatsvinden van een ‘rechtbankje’; een soort Satudarah-tribunaal waarbij medeverdachte [medeverdachte] is ondervraagd over zijn betrokkenheid bij een aantal gewelddadige incidenten jegens personen die een binding hebben met Satudarah. Dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 18 september 2017 in een pand aan de [adres 6] in Enschede vindt onder meer steun in technisch bewijs, zoals zendmastgegevens, bevindingen van de politie als ook in de telefoongegevens en appgespreken van medeverdachte [medeverdachte] zelf. [getuige 1] ’s verklaring voor zijn eigen aanwezigheid daar is plausibel, evenals zijn verklaring voor de aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte] . Dat medeverdachte [medeverdachte] bij die gelegenheid aanwezig is geweest is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan. Dat hij toen is ondervraagd over zijn rol – en die van anderen - bij onderhavige incidenten acht de rechtbank zeer aannemelijk. Inhoudelijk vindt hetgeen [getuige 1] verklaart over de inhoud van de mededelingen van [medeverdachte] grotendeels steun in andere verklaringen en bevindingen van het politieonderzoek. Daarnaast stond [getuige 1] , binnen dit milieu waarin kennelijk aanleiding is gezien tot de eerder genoemde stroom van geweld, op min of meer vriendschappelijke voet met personen afkomstig uit de diverse partijen die een rol spelen in/bij de incidenten. Deze positie levert eveneens een plausibele reden van wetenschap op en draagt bij aan de geloofwaardigheid van de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen van [getuige 1] . De verklaringen van [getuige 1] vinden bovendien op essentiële punten steun in andere bewijsmiddelen, terwijl [getuige 1] van de inhoud van die bewijsmiddelen geen kennis heeft kunnen nemen op het moment van het afleggen van zijn verklaringen. [getuige 1] heeft ook zeer kort, te weten vier dagen, na de pleegdatum gedetailleerd verklaard over de beschietingen bij [loungeclub] en de Benkoelenstraat en de vermeende daders, welke informatie op dat moment niet algemeen bekend was. Dat de verklaringen van [getuige 1] niet op alle punten consistent zijn, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de geloofwaardigheid niet af. Daar komt bij dat op basis van het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat [getuige 1] bij het afleggen van zijn verklaringen andere motieven hebben voorop gestaan dan het naar waarheid verklaren. [getuige 1] heeft verklaard dat deze vormen van geweld – tegen onschuldigen – hem veel te ver gingen en dat dit voor hem aanleiding was om met de politie te gaan praten. [getuige 1] kende de verdachte [verdachte] niet en medeverdachte [medeverdachte] alleen van gezicht. Dat hij enige reden zou hebben om valse verklaringen over de verdachte en zijn broer af te leggen is niet gebleken. 4.2 Feit 1 en feit 2 Gronau 4.2.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 1] . De officieren van justitie achten op gronden in het requisitoir nader uiteengezet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 24 mei 2017 in Gronau met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op deze [slachtoffer 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat het uiteindelijke doel was om een aanslag te plegen op [naam 1] – vanwege een vermeende affaire – waartoe meerdere mensen zijn benaderd voor uitvoering van deze opdracht, aldus de officieren van justitie. Verdachte heeft deze opdracht aangenomen en uitgevoerd. Het met een vuurwapen meermalen kogels afvuren op een persoon die in zijn auto zit, is volgens de officieren van justitie naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer op gericht om die persoon van het leven te beroven dat sprake is van vol opzet op de dood. Daarbij is nog van belang dat de aanslag door verdachte in opdracht en tegen betaling is verricht en was bedoeld als wraakactie tegen [naam 1] , als ook dat gebruik is gemaakt van een gestolen voertuig en dat verdachte het voertuig van het slachtoffer, dat was voorzien van een peilbaken, gedurende langere tijd heeft achtervolgd en het feit dat verdachte zich een wapen heeft moeten verschaffen en in de auto heeft meegenomen. De officieren van justitie hebben gesteld dat er meer momenten waren waarop verdachte had kunnen nadenken en heroverwegen of hij het plan, de aangenomen opdracht, zou doorzetten of niet en dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid had om na te denken over wat hij ging doen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Dit maakt dat er sprake is van voorbedachte rade. Dat niet duidelijk is geworden of er sprake is van een persoonsverwisseling of een bewuste aanslag op de broer van [naam 1] uit wraak, doet volgens de officieren van justitie niet af aan de voorbedachten rade. De officieren van justitie hebben voorts betoogd dat uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering naar voren komt dat verdachte niet alleen heeft gehandeld maar in opdracht, dat verdachte op essentiële punten nauw heeft samengewerkt met anderen en dat aldus sprake is van medeplegen. De officieren van justitie hebben voorts het standpunt ingenomen dat uit de bewijsmiddelen tevens kan worden afgeleid dat verdachte het onder feit 2 genoemde wapen, zijnde het wapen waarmee op [slachtoffer 1] is geschoten, voorhanden heeft gehad. 4.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er redenen zijn om aan te nemen dat verdachte in opdracht klusjes deed, maar dat verdachte niet degene is die in Gronau op [slachtoffer 1] heeft geschoten in de nacht van 23 op 24 mei 2017. De raadsvrouw heeft betoogd dat zelfs als de rechtbank de overtuiging heeft dat verdachte de dader is, er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is, omdat verdachte niet kan worden gelinkt aan de plaats delict op de bewuste dag en tijd. Mogelijk heeft verdachte het wapen waarmee is geschoten in handen gehad, heeft hij gereden in de bewuste BMW die die nacht in Gronau is gezien en heeft verdachte achter een auto aan gereden waar een peilbaken onder zat. Deze feiten zijn echter niet geconstateerd in de nacht van 23 op 24 mei 2017. Verdachte voldoet bovendien niet aan het signalement van de schutter. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, wanneer het betreffende wapen veertien maanden na het delict is aangetroffen met een DNA-mengprofiel dat het DNA van verdachte bevat, niet is komen vast te staan dat verdachte dit wapen op 24 mei 2017 voorhanden heeft gehad. 4.2.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet zich in deze gesteld voor een aantal vragen. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of verdachte, al dan niet samen met anderen, betrokken is bij het plegen van dit ten laste gelegde feit. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de rechtbank moeten beoordelen of sprake is van opzet op de dood van [slachtoffer 1] en, zo ja, of sprake is van voorbedachten rade. Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte op 24 mei 2017 een wapen met munitie voorhanden heeft gehad. 4.2.3.1 De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast. Beschieting van [slachtoffer 1] Op 24 mei 2017 rond 00.09 uur wordt door de Duitse politie een melding ontvangen dat in Gronau ter hoogte van perceel [adres 7] meerdere schoten zijn afgevuurd. Ter plaatse treft de politie het slachtoffer [slachtoffer 1] aan op de parkeerplaats voor zijn woning naast de door hem gebruikte auto. [slachtoffer 1] heeft schotverwondingen aan zijn linkerbeen en zijn linkerzij. [slachtoffer 1] is eerder in de avond van 23 op 24 mei 2017 vanuit Enschede naar zijn huis in Gronau gereden. [slachtoffer 1] heeft gemerkt dat hij tijdens deze rit wordt achtervolgd door twee personen met petjes op in een BMW met het kenteken [kenteken 1] en maakt daarom een tussenstop en noteert het kenteken. Op het moment dat [slachtoffer 1] kort na middernacht bij zijn woning in Gronau arriveert en uit zijn auto stapt, wordt hij door de op hem af lopende bijrijder van de BMW, die hem eerder die avond volgde, onder vuur genomen. Er worden met tussenpozen zes kogels van een afstand van 4 á 5 meter op [slachtoffer 1] afgevuurd. Forensisch onderzoek wapen en munitie Tijdens het forensisch onderzoek op de plaats delict zijn in de directe omgeving van de auto van [slachtoffer 1] , alwaar de beschieting heeft plaatsgevonden, zes kogelhulzen kaliber 9mm Luger met het bodemstempel 9X19 LY94, aangetroffen. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt op 22 oktober 2019 door F.J.J.M. Reulink dat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft uitgezocht hoe vaak munitie met het bodemstempel 9x19 LY 94 in Nederland is voorgekomen na 1 januari 2009. Van de circa 3.000 zaken waarin hulzen door het NFI zijn ontvangen, hadden 5 zaken hulzen met het bodemstempel 9x19 LY94. Dit betreft dus zeldzame hulzen. Op 11 juli 2018 wordt onder de bijrijderstoel van een, als onbeheerd achtergelaten voertuig, Volkswagen Scirocco in een grijs tasje een pistool, zijnde een Crvena Zastava (hierna: CZ) model. 70 met een houder bevattende 7 patronen, 9mm (Norinco), volmantel, aangetroffen. Het NFI heeft wapen- en munitieonderzoek gedaan aan het in de Scirocco aangetroffen pistool CZ, aan drie van de op de plaats delict in Gronau aangetroffen hulzen en de kogel die in het linker dijbeen van het slachtoffer is aangetroffen. Hierbij was de vraag of de drie hulzen en de kogel, afkomstig van de plaats delict in Gronau bij de beschieting van [slachtoffer 1] afkomstig zijn uit het vuurwapen afkomstig uit de Scirocco gekentekend [kenteken 2] . De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn ten minste zeer veel waarschijnlijker wanneer de hulzen zijn verschoten met het onderhavige pistool CZ dan wanneer de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als dat vuurwapen. De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen uit de Scirocco dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen. Door het NFI zijn de ruwe delen, de trekker en de trekkerbeugel van de CZ bemonsterd en veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Van het DNA in deze bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal vijf personen. Uit dit DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man die een relatief grote hoeveelheid DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-onderzoek van verdachte is geconcludeerd dat verdachte de donor kan zijn van deze relatief grote hoeveelheid DNA. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan een op een miljard. De BMW met kenteken [kenteken 1] Deze BMW met kenteken [kenteken 3] is op 5 maart 2017 in Vlaardingen gestolen en daarna voorzien van andere kentekenplaten, te weten het kenteken [kenteken 1] . Verdachte heeft gedurende enige tijd gebruik gemaakt van de BMW met kenteken [kenteken 1] en heeft hierin gereden. Verdachte wist dat dit een gestolen auto betrof. Door [slachtoffer 1] is benoemd dat de BMW die hem achtervolgde en waar later de schutter uitstapte het kenteken [kenteken 1] had. Deze BMW is op 6 juni 2017 uitgebrand aangetroffen aan de Snuversdijk in Enschede. Tussenconclusie van de rechtbank met betrekking tot de beschieting van [slachtoffer 1] De rechtbank stelt vast dat met de in de Volkswagen Scirocco aangetroffen CZ zes kogels zijn afgevuurd op [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft ten gevolge van die beschieting letsel opgelopen aan zijn linkerzij, zijn bekken, zijn linkerdijbeen en zijn linkerkuit. Het bij de aanslag gebruikte vuurwapen bevat een DNA-hoofdprofiel van verdachte op niet alleen ruwe delen, maar ook op de trekker en trekkerbeugel. Daarnaast is bij de beschieting gebruik gemaakt van de gestolen BMW met kenteken [kenteken 1] . Deze BMW was op dat moment al enige tijd in gebruik bij verdachte. 4.2.3.2 De betrokkenheid van verdachte De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte de persoon is die [slachtoffer 1] op 24 mei 2017 in Gronau (Duitsland) heeft neergeschoten. 4.2.3.2.1 Getuigen Bedreigde getuige NN01 NN01 verklaart dat verdachte in Gronau meerdere keren heeft geschoten op een Turkse man en dat deze man is geraakt in bovenlichaam en been. Verdachte was samen met een ander, een voor de NN01 onbekende man. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat NN01 niet heeft verklaard over zijn redenen van wetenschap en de rechtbank op geen enkele manier de betrouwbaarheid van de verklaring heeft kunnen toetsen. Zij stelt zich op het standpunt dat deze verklaring om die reden onbetrouwbaar is en niet mag worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank overweegt als volgt. De wetgever heeft bepaald dat een proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris houdende de verklaring van een persoon die als bedreigde getuige is aangemerkt alleen kan meewerken tot het bewijs wanneer ten minste aan de voorwaarden van artikel 344a tweede lid Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat aan die voorwaarden is voldaan. De rechtbank overweegt dat de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring voor een belangrijk deel is gelegen in de zogeheten redenen van wetenschap. Anders dan de raadsvrouw stelt heeft NN01 bij het verhoor bij de rechter-commissaris wel verklaard over de redenen van wetenschap, maar zijn deze niet in het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris opgenomen. In dit proces-verbaal deelt de rechter-commissaris mede dat op deze redenen van wetenschap steeds uitgebreid is doorgevraagd en dat deze redenen van wetenschap solide zijn bevonden. Deze redenen van wetenschap staan evenwel niet in het proces-verbaal vermeld, ten einde te voorkomen dat de verborgen identiteit van de getuige bekend wordt, aldus de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de verklaring van NN01, die coherent en in lijn met de redenen van wetenschap is, als betrouwbaar aangemerkt en heeft geen aanwijzingen gevonden van een onware verklaring. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan dit oordeel van de rechter-commissaris ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaring, te meer nu deze verklaring in belangrijke mate steun en verankering vindt in andere en andersoortige bewijsmiddelen in dit dossier. De rechtbank is aldus van oordeel dat de verklaring van NN01 voor het bewijs kan worden gebezigd. 4.2.3.2.1.2 overige getuigen [getuige 1] is door een opdrachtgever gevraagd om “de zaak” te gaan regelen omdat zijn vrouw was vreemdgegaan. [getuige 1] verklaart dat hij dit heeft geweigerd. [getuige 1] had van de opdrachtgever gehoord dat hij wolven had geregeld. [getuige 1] weet dat medeverdachte [medeverdachte] , [medeverdachte] heet en een broertje heeft die [bijnaam verdachte] wordt genoemd. [getuige 1] heeft medeverdachte [medeverdachte] één keer ontmoet tijdens een bijeenkomst die hij ‘het rechtbankje’ noemt op 18 september 2017 in een pand aan de [adres 6] in Enschede. Bij die gelegenheid heeft medeverdachte [medeverdachte] aan [getuige 1] verteld dat zijn broertje in Gronau op die man heeft geschoten. [getuige 2] heeft gehoord van [naam 2] dat [bijnaam verdachte] de aanslag op [slachtoffer 1] in Gronau heeft gedaan met een BMW. [naam 2] had [bijnaam verdachte] zelf met de opdrachtgever in contact gebracht. [naam 2] wist dat [bijnaam verdachte] eigenlijk [verdachte] heet en uit de omgeving van Apeldoorn komt. [getuige 2] heeft van [getuige 3] gehoord dat [getuige 3] gestolen auto’s klaarzette voor die zaken en dat [getuige 3] de uitbetalingen had gedaan aan de dader van de poging liquidatie van [slachtoffer 1] in Gronau. [getuige 3] had een bedrag van € 5.000,00 betaald aan de dader van die aanslag. De dader is [verdachte] en daar had [getuige 3] ook die € 5.000,- aan betaald. [getuige 3] heeft in opdracht twee keer een geldbedrag betaald aan verdachte. De eerste betaling vond plaats halverwege de maand juni 2017 bij het hotel Van der Valk in Hengelo. De tweede betaling vond plaats bij de MC Donalds aan de Zuiderval in Enschede. [getuige 3] heeft meermalen in opdracht een BMW klaargezet in 2017. [getuige 3] herkende in een uitzending van Opsporing Verzocht de driedeurs BMW die is gebruikt bij de aanslag in Gronau als een auto die hij heeft klaargezet. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde getuigenverklaringen voldoende concreet en gedetailleerd zijn. Weliswaar heeft geen van de getuigen verklaard te hebben gezien dat verdachte degene is geweest die op [slachtoffer 1] heeft geschoten, maar dat maakt niet dat datgene wat zij hebben gehoord en wel gezien hebben als niet betrouwbaar kan worden aangemerkt. Hierbij merkt de rechtbank op dat de verklaringen elkaar onderling bevestigen en bovendien steun vinden in de andere bewijsmiddelen, waaronder de objectieve bevindingen van het NFI. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. 4.2.3.2.2 Verklaring verdachte: alternatieve scenario’s Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting ontkend dat hij de persoon is die heeft geschoten op [slachtoffer 1] . Klaarzetten BMW met kenteken [kenteken 1] Verdachte heeft ter zitting van 29 oktober 2019 verklaard dat hij in opdracht meerdere auto’s – waarvan hij wist dat het gestolen auto’s waren – heeft ‘klaargezet’ en dat hij vaker in gestolen auto’s rond reed. Verdachte heeft enige tijd van de BMW met het valse kenteken [kenteken 1] gebruik gemaakt. Verdachte wist dat dit een gestolen auto was. Volgens verdachte kan het zo zijn dat hij met deze BMW, waarvan een foto op de tablet van [naam 3] stond, bij zijn vriendin [naam 4] is geweest. Verdachte kan zich niet herinneren of hij de op zijn Samsung Galaxy Mini telefoon aanwezige foto’s van de BMW met kenteken [kenteken 1] zelf heeft gemaakt. Verdachte deed vaker in opdracht en tegen betaling klussen voor een opdrachtgever. Verdachte kreeg de opdrachten telkens van dezelfde opdrachtgever. Verdachte kreeg de opdrachten op zijn Samsung telefoon waarop een Ironchat-programma geïnstalleerd was. Verdachte heeft wel eens betaald gekregen door [getuige 3] om auto’s weg te zetten en ook omdat hij een vrouw had gevolgd of omdat hij ergens was wezen kijken. De rechtbank begrijpt de verklaring van verdachte zo dat, als er al sprake is van betrokkenheid van verdachte bij de beschieting van [slachtoffer 1] , hij hooguit de BMW die de daders hebben gebruikt klaar heeft gezet. De rechtbank stelt vast dat verdachte deze verklaring eerst tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting heeft afgelegd. Het feit dat verdachte pas ter zitting – na bestudering en bespreking van het dossier door de verdediging – met deze verklaring komt, draagt niet bij aan de geloofwaardigheid daarvan. Verdachte heeft deze verklaring verder niet naar tijd en plaats geconcretiseerd, waardoor deze niet te verifiëren is. Dit door verdachte gepresenteerde scenario kan geen basis bieden voor een alternatieve uitleg van de vele belastende onderzoeksresultaten. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij. DNA op het vuurwapen: alleen vastgehouden Daarnaast heeft verdachte ter zitting een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen CZ dat in de Volkswagen Scirocco is aangetroffen. Dat het vuurwapen, de in de Volkswagen Scirocco aangetroffen CZ model .70, zijn DNA bevat komt volgens verdachte omdat hij het wapen een keer heeft vastgehouden op een moment ongeveer twee maanden voor zijn arrestatie op 11 november 2017 toen hij met een ander in een auto zat in Hengelo of in Almelo. Iemand liet verdachte het wapen zien. Verdachte heeft toen het vuurwapen vastgehouden, bekeken en teruggegeven. Verdachte dacht dat de trekker zich bovenop het wapen bevond. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten aanzien van het moment waarop hij het vuurwapen, de CZ, in handen zou hebben gehad geen enkele concrete toelichting heeft gegeven over de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, over de persoon bij wie hij in de auto zat, welke auto het betrof of waar zij zich precies bevonden. Verdachte heeft niet meer aangeduid dan dat het ongeveer twee maanden voor zijn arrestatie was ergens in Hengelo of Almelo. Dat verdachte zijn stelling niet nader heeft onderbouwd met concrete en te verifiëren feiten en omstandigheden, als ook zijn opmerking dat hij dacht dat de trekker zich aan de bovenkant van het wapen bevond dragen niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring, te meer nu zijn verklaring evenmin steun vindt in het dossier. Ook dit door verdachte gepresenteerde scenario kan geen basis bieden voor een alternatieve uitleg van de vele belastende onderzoeksresultaten. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij. Alibi tijdstip beschieting: verblijf in het Van der Valk Hotel Hengelo Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de periode van 23 tot en met 25 mei 2017 met [naam 3] in het Van der Valk hotel in Hengelo (O) heeft verbleven en het pand in die periode niet heeft verlaten. De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte over het onafgebroken verblijf in het hotel op het moment waarop de beschieting plaatsvindt, wordt weersproken door de onderzoeksresultaten die zich in het dossier bevinden. In het proces-verbaal van bevindingen staan de zogenoemde ‘zendmastgegevens’ van de bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Op 23 mei 2017 om 11.10.10 uur wordt vanaf het nummer [telefoonnummer 1] een sms verzonden waarbij de telefoon de zendmast aan de [adres 8] in Hulshorst aanstraalt. Tussen 23 mei 2017 11.10.10 uur en 25 mei 2017 12.42.17 uur zijn van de telefoon met nummer [telefoonnummer 1] geen zendmastgegevens geregistreerd. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] straalt in de vroege ochtend van 24 mei 2017 om 03.30.52 uur aan op een zendmast aan de Sluiskade Noordzijde in Almelo. Vervolgens wordt op 24 mei 2017 om 03.31.14 uur door de telefoon met nummer [telefoonnummer 2] een gesprek gevoerd waarbij de zendmast aan de [adres 9] Almelo aanstraalt. In de daaropvolgende ruim vijf minuten straalt de telefoon zendmasten aan in achtereenvolgens Zenderen, Borne en Hengelo. Tussen 23 mei 2017 om 11.10.10 uur en 24 mei 2017 om 03.31.14 uur wordt er wel ingebeld op de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Er vindt een doorschakeling plaats. Er staan geen IMEI gegevens en zendmastgegevens geregistreerd. Uit de mastgegevens volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de telefoon van verdachte in de nacht van 23 op 24 mei 2017 om 03.30.52 uur eerst een mast aan de Sluiskade Noordzijde in Almelo aanstraalt en vervolgens een aantal andere masten. De rechtbank leidt uit deze gegevens af dat de telefoon van verdachte zich in die nacht verplaatst. Hiermee geconfronteerd blijft verdachte volhouden dat hij het genoemde hotel niet heeft verlaten. De verklaring van verdachte is hiermee aantoonbaar onjuist, nu verdachte voor deze mastgegevens geen verklaring heeft gegeven. Dit had wel degelijk op zijn weg gelegen nu het hier gaat om een omstandigheid die ter bepaling van zijn rol bij de aanslag op [slachtoffer 1] om een uitleg van verdachte vraagt. 4.2.3.2.3 Conclusie van de rechtbank over de betrokkenheid van verdachte. De verklaring van de bedreigde getuige dat verdachte de schutter is geweest vindt steun in de verklaring van [getuige 1] en in de verklaring van [getuige 2] . Daarnaast bevestigen getuigen [getuige 2] en [getuige 3] dat na de aanslag op [slachtoffer 1] in Gronau aan de dader een geldbetaling heeft plaatsgevonden, waarbij door [getuige 2] verdachte als dader is genoemd. Het bij de aanslag gebruikte vuurwapen bevat een DNA-hoofdprofiel van verdachte op niet alleen ruwe delen, maar ook op de trekker en trekkerbeugel. Daarnaast is bij de beschieting gebruik gemaakt van de gestolen BMW met kenteken [kenteken 1] . Deze BMW was op dat moment al enige tijd in gebruik bij verdachte. Verdachte beschikt voorts niet over een sluitend alibi, terwijl verdachte in de nacht van de aanslag op [slachtoffer 1] door zijn verblijf in een hotel in Hengelo wel in de omgeving van de plaats delict geplaatst kan worden. Verdachte heeft eerst ter zitting voor een aantal onderdelen van de bewijsmiddelen een verklaring gegeven die zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan dat hij degene is geweest die de schutter is geweest. De rechtbank hecht geen waarde aan die verklaringen, zoals hiervoor reeds overwogen, nu deze onvoldoende concreet zijn geworden dan wel dat van verklaringen kan worden vastgesteld dat deze aantoonbaar leugenachtig zijn gebleken. Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen de rechtbank hierboven als redengevende feiten en omstandigheden – die zijn ontleend aan de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen – heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 23 op 24 mei 2017 in Gronau met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op [slachtoffer 1] . 4.2.3.3 Medeplegen Uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt van een gezamenlijke uitvoering en dat tussen verdachte en een of meer andere personen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van dit delict. Uit de bewijsmiddelen volgt onder meer dat er sprake was van het handelen in opdracht, het treffen van logistieke voorbereidingen en een gezamenlijke uitvoering. Verdachte heeft door zijn handelen als voormeld een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de beschieting van [slachtoffer 1] . 4.2.3.4 Opzet op de dood Voor bewezen verklaring van het ten laste gelegde feit is voorts vereist dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . De vraag die in dit verband voorligt is of verdachte heeft gehandeld met (boos) opzet dan wel met voorwaardelijk opzet. Gelet op het feit dat verdachte met een vuurwapen vanaf korte afstand meermaals gericht op het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie volgen dan dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling – en daarmee ook boos opzet – had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het opzet van verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer 1] . 4.2.3.5 De voorbedachten rade Tot [verbalisant] ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of sprake is van voorbedachten rade. Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de beschieting, zijn de feiten en omstandigheden waaronder de beschieting heeft plaatsgevonden van belang. De omstandigheden dat aan deze beschieting een opdracht tegen betaling ten grondslag ligt, dat gebruik is gemaakt van een voorafgaand aan de beschieting gestolen BMW met valse kentekenplaten, dat verdachte en zijn handlanger met deze BMW gedurende enige tijd [slachtoffer 1] hebben gevolgd tot aan de latere plaats delict, waarbij zij in de gebruikte BMW een wapen en munitie hebben meegenomen, duiden naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan waarbij afspraken zijn gemaakt omtrent de voorbereiding en uitvoering van het delict. Vanaf het moment dat verdachte de opdracht heeft aangenomen, vervolgens met zijn handlanger gezamenlijk, vanuit Enschede met de BMW het latere slachtoffer [slachtoffer 1] volgend tot in Gronau, op de [adres 7] aangekomen het slachtoffer heeft opgewacht, met een wapen in de hand uit de auto is gestapt en richting [slachtoffer 1] is gelopen, tot het moment waarop verdachte het wapen daadwerkelijk op [slachtoffer 1] heeft gericht en meermalen met tussenpozen heeft geschoten, is sprake geweest van een reeks momenten waarop beslissingen zijn genomen die gericht waren op de uitvoering van het plan om [slachtoffer 1] te beschieten. Verdachte en zijn handlanger(
- s)hebben zich gedurende deze reeks van momenten telkens kunnen beraden op het genomen of te nemen besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties voor voorbedachten rade is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn handlanger(
- s)het slachtoffer [slachtoffer 1] met voorbedachten rade van het leven wilden beroven. 4.2.3.6 Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 2) De rechtbank acht het voorhanden hebben van het vuurwapen van het merk en type Crvena Zastava model 70. 9mm en meerdere patronen 9x19mm volmantel bewezen. Verdachte heeft dit vuurwapen en de patronen in ieder geval voorhanden gehad op de plaats delict in Gronau op 24 mei 2017, nu hij met het vuurwapen de genoemde patronen heeft verschoten. Hieruit volgt dat verdachte zich niet alleen bewust was van het wapen en de munitie, maar hierover ook de beschikkingsmacht had. 4.2.3.7 De conclusie Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde. 4.3 Feit 3 tot en met feit 6 4.3.1 Het standpunt van de officieren van justitie ten aanzien van feit 3 tot en met 6 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte met een automatisch vuurwapen in opdracht en in vereniging met een of meer anderen heeft geschoten op – in chronologische volgorde - de woning aan de Populierstraat in Enschede (feit 6), de woning aan de Rietstraat te Almelo (feit 5), als ook op de woning aan de Benkoelenstraat (feit 3) en op [loungeclub] (feit 4), beide in Enschede. Voor de bewezenverklaring hanteren de officieren van justitie de in hun schriftelijk requisitoir genoemde bewijsmiddelen. Voorts stellen de officieren van justitie op grond van de bewezenverklaring van feit 1 dat verdachte de beschikking kan hebben over vuurwapens en bereid is daarmee te schieten, dat verdachte voor de belastende elementen in het dossier geen verklaring heeft willen geven en tot aan de inhoudelijke behandeling van 29 oktober 2019 heeft gezwegen, als ook dat het ter zitting van 29 oktober 2019 door verdachte aangevoerde alternatief scenario terzijde kan worden geschoven. Ten aanzien van de Populierstraat hebben de officieren van justitie gesteld dat er weliswaar geen getuigen zijn die specifiek hebben verklaard over betrokkenheid van verdachte. Voor een bewezenverklaring maken de officieren van justitie gebruik van de bewijsmiddelen voor de andere feiten als ondersteunend bewijs in het kader van schakelbewijs. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte midden in de nacht, een zeer groot aantal schoten heeft gelost op de gehele woning aan de Benkoelenstraat door zowel muren als ruiten van beneden- en bovenverdieping. De gedragingen van verdachte zijn volgens de officieren van justitie handelingen die er naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan een of meer van de bewoners dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard en voorwaardelijk opzet op de dood kan worden aangenomen. Ook ten aanzien van de Rietstraat in Almelo, waar ’s nachts zeven keer is geschoten op verschillende vertrekken van de woning en de Populierstraat waar eveneens meermaals is geschoten op een woning concluderen de officieren van justitie dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners. Volgens de officieren van justitie is tevens sprake van voorbedachten rade. Daarbij achten zij van belang dat de aanslag door verdachte in opdracht en tegen betaling is verricht en dat de opdrachten gedegen werden voorbereid door het gebruik van gestolen voertuigen, het afleggen van de te beschieten panden en observeren van de betrokken personen. De officieren van justitie hebben gesteld dat er meerdere momenten waren waarop verdachte had kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap had kunnen geven. De officieren van justitie hebben voorts betoogd dat uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering naar voren komt dat verdachte niet alleen heeft gehandeld maar in opdracht en dat verdachte op essentiële punten nauw heeft samengewerkt met anderen en dat aldus sprake is van medeplegen. Concluderend hebben de officieren van justitie betoogd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op de bewoners van de Benkoelenstraat, de Rietstraat en de Populierstraat. Ten aanzien van [loungeclub] hebben de officieren vrijspraak gevorderd voor het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde nu er op het moment van de beschieting niemand in het pand aanwezig was en aldus geen aanmerkelijke kans aanwezig was dat iemand dodelijk zou worden getroffen. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat de onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen. 4.3.2 Het standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten 3 tot en met 6 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 3 tot en met 6 ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sporen zijn die naar een concrete dader wijzen en dat de camerabeelden van de Benkoelenstraat en [loungeclub] geen duidelijk beeld geven. Uit het forensisch onderzoek komt niets naar voren dat belastend is voor verdachte. Verdachte heeft in opdracht meermalen gepost bij de woning aan de [adres 4] in Enschede en aan de [adres 3] in Almelo en zijn bevindingen terug gerapporteerd. Verdachte is op geen enkele wijze te linken aan de plaatsen delict op het moment van de beschietingen. De raadsvrouw heeft betoogd dat de link met verdachte afkomstig is van personen die verklaringen hebben afgelegd die niet betrouwbaar zijn en geen bewijskracht hebben. In de groep van degene die kennelijk opdrachten geeft aan een contactpersoon, welk contactpersoon kennelijk diverse pionnen onder zich heeft die hij tegen betaling kan inzetten voor het opknappen van klusjes zoals het ophalen en wegzetten van auto’s, het betalen van mensen, het observeren van objecten en personen en volgen van personen tot beschietingen van huizen en mensen, had verdachte een bescheiden rol waarvoor hij bescheiden werd beloond. Dat de leden van een motorclub, na een eigen onderzoek met verklaringen van horen zeggen, verdachte als verantwoordelijke aanwijzen is nergens op gebaseerd en niet goed onderbouwd. Dat getuige Mast heeft verklaard te weten dat verdachte de dader is van de schietpartij op de woning van zijn vriendin is onvoldoende wettig bewijs nu deze verklaring niet is onderbouwd. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat er onvoldoende wettig bewijs is om te komen tot een veroordeling voor de feiten 3 tot en met 6. 4.3.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.3.1 De redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 3 tot en met 6 De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast. Feiten 3 & 4 Op het pand van [loungeclub] zijn zes kogels van een zwaar kaliber afgevuurd op de dubbele deuren van de hoofdingang. De hulzen zijn op de plaats delict aangetroffen. De club was op het moment van de beschieting gesloten, de deuren waren dicht en de rode loper was binnen. De eigenaar van [loungeclub] , [slachtoffer 6] , is van de beschieting op de hoogte gebracht. Op de woning aan de Benkoelenstraat zijn 30 kogels van een zwaar kaliber afgevuurd waarvan de hulzen op de plaatsen delict zijn aangetroffen. In het woonkamerraam is een groot aantal kogelgaten zichtbaar. In de woonkamer zijn ten gevolge van de kogelinslagen op verschillende plaatsen beschadigingen ontstaan en zijn kogelpunten aangetroffen, waaronder op de bank waar [slachtoffer 2] zat te gamen. [slachtoffer 2] zag op de beelden van de beveiligingscamera de auto en de schutter zijn woning naderen en kon net voordat het schieten begon achter een muurtje in de woonkamer wegduiken voor de kogelregen. Op de bovenverdieping is een kogelpunt aangetroffen in het bed waar [slachtoffer 3] lag te slapen. Op camerabeelden van zowel [loungeclub] als de Benkoelenstraat is te zien dat de bijrijder voorzien van een bivakmuts en een automatisch vuurwapen uit een auto – BMW – stapt en kogels afvuurt op voornoemde panden. De afstand tussen de [adres 2] en de Benkoelenstraat bedraagt ongeveer 350 meter. Forensisch onderzoek Op 19 september 2017 wordt direct na de beschietingen op de woning aan de [adres 1] en [loungeclub] forensisch sporenonderzoek gedaan. Het NFI heeft onderzoek gedaan naar veiliggestelde hulzen en projectielen. Het NFI stelt in haar rapport van 10 januari 2018 vast dat alle 36 hulzen van het kaliber 7,62x39mm zijn. Ten behoeve van voort te zetten vergelijkende onderzoeken zijn drie hulzen en twee kogels opgenomen in de Landelijke Verzameling Kogels en Hulzen (hierna: LVKH) van het NFI, onder het nummer 8866. Op 2 november 2018 worden in een ander onderzoek bij een doorzoeking van een woning aan de [adres 10] in Hengelo twee vuurwapens aangetroffen. Één van de twee aangetroffen vuurwapens betreft een, met de opschriften en de uiterlijke kenmerken van en semi- en volautomatisch werkend aanvalsgeweer, Ceska Zbrojovka, model VZ58, kaliber 7.62x39mm (hierna: Ceska). Beide wapens zijn door het NFI onderzocht. Het NFI heeft in het Wapen en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens op 2 november 2018, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het rapport van 18 februari 2019, de Ceska vergeleken met de munitiedelen LVKH onder nummer 8866. Het NFI concludeert dat er aanwijzingen zijn gevonden dat de verschoten munitiedelen binnen dit onderzoek afkomstig zijn uit de Ceska. Voor elk van de hulzen, opgenomen in de LVKH onder nummer 8866, kaliber 7,62x39mm en de Ceska geldt dat de bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek minimaal zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de huls is verschoten met het vuurwapen, dan wanneer de huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen. Voor elk van de twee kogels, opgenomen in de LVKH onder nummer 8866, die het best passen bij het kaliber 7,62x39mm, en de Ceska zijn de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen. De BMW Verbalisanten krijgen op 19 september 2017 rond 08.35 uur de melding dat er in het buitengebied van Enschede een uitgebrande auto is aangetroffen. Ter plaatse zien zij een totaal uitgebrande auto, gelijkend op een BMW. Uit een controle van het in de auto aangetroffen chassisnummer blijkt dat de auto een zílverkleurige/grijze driedeurs BMW coupé 325 met het kenteken [kenteken 4] is die op 18 juli 2017 is gestolen in Rotterdam. De camerabeelden Op de camerabeelden van de beschieting van de woning aan de Benkoelenstraat en van [loungeclub] is te zien dat de schutter uit een lichtkleurige BMW, driedeurs, coupé model stapt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 september 2017 naar Hengelo of Enschede in de zilvergrijze driedeurs BMW coupe 325 heeft gezeten. Verdachte herkende de BMW aan de speciale velgen, toen hij in het programma Opsporing Verzocht de auto zag op beelden die werden getoond in het kader van de beschieting van een woning. Feiten 5 & 6 Op de telefoon van verdachte zijn schermafbeeldingen aangetroffen van Ironchat. De eerste is gemaakt op 12 augustus 2017. Onder deze schermafbeelding staat: “ [adres 3] Almelo. Pas op.” De tweede schermafbeelding is gemaakt op 14 augustus 2017. In de tekst staat onder andere: “ [adres 5] Enschede, staat een Boeddha in ’t raam. Ga sneekt staan kijk of hij erin of eruit gaat. Gaat die erin en of eruit. Dan vanaf morgen. Elke dag daar met [naam 5] .” Op basis van mastgegevens, de navigatie van de telefoon van verdachte en zijn eigen verklaring ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte in de maand augustus 2017 naar beide adressen is gegaan om deze woningen in de gaten te houden. In de nacht van 18 op 19 september 2017 zijn achtereenvolgens de woning van [slachtoffer 7] en haar zoon [slachtoffer 8] aan de [adres 3] in Almelo (rond 02.50 uur), [loungeclub] aan de [adres 2] in Enschede (rond 03.14 uur) en de woning van [slachtoffer 2] , zijn vriendin [slachtoffer 3] en haar dochter [slachtoffer 4] aan de [adres 1] in Enschede (rond 03.16 uur) beschoten. Op het pand aan de Rietstraat in Almelo zijn op 19 september 2017 zeven kogels afgevuurd waarbij vijf kogelinslagen in de gevel zijn ontstaan, één keer door het raam van de woonkamer en één keer door het raam van de dakkapel op de eerste verdieping waar de zoon van [slachtoffer 7] lag te slapen. Op de plaats delict aan de [adres 3] in Almelo zijn kogelhulzen aangetroffen van het merk en type Geco 9mm Luger, die waarschijnlijk zijn verschoten met een semi-automatisch werkend pistool kaliber 9mm Parabellum. In de nacht van 17 op 18 september 2017 is de woning van [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] aan de [adres 4] in Enschede beschoten. Er zijn meerdere kogels door een rolluik en ruit van die woning gegaan. Bij het pand aan de Populierstraat in Enschede hebben vijf projectielen de woning geraakt en zijn twee perforaties waarneembaar in een rolluik op de benedenverdieping van de woning passend bij schotbeschadiging. De bewoners van de woning aan de [adres 4] te Enschede, een woning met een Boeddhabeeld in het raamkozijn, hebben geen aangifte gedaan van de beschieting van de woning en zij verklaren dat er niet geschoten is op de woning. De politie heeft op 14 november 2017 de woning doorzocht en heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat vijf projectielen de woning hebben geraakt. Er zijn geen hulzen aangetroffen. Drie beschadigingen in een rolluik(geleider) zijn door het Team Forensische Opsporing afgevormd en bemonsterd met schotrestenfolies. Tevens zijn er op projectiel gelijkende fragmenten veiliggesteld. Het NFI heeft aan deze sporen schotrestenonderzoek gedaan. Dit onderzoek heeft niet geleid tot een mogelijk identificatie van een wapen of munitie waarmee de woning beschoten zou kunnen zijn. 4.3.3.2 De betrokkenheid van verdachte De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte op de wijze zoals in de tenlastelegging staat vermeld betrokken is bij de hiervoor genoemde beschietingen op 18 en 19 september 2017. 4.3.3.2.1 De betrokkenheid van verdachte ten aanzien van de beschieting van [loungeclub] en de [adres 1] te Enschede De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verdachte de persoon is die in de nacht van 18 op 19 september 2017 in Enschede met een automatisch vuurwapen de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan de [adres 1] heeft beschoten, en met een automatisch vuurwapen het pand aan de [adres 2] , waarin [loungeclub] is gevestigd, heeft beschoten. 4.3.3.2.1.1 Getuigenverklaringen [getuige 1] verklaart dat de aanslag op het huis van [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) en op die zaak (de rechtbank begrijpt: [loungeclub] ) in opdracht is gedaan en dat het is gedaan door [medeverdachte] zijn broertje. Ze zijn eerst naar Almelo gegaan en toen langs [loungeclub] en toen naar de woning van [slachtoffer 2] . Daar ging hij helemaal los. Er is geschoten voor de deur. Vervolgens zijn ze naar Rutbeek/Hulsbeek gegaan en hebben ze daar de auto in de fik gestoken. Er is een lijstje met namen erop van mensen met wie wat moet gebeuren. Ook [slachtoffer 2] staat op deze lijst. Dit lijstje is overgenomen door vier jongens, [medeverdachte] zijn broertje, [naam 6] , [naam 7] ( [bijnaam naam 7] ) en een hindoestaanse jongen. [getuige 1] weet dit omdat [medeverdachte] dat tegen hem heeft gezegd. [getuige 4] heeft verdachte tegen hem horen zeggen dat verdachte iets moest doen. Dit was het schieten op een huis in Enschede en het moest een waarschuwing zijn voor die mensen. [getuige 4] heeft beelden gezien op Opsporing Verzocht en denkt dat de getoonde woning de woning is die moest worden beschoten in Enschede. [getuige 2] zag in de telefoon van [naam 8] een foto van [slachtoffer 6] . [naam 8] heeft hierover tegen [getuige 2] gezegd dat [naam 8] in opdracht een foto moest maken van deze [slachtoffer 6] . [getuige 2] weet dat [slachtoffer 6] de eigenaar is van [loungeclub] . [getuige 3] heeft [getuige 2] verteld dat [getuige 3] geld heeft betaald aan verdachte. Voor Gronau kreeg verdachte één bedrag. Voor het schieten op [loungeclub] en Benkoelenstraat kreeg verdachte ook één bedrag. Volgens [getuige 2] heeft [getuige 3] aan het maatje van [getuige 2] verteld dat [getuige 3] ook € 5.000,- had betaald aan de dader van de aanslag op de [loungeclub] en Benkoelenstraat in Enschede en dat dit verdachte was. [getuige 3] heeft meermalen in opdracht een BMW klaargezet in 2017. [getuige 3] herkende in een uitzending van Opsporing Verzocht de BMW die is gebruikt bij de beschietingen op de [loungeclub] en de Benkoelenstraat als een van de BMW’s die hij heeft klaargezet. [getuige 3] weet dat [slachtoffer 2] woont in de woning aan de [adres 1] in Enschede. [getuige 3] heeft twee keer een geldbedrag gegeven aan verdachte. De eerste betaling vond plaats halverwege de maand juni 2017 bij het hotel Van der Valk in Hengelo. De tweede betaling vond plaats bij de MC Donalds aan de Zuiderval in Enschede. [getuige 3] denkt dat hij ongeveer tien dagen na de schietincidenten op de [loungeclub] en de Benkoelenstraat een geldbedrag van € 5.000,- heeft uitbetaald aan een jongen met een groene auto bij de Enschedese Boys. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde getuigenverklaringen voldoende concreet en gedetailleerd zijn. Weliswaar heeft geen van de getuigen gezien dat verdachte degene is geweest die geschoten heeft, maar dat maakt niet dat datgene wat zij hebben gehoord en wel gezien hebben als niet betrouwbaar kan worden aangemerkt, te meer niet nu zij verklaren over hun redenen van wetenschap. Hierbij merkt de rechtbank op dat de verklaringen elkaar onderling bevestigen. Op onderdelen worden de verklaringen ook bevestigd door de verklaring van verdachte zelf dat hij in opdracht klussen heeft gedaan en hiervoor geld heeft ontvangen van [getuige 3] . De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde getuigen verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. 4.3.3.2.1.2. Verklaring verdachte: alternatieve scenario’s Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting ontkend dat hij de persoon is die heeft geschoten op de panden aan de Benkoelenstraat, Brinkstraat en Populierstraat in Enschede en het pand aan de Rietstraat in Almelo. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de zilvergrijze BMW op 18 september 2017 – de dag voorafgaand aan het nachtelijke schietincident – heeft klaargezet bij een flat in Hengelo of Enschede en dat hij zich vervolgens in de nacht naar Apeldoorn heeft laten brengen. Verdachte herkende de BMW als de auto die hij op voornoemde datum had klaargezet aan de speciale velgen, toen hij in het programma Opsporing Verzocht de auto zag op beelden die werden getoond in het kader van de beschieting van een woning. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van verdachte niet volgt waar hij in de nacht van 18 op 19 september 2017 is verbleven, nu hij zijn verklaring dat hij na het klaarzetten van de BMW door anderen naar Apeldoorn is gebracht niet nader heeft onderbouwd met concrete en te verifiëren feiten en omstandigheden over waar en bij wie hij die nacht dan is geweest. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring dat hij de auto heeft klaargezet en naar Apeldoorn is gegaan, te meer nu zijn verklaring evenmin enige steun vindt in het dossier. Bovendien sluit de verklaring van verdachte niet uit dat hij betrokken is geweest bij de beschietingen en het daarna in brand steken van de auto om vervolgens na dit alles naar Apeldoorn te worden gebracht. Voor zover de verdachte heeft bedoelen te zeggen dat hij direct nadat hij met de BMW naar Hengelo of Enschede is gegaan is terug gebracht naar Apeldoorn schuift de rechtbank deze verklaring dan ook ter zijde, nu deze in zijn geheel niet wordt ondersteund of onderbouwd met enig bewijsmiddel. 4.3.3.2.1.3 Conclusie van de rechtbank over de betrokkenheid van verdachte bij de beschietingen aan de [adres 1] en [loungeclub] in Enschede. De rechtbank concludeert dat verdachte zichzelf als laatste aanwezige in de betreffende BMW heeft geplaatst en er vervolgens geen concreet en sluitend alibi voor zijn verblijf de rest van de nacht aanwezig is. Voorts constateert de rechtbank dat de verklaring van [getuige 1] dat verdachte de schutter is geweest steun vindt in de verklaring van getuigen [getuige 2] en [getuige 4] . Daarnaast bevestigen getuigen [getuige 2] en [getuige 3] dat na de beschietingen aan de Benkoelenstraat en [loungeclub] aan verdachte die wordt aangeduid als de dader van deze feiten daartoe een geldbetaling heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft op 18 september 2017 gereden in de BMW met de door verdachte herkende speciale velgen. Dit betreft de auto waarmee de beschieting van de woning aan de [adres 1] en vervolgens de beschieting bij [loungeclub] in Enschede heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt tevens vast dat bij de beschietingen bij voornoemde panden die enkele minuten na elkaar hebben plaatsgevonden, hetzelfde automatisch vuurwapen is gebruikt. Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen de rechtbank hierboven als redengevende feiten en omstandigheden – die zijn ontleend aan de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen – heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 18 op 19 september 2017 in Enschede met een automatisch vuurwapen dertig kogels van een zwaar kaliber heeft afgevuurd op de woning aan de [adres 1] . De rechtbank is voorts van oordeel dat de twee personen die in de BMW naar de Benkoelenstraat zijn gereden en de woning op [adres 1] hebben beschoten, dezelfde personen zijn als degenen die enkele minuten eerder het pand aan de [adres 2] in Enschede, alwaar [loungeclub] is gevestigd hebben beschoten. Hierbij weegt de rechtbank met name mee dat bij zowel de beschieting aan de Benkoelenstraat als aan de Brinkstraat gebruik is gemaakt van dezelfde BMW, dat de schutter de bijrijder is die sportschoenen droeg met een lichte zool, dat er een bivakmuts is gedragen, dat hetzelfde automatisch vuurwapen is gebruikt welk vuurwapen op eenzelfde wijze werd gedragen door de schutter, als ook het feit dat deze beschietingen slechts enkele minuten na elkaar hebben plaatsgevonden en beide panden zich op 350 meter afstand van elkaar bevinden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 18 op 19 september 2017 in Enschede met een automatisch vuurwapen zes kogels van een zwaar kaliber heeft afgevuurd op het pand aan de [adres 2] in Enschede alwaar [loungeclub] is gevestigd. 4.3.3.2.1.4 Medeplegen Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen blijkt van een gezamenlijke uitvoering en dat tussen verdachte en andere personen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van de delicten. Verdachte heeft door zijn handelen als voormeld een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de beschieting van het pand aan de [adres 2] in Enschede alwaar [loungeclub] is gevestigd en de beschieting van de woning aan de [adres 1] in Enschede. 4.3.3.2.1.5 Opzet op de dood Hoewel zoals hierboven reeds uiteengezet de rechtbank van oordeel is dat verdachte degene is geweest die met een automatisch vuurwapen zes kogels op [loungeclub] heeft afgevuurd, concludeert de rechtbank dat de club op het moment van deze beschieting al enige tijd – zichtbaar – gesloten was en dat er niemand meer in het pand aanwezig was. Reeds om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen – aanmerkelijke – kans dat een of meer personen in het pand ten gevolge van de beschieting dodelijk zouden kunnen worden getroffen dan wel dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. De rechtbank acht aldus niet bewezen wat aan verdachte onder 4 primair en onder 4 subsidiair wordt verweten, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Anders is dit voor de beschieting van de woning aan de [adres 1] te Enschede. De vraag die voorligt is of verdachte en zijn medeverdachte(
- n)ten minste hebben gehandeld met voorwaardelijk opzet, oftewel of zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard en op de koop hebben toegenomen dat een of meer bewoners van de Benkoelenstraat door hun handelingen zouden kunnen komen te overlijden. Vast staat dat verdachte van een korte afstand met een automatisch vuurwapen dertig kogels heeft afgevuurd op de gevel en door de ruiten van de beneden- en bovenverdieping van de betreffende woning. Voor verdachte was zichtbaar dat deze woning een bewoonde woning – en dus niet een leegstaand pand – betrof. Daar komt bij dat voor verdachte eveneens zichtbaar moet zijn geweest dat in de woonkamer op de benedenverdieping de verlichting brandde. De rechtbank overweegt dat wanneer een ruimte in een bewoonde woning is verlicht, dit veelal een teken is dat er in die ruimte ook mensen aanwezig zijn. Op het moment van de beschieting bevond [slachtoffer 2] zich beneden in de verlichte woonkamer alwaar hij aan het gamen was. De vriendin van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en haar dochter van vijf jaar bevonden zich in de slaapkamers op de eerste etage van deze woning. Vast staat voorts dat een aantal kogels in de woonkamer terecht is gekomen, onder meer op de bank alwaar [slachtoffer 2] zich even daarvoor bevond en dat een kogelpunt is beland in het bed waarin [slachtoffer 3] sliep. De rechtbank overweegt voorts dat wanneer op een nachtelijk tijdstip, een moment waarop de meeste mensen in hun woning aanwezig zijn en al dan niet liggen te slapen, van korte afstand met een automatisch vuurwapen op de beneden- en bovenverdieping van de woning en door ruiten van de verschillende vertrekken een salvo van dertig kogels wordt afgeschoten, de kans dat de bewoners door de beschieting zouden worden verrast en niet, of te laat, zouden reageren evident aanwezig is. Daarbij verhoogt het tijdstip, midden in de nacht, de kans op dodelijke slachtoffers, aangezien slapende mensen, zoals in dit geval [slachtoffer 3] en haar dochter, doorgaans minder snel reageren op dreigend gevaar. De handelingen van verdachte zoals voornoemd zonder zich ervan te vergewissen of er op dat moment daadwerkelijk personen in de woning aanwezig waren en waar zij zich bevonden, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van de in het huis aanwezige personen gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg op de koop toe heeft genomen en daarmee bewust heeft aanvaard. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte(
- n)voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van de bewoners van de woning aan de [adres 1] in Enschede, zijnde [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en de dochter van [slachtoffer 3] . 4.3.3.2.1.6 De voorbedachten rade ten aanzien van de Benkoelenstraat Tot [verbalisant] ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of sprake is van voorbedachten rade. De omstandigheden dat aan deze beschieting een opdracht tegen betaling ten grondslag ligt, dat gebruik is gemaakt van een voorafgaand aan de beschieting gestolen BMW, voorzien van valse kentekenplaten, dat verdachte en zijn medeverdachte, nadat zij eerst met deze BMW naar [loungeclub] zijn gegaan en het pand aldaar hebben beschoten, met deze BMW naar de plaats delict zijn gereden, waarbij zij een automatisch vuurwapen en munitie hebben meegenomen en ter plaatse hebben gebruikt bij de beschieting, duiden naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan waarbij afspraken zijn gemaakt omtrent de voorbereiding en uitvoering van het delict. Vanaf het moment dat verdachte met het vuurwapen op enig moment in de auto is gestapt, vervolgens met zijn handlanger gezamenlijk, via de tussenstop bij [loungeclub] aan de Brinkstraat waar eveneens een salvo is afgevuurd, op de Benkoelenstraat aangekomen, met het vuurwapen in de hand uit de auto is gestapt en richting de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is gelopen, tot het moment waarop verdachte het wapen daadwerkelijk op de woning heeft gericht en meermalen heeft geschoten, is sprake geweest van een reeks momenten waarop beslissingen zijn genomen die gericht waren op de uitvoering van het plan om deze woning en de personen erin te beschieten. Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich gedurende deze reeks van momenten kunnen beraden op het genomen of te nemen besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties voor voorbedachten rade is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte(
- n)de slachtoffers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en de dochter van [slachtoffer 3] , met voorbedachten rade van het leven wilden beroven. 4.3.3.2.1.7 Bedreiging door te schieten op [loungeclub] Voor veroordeling ter zake van bedreiging zoals onder 4 meer subsidiair is ten laste gelegd is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Het moet dus gaan om een bedreiging met een misdrijf die van zodanige aard is dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan en die is gedaan onder zodanige omstandigheden dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Vast staat dat verdachte met een automatisch vuurwapen een zestal kogels heeft afgevuurd op het pand waar [loungeclub] is gevestigd. Tevens staat vast dat niet alleen de eigenaar van deze club, [slachtoffer 6] , maar ook [slachtoffer 2] kennis heeft gekregen van deze beschieting. Naar het oordeel van de rechtbank levert het met een automatisch vuurwapen van een relatief korte afstand meermalen schieten op de gevel en deur van een horecagelegenheid zonder meer een zodanige omstandigheid op dat bij de bedreigde redelijke vrees voor zijn leven kon ontstaan en is er sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). 4.3.3.2.1.8 De conclusie ten aanzien van de feiten 3 en 4 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 primair en onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde. 4.3.3.2.2 De betrokkenheid van verdachte ten aanzien van de [adres 3] in Almelo De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte de persoon is die in de nacht van 18 op 19 september 2017 in Almelo met een vuurwapen de woning van [slachtoffer 7] en haar zoon aan de [adres 3] heeft beschoten. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting ontkend dat hij de persoon is die heeft geschoten op het pand aan de Rietstraat in Almelo. Vast staat dat meerdere ruiten van de woning aan de [adres 3] in Almelo kogelinslagen bevatten. Op de plaats delict zijn kogelhulzen aangetroffen van het merk en type Geco 9mm Luger, die waarschijnlijk zijn verschoten met een semi-automatisch werkend pistool kaliber 9mm Parabellum. Dit betreft een ander kaliber dan de hulzen die zijn aangetroffen op de plaatsen delict aan de [adres 1] en de [adres 2] in Enschede, alwaar in dezelfde nacht is geschoten. Verschillende getuigen zien het ter plaatse een Audi wegrijden en een ander ziet een BMW. Getuige [getuige 1] heeft gesproken over schieten in Almelo en dat verdachte ook hiervoor verantwoordelijk is. Deze verklaring ziet alleen op een plaatsnaam en is aldus zeer algemeen omschreven. De verklaring vindt ten aanzien van dit specifieke adres [adres 3] geen steun in andere objectieve bewijsmiddelen. Primair en subsidiair De rechtbank concludeert dat hoewel uit de gebezigde bewijsmiddelen aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte kunnen worden afgeleid, op grond van onderhavig dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die in de nacht van 18 op 19 september 2017 in Almelo met een vuurwapen de woning van mevrouw [slachtoffer 7] aan de [adres 3] heeft beschoten. De enkele verklaring van [getuige 1] is in het licht van de andere bevindingen in het dossier onvoldoende. Het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde kan aldus niet worden bewezen. Meer subsidiair Voor een strafbare voorbereiding, zoals onder 5 meer subsidiair is ten laste gelegd, moet ingevolge artikel 46 Sr sprake zijn van het opzettelijk verwerven, vervaardigen, in-, door-, of uitvoeren of voorhanden hebben van middelen, bestemd tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Deze middelen moeten bestemd zijn tot het begaan van het misdrijf, waarbij het gaat om de vraag of de middelen of voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Aan verdachte is onder 5 meer subsidiair ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen een screenshot of schermfoto met adres ‘ [adres 3] Almelo’ heeft vervaardigd, verworven, in-, door- of uitgevoerd of voorhanden heeft gehad en in de nabijheid van het pand heeft gepost, bewoners heeft geobserveerd en de daardoor verkregen informatie heeft vervaardigd, verworven, in-, door- of uitgevoerd of voorhanden heeft gehad, ter voorbereiding van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade. Vastgesteld kan worden dat verdachte in de maand augustus 2017 bij de Rietstraat heeft gepost en de bewoners heeft geobserveerd en deze informatie heeft doorgespeeld aan een ander. Verdachte bevindt zich naar eigen zeggen in een crimineel milieu waarin hij in opdracht voor anderen klussen uitvoert. Voorts is het niet ondenkbaar dat bij de voorbereiding van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling, zoals hier ten laste gelegd, wordt gezocht naar informatie omtrent de potentiële slachtoffers. Voor het bewijs dat het screenshot en de aangeleverde informatie uit het posten en observeren zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, moet uit het dossier met voldoende bepaaldheid blijken welk crimineel doel verdachte en/of zijn medeverdachten met het vergaren van deze informatie voor ogen hebben gehad. Hoewel het verkrijgen van informatie omtrent bepaalde panden of bewoners dienstig zou kunnen zijn voor enig misdadig doel, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van het dossier niet worden vastgesteld of verdachte ten tijde van het handelen met het gebruik van deze middelen het hem ten laste gelegde misdadig doel ook daadwerkelijk voor ogen had. De rechtbank concludeert daarom dat niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de voorbereiding van enig feit als in de tenlastelegging onder 5 meer subsidiair bedoeld, zodat vrijspraak dient te volgen. Nog meer subsidiair en meest subsidiair Ook ten aanzien van de nog meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde feiten geldt – gezien het onder het primair en subsidiair bepaalde – dat het verwijt dat verdachte de schutter is niet is bewezen. Voorts acht de rechtbank ook de voor een strafbare medeplichtigheid in de zin van artikel 48 Sr vereiste opzet – die moet zijn gericht op de eigen hulpverlening en op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp verleend wordt – niet bewezen. De conclusie ten aanzien van de [adres 3] in Almelo (feit 5) De rechtbank acht, anders dan de officieren van justitie, aldus niet bewezen wat aan verdachte onder 5 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem van feit 5 in het geheel zal vrijspreken. 4.3.3.2.3 De betrokkenheid van verdachte ten aanzien van de [adres 4] in Enschede De rechtbank ziet zich tot [verbalisant] gesteld voor de vraag of verdachte de persoon is die in de nacht van 17 op 18 september 2017 in Enschede met een vuurwapen de woning van Van Heijst en Blauw aan de [adres 4] heeft beschoten. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting ontkend dat hij de persoon is die heeft geschoten op de panden aan de Benkoelenstraat, Brinkstraat en Populierstraat in Enschede en het pand aan de Rietstraat in Almelo. Vast staat dat het rolluik van de woning aan de [adres 4] in Enschede twee perforaties bevat waarneembaar passend bij een schotbeschadiging. Er is geen aangifte gedaan van een beschieting. Een buurtbewoner heeft schoten gehoord en iemand zien wegrennen en andere buurtbewoners hebben schoten of knallen gehoord en een auto die snel wegreed. De gehoorde knallen zijn omschreven als van een vuurwapen, niet zijnde een automatisch vuurwapen. Ter plaatse zijn geen kogelhulzen en of patronen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 augustus 2017 aan de Populierstraat in Enschede is geweest. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte ook ten tijde van de beschieting in de nacht van 17 op 18 september 2017 op die locatie aanwezig was. Het standpunt van de officieren van justitie dat sprake is van een gelijke modus operandi ten aanzien van de beschietingen aan de Benkoelenstraat, Brinkstraat, Rietstraat en de Populierstraat deelt de rechtbank niet. De rechtbank weegt hierbij mee dat de beschieting aan de Populierstraat heeft plaatsgevonden op een ander moment in tijd en dat niet kan worden vastgesteld dat het aldaar gebruikte wapen overeenkomt met, noch gelijksoortig is aan een wapen dat is gebruikt bij de andere beschietingen. Primair en subsidiair De rechtbank concludeert dat op grond van onderhavig dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die in de nacht van 17 op 18 september 2017 in Enschede met een vuurwapen de woning van Van Heijst en Blauw aan de [adres 4] heeft beschoten. Meer subsidiair De vereisten voor een strafbare voorbereiding, zoals onder 6 meer subsidiair is tenlastegelegd, ingevolge artikel 46 Sr zijn hierboven bij de bespreking van feit 5 reeds uiteengezet. Onder 6 meer subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen een telefonisch bericht inhoudende een screenshot of schermfoto met het adres [adres 5] en een omschrijving van de woning op [adres 4] en een opdracht tot het observeren van die woning heeft vervaardigd, verworven, in-, door- of uitgevoerd of voorhanden heeft gehad en in de nabijheid van het pand heeft gepost, bewoners heeft geobserveerd en de daardoor verkregen informatie heeft vervaardigd, verworven, in-, door- of uitgevoerd of voorhanden heeft gehad, ter voorbereiding van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade. Vastgesteld kan worden dat verdachte ook bij de Populierstraat heeft gepost en de bewoners heeft geobserveerd en deze informatie heeft doorgespeeld aan een ander. Verdachte bevindt zich naar eigen zeggen in een crimineel milieu waarin hij in opdracht voor anderen klussen uitvoert. Zoals onder 5 meer subsidiair reeds besproken moet voor het bewijs dat het screenshot en de aangeleverde informatie uit het posten en observeren zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, uit het dossier met voldoende bepaaldheid blijken welk crimineel doel verdachte en zijn handlangers met het vergaren van deze informatie voor ogen hebben gehad. Hoewel het verkrijgen van informatie omtrent bepaalde panden of bewoners dienstig zou kunnen zijn voor enig misdadig doel, echter kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van het dossier ook ten aanzien van de Populierstraat in Enschede niet worden vastgesteld of verdachte ten tijde van het handelen met het gebruik van deze middelen het hem tenlastegelegde misdadig doel ook daadwerkelijk voor ogen had. De rechtbank concludeert daarom dat niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de voorbereiding van enig feit als in de tenlastelegging onder 6 meer subsidiair bedoeld, zodat vrijspraak dient te volgen. Nog meer subsidiair en meest subsidiair Ook ten aanzien van de nog meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde feiten geldt – gezien het onder het primair en subsidiair bepaalde – dat het verwijt dat verdachte de schutter is niet is bewezen. Voorts acht de rechtbank ook de voor een strafbare medeplichtigheid in de zin van artikel 48 Sr vereiste opzet – die moet zijn gericht op de eigen hulpverlening en op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp verleend wordt – niet bewezen. De conclusie ten aanzien van de [adres 4] in Enschede (feit 6) De rechtbank acht, anders dan de officieren van justitie, niet bewezen wat aan verdachte onder 6 primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem van feit 6 in het geheel zal vrijspreken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: 1. primair hij op of omstreeks 24 mei 2017, te Gronau (Bondsrepubliek Duitsland), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk met een pistool, althans een vuurwapen zesmaal, althans meermalen, (gericht) op die [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of die [slachtoffer 1] met (minimaal) vier kogels, in de linkerzij, het bekken, het linkerdijbeen en de linkerkuit, althans in het lichaam heeft getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 hij op of omstreeks 24 mei 2017, althans in of omstreeeks de maand mei 2017, te Enschede, in elk geval in Nederland en/of te Gronau (Bondsrepubliek Duitsland), een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Crvena Zastava, model 70. 9mm) en/of munitie van categorie III, te weten een aantal
(7)patronen (9x19mm volmantel), voorhanden heeft gehad; 3 primair hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, opzettelijk met een automatisch vuurwapen dertig, althans een groot aantal (zwaar kaliber) kogels heeft afgevuurd op een woning aan de [adres 1] door een of meer ruiten van de beneden- en/of bovenverdieping van die woning en/of daarbij de benedenverdieping van die woning met deze kogels doorzeefd heeft, in welke woning, op zowel de beneden- als de bovenverdieping, voornoemde personen zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 meer subsidiair hij op of omstreeks 19 september 2017, te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een automatisch vuurwapen zes, althans meerdere (zwaar kaliber) kogels af te vuren op [loungeclub] aan de [adres 2] en/of door een of meer ruiten èn/of deuren van die club. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 285 en 289 Sr en in artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 primair en feit 3 primair telkens het misdrijf: medeplegen van een poging tot moord; feit 2 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; feit 4 meer subsidiair het misdrijf: medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
- De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen andere straf op zijn plaats is dan de maximaal op te leggen straf: 26 jaren en zeven maanden. Rekening houdend met artikel 63 Sr en aldus de veroordeling van 19 april 2019 tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, vorderen de officieren van justitie dat voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren en zeven maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, wordt opgelegd. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat verzocht rekening te houden met het gegeven dat sprake is van pogingen en niet van voltooide levensdelicten. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, gezien de recente nog niet onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van zestien jaren, artikel 63 Sr van toepassing is. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte waarbij er enig perspectief moet zijn op een leven na detentie en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal pogingen tot moord, verboden wapenbezit en een ernstige bedreiging waarbij hij midden in de nacht met een automatisch vuurwapen op een shishalounge, gelegen in een woonwijk, heeft geschoten. Welbewust heeft verdachte samen met een of meer anderen tot twee maal toe getracht een mensenleven te beëindigen. Allereerst heeft verdachte [slachtoffer 1] , na deze [slachtoffer 1] met een mededader enige tijd per gestolen auto te hebben gevolgd vanuit Nederland naar [slachtoffer 1] woonplaats in Duitsland, opgewacht en op het moment dat [slachtoffer 1] uit zijn auto stapte van dichtbij onder vuur genomen. [slachtoffer 1] heeft ernstige verwondingen opgelopen aan zijn been en in zijn zij. Dat hij deze aanslag heeft overleefd mag een wonder heten. Het gebeuren heeft begrijpelijkerwijs een enorme impact gehad op [slachtoffer 1] , nu zijn leven door deze brutale gewelddadige daad plotseling zowel fysiek als emotioneel geheel overhoop is gegooid. Met name de tot op de dag van vandaag onbeantwoord gebleven vraag waarom juist hij het slachtoffer is geworden van deze laffe aanslag op zijn leven, maakt dat deze bijzonder beangstigende gebeurtenis [slachtoffer 1] blijvend achtervolgt. Enige maanden later is verdachte, wederom met een handlanger in een gestolen auto, midden in de nacht met een wapen in de auto in Enschede. Na eerst met een automatisch vuurwapen meermalen te hebben geschoten op het pand waarin [loungeclub] is gevestigd, heeft verdachte slechts enkele minuten daarna van korte afstand met hetzelfde automatisch vuurwapen een salvo van dertig kogels afgevuurd op een rijtjeswoning in een woonwijk. In dat huis is op dat moment niet alleen de bewoner [slachtoffer 2] – zichtbaar van buitenaf – in de woonkamer aanwezig, maar liggen ook de vriendin van [slachtoffer 2] , mevrouw [slachtoffer 3] en haar kleuterdochter boven te slapen. In de woning is een grote hoeveelheid kogels aangetroffen. Deze zijn van korte afstand afgevuurd. Dat bij deze aanslag geen doden of gewonden zijn gevallen is wonderbaarlijk. Ook deze slachtoffers zullen de gevolgen van deze bijzonder traumatische nachtelijke ervaring voor de rest van hun leven met zich mee moeten dragen. Verdachte heeft volstrekt roekeloos gehandeld door met al dan niet automatische vuurwapens midden in woonwijken te gaan schieten. Dergelijk angstaanjagend en levensgevaarlijk handelen heeft niet alleen een enorme impact op de direct betrokkenen, maar draagt ook voor de rechtsorde een bijzonder schokkend karakter, temeer nu een en ander zich afspeelt tegen de achtergrond van het criminele milieu. Het gebruik van zwaar geweld is hier zeker niet geschroomd. Verdachte heeft in opdracht en tegen betaling, in een zakelijke transactie, kil en meedogenloos gespeeld met mensenlevens, zonder zich op enigerlei wijze rekenschap te geven van de gevolgen van zijn daden. Het gegeven dat hierbij zonder enig pardon ook onschuldige burgers en zelfs kinderen worden betrokken, maakt deze daden des te schrijnender. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, dat gezien zijn jeugdige leeftijd al zeer omvangrijk is. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 1 oktober 2019, blijkt van eerdere veroordelingen wegens het plegen van delicten uit de Wet wapens en munitie, vermogens-, gewelds- en Opiumwetdelicten en recent, te weten op 19 april 2019, een (niet onherroepelijke) veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren (in de onderzoeken Zeelt/Tapir) wegens twee maal medeplegen van een poging tot moord door middel van opzettelijke brandstichting in een woning. Voorts heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van hetgeen over verdachte (ten aanzien van de onderzoeken Zeelt/Tapir) is opgenomen in op 5 januari 2018, 9 april 2018 en 3 juli 2018 opgemaakte adviezen van C. Dijt van GGZ Iriszorg Adviesunit Arnhem-Nijmegen alsmede van hetgeen over hem is opgenomen in de op 22 februari 2018 opgemaakte psychologische Pro Justitia rapportage van drs. L. Assa, GZ-psycholoog BIG. Uit die adviezen komt verdachte naar voren als een (onder enig voorbehoud) laagbegaafde man. Er is sprake van verslavingsproblematiek, ADHD van het gecombineerde type (impulsief, onnadenkend en sensation seeking) en een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Hij kan behoorlijk beïnvloedbaar zijn en laat zich dan in met behoorlijk grensoverschrijdend gedrag zonder de consequenties daarvan volledig te overzien. Hij heeft geen reguliere baan of een afgeronde vervolgopleiding. Hij heeft geen eigen woonruimte en daarnaast heeft hij schulden. Hij heeft weinig steun in de primaire kring en zijn sociale netwerk bestaat grotendeels uit mensen die hem negatief (kunnen) beïnvloeden, aldus Iriszorg. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen feiten als de onderhavige oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank is zich er van bewust dat langdurige vrijheidsbeneming een verdere verslechtering van de maatschappelijke perspectieven van verdachte tot resultaat zal hebben. Maar gelet op het meedogenloze gemak waarmee verdachte in opdracht en tegen betaling aanslagen pleegt op voor hem willekeurige personen en daarbij bovendien de levens van onschuldige burgers en zelfs kinderen ernstig in gevaar brengt, acht de rechtbank het belang om de maatschappij tegen verdachte te beveiligen in dit geval van groter gewicht dan de leeftijd van verdachte en diens perspectieven. De rechtbank betrekt in die overweging tevens de opstelling van verdachte, die op generlei wijze verantwoording aflegt over zijn handelen of inzicht geeft in zijn beweegredenen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat op dergelijke onder voornoemde omstandigheden gepleegde bijzonder kille daden geen andere reactie kan volgen dan de maximaal op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, waarbij de rechtbank conform de wettelijke vereisten de eerder dit jaar opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren zal verdisconteren. De rechtbank zal aldus aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren en zeven maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. 8De schade van benadeelden 8.1 De vordering van de benadeelde partij - [slachtoffer 1] (feit 1) [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door mr. A.P. Drosten, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 66.281,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat, na mondelinge wijziging ter zitting van 11 november 2019, uit de volgende posten: - daggeldvergoeding 38 dagen a € 30,-- € 1.140,00; - lening woninginrichting Losser € 2.152,44; - verlies verdiencapaciteit 1/6/17 – 1/6/19 € 32.988,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 30.000,-- gevorderd. - [benadeelde partij] (feit 3) [benadeelde partij] , vertegenwoordigd door mr. E.M. Keulen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.297,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - herstelkosten inboedel € 200,00;- hotel € 1.447,20;- vervangende telefoon € 150,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,00 gevorderd. - [slachtoffer 3] (feit 3) [slachtoffer 3] , vertegenwoordigd door mr. E.M. Keulen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.417,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat, na mondelinge wijziging ter zitting van 11 november 2019, uit de volgende posten: - reiskosten € 30,21; - vervangend verblijf € 836,64; - hoger beroep € 51,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,00 gevorderd. - [slachtoffer 2] (feit 3) [slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door mr. E.M. Keulen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.888,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - reiskosten: € 15,60; - hondenverblijf € 1.322,50; - hoger beroep € 50,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,00 gevorderd. - [slachtoffer 6] (feit 4) [slachtoffer 6] , vertegenwoordigd door mr. E.M. Keulen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 13.585,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - bezwaarprocedure € 1.247,96; (bestaande uit: advocaatkosten € 1.210,- en reiskosten € 37,96) - huurkosten bedrijfspand € 4.593,16; - inkomensverlies € 6.244,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,00 gevorderd. 8.2 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 1] in zijn geheel wordt toegewezen. Ten aanzien van de materiële schadeposten inzake de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben de officieren van justitie aangevoerd dat niet eenvoudig is vast te stellen in hoeverre de opgevoerde schadeposten rechtstreekse schade betreft of dat een soort conflict is beslecht waarbij het slachtoffer mogelijk een rol heeft gespeeld en dat [slachtoffer 2] hieromtrent niet geheel openheid van zaken heeft gegeven. Het uitzoeken van de vraag of en in hoeverre sprake is van medeschuld, brengt een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. Om die reden hebben de officieren van justitie verzocht [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering met betrekking tot de materiële schade. De vordering met betrekking tot de immateriële schade kan worden toegewezen nu [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] evident slachtoffer zijn van een strafbaar feit. De officieren van justitie hebben gevorderd [benadeelde partij] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering nu [benadeelde partij] niet in de tenlastelegging staat vermeld en nu hij geen onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij de huurder is van de betreffende woning aan de [adres 1] . Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 6] hebben de officieren van justitie verzocht de immateriële schade toe te wijzen voor een bedreiging met een referte ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag. Ten aanzien van de materiële schade hebben de officieren van justitie aangevoerd dat deze schadeposten met name zien op het besluit van de burgemeester van Enschede om [loungeclub] te sluiten, maar dat niet zonder meer vast staat dat de sluiting een rechtstreeks gevolg van de beschieting is geweest. Het nader onderzoeken hiervan betekent een onevenredige belasting van het strafproces, zodat de benadeelde voor dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. 8.3 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van alle benadeelden die in onderhavige zaak vorderingen hebben ingediend heeft de raadsvrouw primair niet ontvankelijkheid bepleit, nu in haar visie verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering van [slachtoffer 1] te matigen gezien het feit dat verdachte de komende jaren niet bij machte zal zijn om de vordering te voldoen. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [benadeelde partij] af te wijzen, omdat [benadeelde partij] geen bewoner meer was van de woning op perceel [adres 1] in Enschede. 8.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal hieronder iedere vordering afzonderlijk bespreken. 8.4.1 De vordering van [slachtoffer 1] (feit 1) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] . - de materiële schade De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is de post daggeldvergoeding ziekenhuis voldoende onderbouwd, aannemelijk en aldus toewijsbaar. Dat geldt eveneens voor de lening voor woninginrichting, gelet op de abrupte wijze waarop de benadeelde als gevolg van het strafbare feit zijn huis heeft moeten verlaten. Ten aanzien van het verlies verdiencapaciteit is gesteld dat de benadeelde partij per 1 juni 2017 zijn Duitse ziektewetuitkering heeft verloren. Gelet op zijn netto uurloon van € 7,93 netto per uur (in loondienst) gedurende de periode van 1 juni 2017 tot 1 juni 2019 dient de benadeelde partij door verdachte in – zo leest de rechtbank in het gestelde – zijn gederfde inkomsten gecompenseerd te worden. Hierover overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het strafbare feit genoot [slachtoffer 1] als werknemer van een Duitse onderneming een Duitse ziektewetuitkering. Niet blijkt waarom [slachtoffer 1] als werknemer van een Duits bedrijf deze uitkering verloor toen hij zijn woning moest verlaten, zoals in de vordering is gesteld. Evenmin blijkt uit de vordering waarom [slachtoffer 1] pas in augustus 2018 voor een (Nederlandse) bijstandsuitkering in aanmerking kwam. Bovendien is niet onderbouwd waarom [slachtoffer 1] , na toekenning van deze uitkering, nog steeds tot hetzelfde nettobedrag als voor 1 augustus 2017 inkomsten derft. Kortom, de onder de post verlies verdiencapaciteit opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. Gelet op het gebrek aan onderbouwing van de gestelde gederfde inkomsten en het causaal verband met het strafbare feit zal de rechtbank de gevorderde kosten voor verlies verdiencapaciteit afwijzen. - de immateriële schade De opgevoerde immateriële schade is niet betwist. Ten aanzien van het gevorderde smartengeld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Hij heeft getracht [slachtoffer 1] met zes pistoolschoten te vermoorden en heeft hem daarbij niet alleen forse lichamelijke schade toegebracht, maar ook buitengewoon aangetast in zijn gevoelens van veiligheid, tot op de dag van vandaag, zo blijkt uit de toelichting op de vordering. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat een smartengeldvergoeding van € 30.000,00 op zijn plaats is. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen opleggen. - de conclusie De rechtbank zal op grond van het vorenstaande het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 33.292,44, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en voor het overige afwijzen. 8.4.2 De vordering van [benadeelde partij] (feit 3) - de materiële schade Gelet op onder andere de verklaring van [slachtoffer 3] (inhoudende dat [benadeelde partij] tot enkele weken voor de beschieting in de woning had gewoond, maar nadien zijn kamer had afgestaan aan haar dochter), de verklaring van getuige [getuige 5] dat [benadeelde partij] op 19 september 2017 bij zijn ouders verbleef en bij gebrek aan andersluidende onderbouwing is onvoldoende komen vast te staan dat de gevorderde hotel- en herstelkosten het gevolg zijn van het beschieten van de woning aan de [adres 1] te Enschede. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde hotel- en herstelkosten afwijzen. Ten aanzien van de vervangingskosten van de in de woning in beslag genomen telefoon van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij te dien aanzien als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schadepost voldoende onderbouwd en aannemelijk en komen de aanschafkosten voor de tweedehandstelefoon van € 150,-- derhalve voor vergoeding in aanmerking. - de immateriële schade Ook ten aanzien van het gevorderde smartengeld geldt naar het oordeel van de rechtbank, gezien de door [slachtoffer 3] en [getuige 5] afgelegde verklaringen en het gebrek aan andersluidende onderbouwing, dat onvoldoende is komen vast te staan dat [benadeelde partij] daadwerkelijk zijn verblijf had in de woning ten tijde van het schade toebrengende feit. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade afwijzen. - de conclusie De rechtbank zal op grond van het vorenstaande het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en voor het overige afwijzen. 8.4.3 De vordering van [slachtoffer 3] (feit 3) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] . - de materiële schade De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten reiskosten (eerste aanleg) – na wijziging gesteld op € 30,21 – alsmede de kosten gemaakt voor vervangend verblijf (hotel) voldoende onderbouwd en aannemelijk en aldus toewijsbaar. Voor zover de vordering ziet op toekomstige reiskosten (hoger beroep) is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. - de immateriële schade De opgevoerde immateriële schade is niet betwist. Ten aanzien van het gevorderde smartengeld overweegt de rechtbank dat het alleszins voorstelbaar is dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte letterlijk in doodsangst heeft verkeerd – en bovendien in deze panieksituatie ook haar vijfjarige dochter in veiligheid heeft moeten brengen – en daarvan de gevolgen in haar dagelijks leven nog steeds ondervindt. Blijkens artikel 6:106 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan in een geval als onderhavig immateriële schadevergoeding worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Vast staat dat geen sprake is van lichamelijk letsel. Voor aantasting in de persoon is doorgaans vaststelling van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld vereist. Dat is in casu niet vastgesteld. De rechtbank acht echter in deze uitzonderlijke situatie de aard van de gedraging – waarbij met een zwaar kaliber wapen dertig keer op en door een woning is geschoten en deze, zo te zeggen, is doorzeefd met kogels – van dien aard dat een aanspraak op smartengeld zonder meer gerechtvaardigd is. Derhalve zal de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijzen. - de conclusie De rechtbank zal op grond van het vorenstaande het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 8.366,85, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. 8.4.4 De vordering van [slachtoffer 2] (feit 3) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] . - de materiële schade De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten reiskosten (eerste aanleg) alsmede de kosten gemaakt voor huisdierenopvang voldoende onderbouwd en aannemelijk en aldus toewijsbaar. Voor zover de vordering ziet op toekomstige reiskosten (hoger beroep) is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. - de immateriële schade De opgevoerde immateriële schade is niet betwist. Ten aanzien van het gevorderde smartengeld overweegt de rechtbank dat het alleszins voorstelbaar is dat de benadeelde partij als gevolg van het han