← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2020:1372

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/1742 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] (Duitsland), eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder, gemachtigde: G.J. ten Brinke. Procesverloop Eiser heeft op 6 september 2019 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 11 oktober 2019 een reactie op het verweerschrift ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart

  1. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser heeft in zijn beroepschrift via de rechtbank verzocht/geëist dat verweerder de ontbrekende stukken behorend bij het Dossier Zwembad Tubbergen afgeeft dan wel overhandigt. Eiser vraagt hierom, omdat op meerdere verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wet Wob) delen van de stukken zijn verstrekt en de belangrijke items uit de stukken niet. Eiser heeft in zijn beroepschrift omschreven op welke stukken zijn verzoek ziet.
  3. Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de bestuursrechter. Onder een besluit wordt volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
  4. Uit de door verweerder overgelegde stukken is gebleken dat eiser in 2014, 2015 en 2018 bij verweerder stukken in het kader van de Wet Wob heeft opgevraagd. Verweerder heeft op deze verzoeken beslist. Tegen verweerders besluiten op deze Wob-verzoeken zijn geen rechtsmiddelen aangewend door eiser. 4.1 Na het laatste Wob-verzoek van 1 mei 2018 heeft eiser bij verweerder geen verzoek meer ingediend waarop verweerder had moeten beslissen. Dit hebben partijen ter zitting bevestigd. 4.2 Hieruit volgt dat geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar dan wel beroep openstaat. De rechtbank is dan ook niet bevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen. 4.3 De bestuursrechter is evenmin bevoegd om een bestuursorgaan, zoals verweerder, iets op te dragen, tenzij daaraan een vernietigd besluit ten grondslag ligt.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, als griffier. De beslissing is uitgesproken op Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. De griffier is buiten staat rechter deze uitspraak mede te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.