RECHTBANK OVERIJSSEL Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer: C/08/169904 / ES RK 15-979 (verdeling en partneralimentatie) beschikking van 15 maart 2019 inzake [de man] , verder te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat: mr. K.H.P. Selcraig te Zwolle, en [de vrouw] , verder te noemen: de vrouw, wonende op een geheim adres, verweerder, advocaat M.J. Verdult te Rotterdam. 1Het procesverloop 1.
- Eerder heeft deze rechtbank op 17 april 2015 een eindbeschikking gegeven in de zaak C/08/161888 / ES RK 14-2616 en in de zaak C/08/169904 / ES RK / 15-979 de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden. 1.
- De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de volgende stukken: - een op 28 augustus 2017 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Fernhout van 24 augustus 2017; - een op 30 augustus 2017 binnengekomen brief met bijlagen van/namens de vrouw van 29 augustus 2017; - een op 4 september 2017 binnengekomen brief met bijlage van mr. Fernhout van 1 september 2017; - een op 5 oktober 2017 binnengekomen verweerschrift op aanvullend verzoekschrift tevens houdende zelfstandig verzoek; - een op 1 november 2017 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Verdult van 31 oktober 2017; - een op 1 november 2017 binnengekomen verweerschrift op zelfstandig verzoek van mr. Fernhout van 31 oktober 2017; - een op 30 januari 2018 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Fernhout van 29 januari 2018; - een op 30 januari 2018 binnengekomen brief, tevens aanvullend verzoek, met bijlage van mr. Verdult van diezelfde datum. 1.
- Op 1 februari 2018 heeft een verdere mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. 1.
- Nadien zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen: - diverse uitstelverzoeken van partijen; - op 3 september 2018, 4 oktober 2018, 18 februari 2019, 19 februari 2019 de brieven (met bijlagen) van mr. Verdult; - op 13 september 2018, 3 oktober 2018, 15 oktober 2018, 18 februari 2019, 22 februari 2019 de brieven (met bijlagen) van mr. Selcraig. 1.
- Vervolgens heeft op 28 februari 2019 een verdere mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. 2De feiten 2.
- Partijen zijn op [datum 1] 2004 met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. 2.
- Bij beschikking van 17 april 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 13 mei 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Indonesische nationaliteit. 2.
- De echtelijke woning aan de [adres] is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde. 2.
- Op de zitting van 1 februari 2018 hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt, die zijn opgenomen in een uittreksel proces-verbaal d.d. 1 februari
- De afspraken luiden als volgt: Partijen sturen gezamenlijk een brief naar Delta Lloyd ( [rekeningnummer 1] ) en Nationale Nederlanden ( [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ) om de huidige waarden van deze polissen op naam van de man op te vragen, en om informatie op te vragen of respectievelijk in hoeverre sprake is van (welke) latente belastingclaims, respectievelijk of de polissen splitsbaar zijn en/of wijziging van de begunstiging moet plaatsvinden indien deze aan de man worden toebedeeld (waaraan de vrouw zal moeten meewerken) en of er nog meer polissen bestaan op naam van de man en met welke waarde; Partijen sturen ook gezamenlijk een brief naar ING en ABN AMRO om te vragen of er behoudens de reeds bekende rekeningen nog meer bankrekeningen op naam van de man bestaan, wat de saldi zijn en of de spaarloonrekening bij de ING tijdens het huwelijk reeds is afgekocht; Partijen sturen voorts gezamenlijke brieven aan de pensioenverzekeraars van de man en de vrouw om verduidelijking te vragen of de man meer pensioen heeft dan van PMT en wat de vrouw aan pensioenuitkering thans respectievelijk in de toekomst ontvangt, ook van haar vorige, eerste echtgenoot, en of/wanneer er pensioen is afgekocht; Het tweede blad van de ABN bankrekening [rekeningnummer 2] (productie 29 van de man) ontbreekt en zal door de man worden opgevraagd en worden overgelegd aan de vrouw; Beide partijen vragen de belastingaangiften/-aanslagen 2014 en 2015 op bij de belastingdienst dan wel als deze nu al beschikbaar zijn, verlenen zij elkaar inzage hierin, tenzij partijen hier in onderling overleg alsnog van afzien. 3Het verzoek Voor het verzoek van de man wordt verwezen naar voornoemde beschikking van 17 april
- 4Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de man tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af te wijzen. Zij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform het verzoek van de vrouw (zoals omschreven in het verweerschrift onder punt 18 tot en met 31); - te bepalen dat de man aan de vrouw € 2.000,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud betaalt, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. 5Het verweer op het zelfstandig verzoek 5.
- Naar de mening van de man dient het zelfstandig verzoek te worden afgewezen. Hij persisteert voor het overige. 5.
- Partijen hebben in de loop van de procedure hun verzoeken en hun standpunten gewijzigd/verminderd, zoals hieronder aangegeven en zoals blijkt uit de pleitnota van mr. Selcraig ter zitting waarin - naar in confesso tussen partijen ter zitting - alle (resterende) geschilpunten zijn benoemd. 6De verdere beoordeling De verdeling De bevoegdheid van de rechtbank en het toe te passen recht 6.
- De rechtbank heeft op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht met betrekking tot de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. 6.
- Partijen zijn na 31 augustus 1992 gehuwd, zodat het huwelijk een verdragshuwelijk is in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HV 1978). Van een uitdrukkelijke rechtskeuze van partijen is niet gebleken. 6.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Indonesische nationaliteit. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van partijen in Nederland is gelegen. 6.
- Op grond van artikel 4 lid 1 HV 1978 is het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. De verdeling 6.
- Thans is nog aan de orde de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. 6.
- Partijen hebben overeenstemming over betaling van een bedrag van € 2.700,18 door de vrouw aan de man. Dit vergoedingsbedrag - door partijen aangeduid als verrekenvorderingen - ziet onder meer op de aan de man toegedeelde Dela-uitvaartverzekering, een korte tijdspanne waarin de vrouw verevening misliep van het inmiddels verevende PMT-pensioen van de man, de feitelijk tussen partijen verdeelde inboedel en de auto. Een precisering van de betreffende aldus verrekende vermogensbestanddelen is – naar niet in geschil tussen partijen – correct verwoord in de pleitnota van mr. Fernhout, de voormalig advocaat van de man. Een nadere beslissing op dit punt is niet aan de orde. De man heeft zijn aanvullende verrekenvordering in zijn brief van 19 februari 2019 ter zitting ingetrokken. 6.
- Tevens hebben partijen overeenstemming dat het depot onder de notaris - na verkoop van de voormalig echtelijke woning - bij helfte tussen partijen wordt gedeeld en dat het volledige depot, lees: het alsdan blijkende bedrag, thans aan de vrouw kan en zal worden uitgekeerd als voorschot in het kader van de over en weer door ieder van partijen aan elkaar verschuldigde vergoedingen wegens overbedeling. Een (nadere) beslissing van de rechtbank is niet verzocht. 6.
- Partijen zijn het er over eens dat de polis lijfrente groeirekening bij Delta Lloyd met nummer eindigend op . [rekeningnummer 1] wordt toegedeeld aan de man en dat de man wegens overbedeling aan de vrouw € 3.722,21 zal vergoeden, waarbij reeds rekening is gehouden met belastinglatentie. 6.
- Partijen stemmen in met afkoop van de op naam van de man staande polis levensverzekering bij Nationale Nederlanden met het nummer eindigend op . [nummer 1] en zullen binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking, voor zover vereist gezamenlijk, het verzoek doen aan Nationale Nederlanden tot uitkering. Ieder heeft recht op de helft van de netto waarde, met dien verstande dat uit de belastingaangifte en -aanslag 2019 van de man zal blijken wat (uiteindelijk) de netto bij helfte tussen partijen te verdelen waarde zal blijken te zijn. 6.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de overlijdensrisicoverzekering bij Nationale Nederlanden met het nummer eindigend op . [nummer 2] geen waarde (meer) vertegenwoordigt als gevolg van een eerdere beëindiging. 6.
- Tussen partijen staat vast dat € 8.521,- beschikbaar was/is als lijfrentekapitaal bij Nationale Nederlanden geregistreerd onder het nummer eindigend op . [nummer 3] . Partijen zullen Nationale Nederlanden binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking, verzoeken over te gaan tot uitkering aan de man. In de netto verdeling bij helfte moet betrokken worden de uit de IB-aangifte respectievelijk IB-aanslag 2019 van de man blijkende belastinglatentie. 6.
- Partijen zullen binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking Nationale Nederlanden verzoeken de alsdan blijkende saldi van de beleggingsrekeningen met de nummers eindigend op . [nummer 4] en . [nummer 5] aan de man uit te keren. Verdeling van de netto waarden vindt bij helfte plaats, wederom met dien verstande dat de op de uitkeringen rustende belastingen – blijkend uit de aangifte en aanslag 2019 van de man – bij helfte door partijen worden gedragen. 6.
- De man heeft gemotiveerd betwist dat op zijn respectievelijk op gezamenlijke namen van partijen op de peildatum, bankrekeningen bij de ING-bank dan wel bij de ABN AMRO Bank bestonden, zonder dat de vrouw haar daarop gerichte verdelingsverzoeken heeft onderbouwd. Dit verdelingsverzoek van de vrouw ligt daarmee voor dadelijke afwijzing gereed. 6.
- Met betrekking tot onroerend goed in Indonesië respectievelijk Molukken is de rechtbank, in het licht van de stellingen van partijen van oordeel dat evenmin sprake is van thans nog te verdelen/vergoeden vermogensbestanddelen van (een van) partijen, reden waarom geen termen bestaan voor een verdelingsbeslissing dienaangaande. De bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw 6.
- De rechtbank overweegt met betrekking tot de behoefte en behoeftigheid van de vrouw het volgende. 6.
- Nog daargelaten of de vrouw haar huwelijksgerelateerde behoefte voldoende heeft onderbouwd, hetgeen zij ter zitting voor het eerst (enigszins) heeft gedaan door een (niet met draagkrachtberekeningen onderbouwd) beroep te doen op de zogeheten Hofnorm aan de hand van de inkomens van partijen in 2016, heeft de vrouw haar behoeftigheid onvoldoende onderbouwd. Gelet op het gemotiveerde verweer van de man ten aanzien van de behoeftigheid (en de behoefte) van de vrouw, had de vrouw haar stelling, dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud, nader dienen te onderbouwen. Omdat zij dat heeft nagelaten, kan de rechtbank niet komen tot een vaststelling van de behoeftigheid. 6.
- Zo heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat zij niet (meer) kan werken. Uit het toekennen van de WGA-uitkering aan de vrouw, volgt niet zonder meer dat de vrouw niet (meer) kan werken, doch slechts dat zij thans minder verdient dan voorheen (bijlage A van de vrouw). De vrouw heeft haar stellingen dat zij niet kan werken in verband met haar psychische, lichamelijke problemen en haar diagnose PTSS, onvoldoende met verifieerbare stukken onderbouwd. Gelet op onder meer de leeftijd van de vrouw en haar werkervaring, valt niet zonder meer te zeggen dat zij niet in staat kan worden geacht haar verdiencapaciteit uit te breiden. De vrouw heeft onvoldoende verifieerbaar onderbouwd dat zij inspanningen heeft verricht om werk te vinden. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Aan de bespreking van de draagkracht van de man komt de rechtbank dan ook niet toe. De proceskosten 6.
- De rechtbank zal de proceskosten compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure geen zogenoemde ‘nodeloos gevoerde’ procedure betreft. 7De beslissing De rechtbank: 7.
- verstaat dat partijen met elkaar zijn overeengekomen de afspraken zoals hiervoor onder 6.6 - 6.12 vermeld en veroordeelt partijen over en weer tot nakoming hiervan; 7.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.
- compenseert de kosten van dit geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; 7.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier. Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie. Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak; door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt; door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.