← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2020:2959

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-952251-20 en 08-025218-20 Datum vonnis: 10 september 2020. Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats 1] , wonende aan [adres 1] , nu verblijvende in P.I. Sittard te Sittard. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. ten Velde en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.C.J. Peek, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Parketnummer 08/952251- 20 1. in de periode van 25 september 2019 tot en met 22 februari 2020 samen met een ander of anderen geldbedragen heeft witgewassen dan wel zich ten aanzien van die geldbedragen schuldig heeft gemaakt aan heling, en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. 2. in de periode van 24 september 2019 tot en met 22 februari 2020 samen met een ander of anderen computervredebreuk heeft gepleegd waarbij wederrechtelijk in het banksysteem van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is binnengedrongen en /of een computerwachtwoord, of toegangscode van een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verspreid of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel l38ab, eerste lid, 138h of 139e van het Wetboek van Strafrecht zou worden gepleegd. 3. primair in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 17 februari 2020 samen met een ander of anderen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft opgelicht, waarbij die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] door verdachte en die ander(

  1. en)- via WhatsApp - zijn bewogen om met spoed een of meer geldbedrag(
  2. en)over te boeken; subsidiair in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 17 februari 2020 medeplichtig is geweest aan de oplichting van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] waarbij die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] door één of meer anderen - via WhatsApp – werden bewogen om geldbedrag(
  3. en)over te boeken en verdachte - al dan niet samen met een ander of anderen - aan de mededader(
  4. s)een pinpas, pincode en toegangscode heeft verschaft en een bankrekening ter beschikking heeft gesteld; meer subsidiair in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 17 februari 2020 samen met een ander of anderen meerdere geldbedragen heeft witgewassen en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt. 4. in de periode van 7 september 2019 tot en met 21 april 2020 samen met een ander of anderen verschillende geldbedragen of hoeveelheden geld heeft witgewassen en van het plegen daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Parketnummer 08-025218-20. 1. primair : omstreeks 13 april 2019 computervredebreuk heeft gepleegd waarbij in de persoonlijke bankomgeving van [slachtoffer 7] is binnengedrongen; subsidiair: omstreeks 13 april 2019 een geldbedrag (van totaal 1902 euro), heeft witgewassen. 2. primair: omstreeks 13 april 2019 samen met een ander of anderen [slachtoffer 8] heeft opgelicht door die [slachtoffer 8] via WhatsApp te bewegen tot afgifte van in totaal 1.902,21 euro, en kort nadat die [slachtoffer 8] de bedragen had overgemaakt dat geld te pinnen; subsidiair: omstreeks 13 april 2019 medeplichtig is geweest aan oplichting van [slachtoffer 8] , waarbij die [slachtoffer 8] werd bewogen tot afgifte van in totaal 1.902,21 euro en waarbij verdachte een pinpas en/of pincode en/of toegangscode ten behoeve van internetbankieren heeft verschaft van een rekening waarop de geldbedragen konden worden gestort en via WhatsApp een betaallink heeft verschaft aan mededader(
  5. s)die werd gebruikt om die [slachtoffer 8] geld te laten overboeken naar dat rekeningnummer en door het pinnen van die gelden; meer subsidiair: omstreeks 13 april 2019 een hoeveelheid geld (te weten 1.902,21 euro) heeft witgewassen. 3. op 29 januari 2020 te Deventer een vuurwapen, te weten een pistool, van het merk Smith & Wesson, type 2213, voorhanden heeft gehad. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - dat: Parketnummer 08/952251- 20 1. hij op één of neer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 september 2019 tot en met 22 februari 2020, te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(
  6. s)wist(
  7. en)dat die voorwerp(
  8. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
  9. s)wist(
  10. en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:  op 25 september 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2.315 euro) (zaak 2, aangifte [slachtoffer 9] , dossier vanaf pag.1000),  op 25 september 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.600 euro) (zaak 3, aangifte [slachtoffer 10] , dossier vanaf pag.l100),  op 22 oktober 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2.411 euro) (zaak 5, aangifte [slachtoffer 11] , dossier vanaf pag. 1300)  op 22 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 6.045 euro) (zaak 11, aangifte [slachtoffer 12] , dossier vanaf pag. 1600)  op 22 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3.868 euro) (zaak 12, aangifte [slachtoffer 13] , dossier vanaf pag. 1700), en hij en/of zijn mededader(
  11. s)van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt. 2 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2019 tot en met 22 februari 2020 te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke bankomgeving van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is binnengedrongen, [alias medeverdachte 1] . door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, te weten c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode en/of een (valse) inlogcode ten behoeve van toegang tot mobielbankieren van de rekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en/of toebehorende pinpas met bijbehorende pincode en/of bankrekening, d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode en/of een (valse) inlogcode ten behoeve van toegang tot mobielbankieren van de rekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en/of toebehorende pinpas met bijbehorende pincode en/of bankrekening en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf/haarzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door het (telkens) pinnen van grote geldbedragen en/of het doen van aankopen van goederen) en/of hij in of omstreeks 24 september 2019 tot en met 22 februari 2020 te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel l38ab, eerste lid, 138h of 139e Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door  de pinpas met bijbehorende pincode en/of de inloggegevens ten behoeve van internetbankieren van de bankrekening van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] voorhanden te hebben en/of  met die pinpas en bijbehorende pincode geld te pinnen en/of goederen aan te schaffen en/of  met die inloggegevens in te loggen op het persoonlijke mobiel/internetbankieren account van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of  vervolgens geld te pinnen en/of goederen aan te schaffen vanaf de rekening van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ; (zaak 2, dossier pag. 1000), (zaak 3, dossier pag. 1100) (zaak 5, dossier pag. 1300) (zaak 11, dossier pag. 1600) (zaak 12, dossier pag. 1700) 3 primair: hij op of omstreeks 19 oktober 2019 en/of 17 februari 2020 te Deventer, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten resp. in totaal 10.150 euro en/of 1.440 euro en/of 4.330 euro), door (via (een) mededader(s)), met die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ,  middels een mobiel telefoonnummer via Whatsapp contact op te nemen en zich daarbij voor te doen als een familielid van die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]  daarbij aan te geven een nieuw telefoonnummer te hebben,  tegenover die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] te doen voordoen dat er een storing bij de bank zou zijn  vervolgens die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken; (zaak 4, dossier pag. 1200) (zaak 9, dossier pag. 1400) (zaak 10, dossier pag. 1500) Subsidiair: één of meer onbekend gebleven dader(
  12. s)op of omstreeks 19 oktober 2019 en/of 17 februari 2020 te Deventer, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten resp. in totaal 10.150 euro en/of 1.440 euro en/of 4.330 euro), door (via (een) mededader(s)) met die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]  middels een mobiel telefoonnummer via WhatsApp contact op te nemen en zich daarbij voor te doen als een familielid van die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]  daarbij aan te geven een nieuw telefoonnummer te hebben,  tegenover die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] te doen voordoen dat er een storing bij de bank zou zijn  vervolgens die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken, tot en/of bij het plegen van welk(
  13. e)misdrijf/misdrijven verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen op/in of omstreeks (een korte periode voor) 25 september 2019 en/of l (een korte periode voor) 17 februari 2020 te Deventer en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid/ middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door  het ronselen/verschaften/voorhanden hebben van een pinpas en/of pincode en/of toegangscode ten behoeve van internetbankieren van de bankrekening(
  14. en)waar voornoemde bedragen op konden worden gestort,  het ter beschikking laten stellen van zijn medeverdachtes bankrekening ten behoeve van het storten van het/de hiervoor genoemde bedrag/bedragen  het doorgeven via WhatsApp aan die onbekend gebleven mededader(
  15. s)van een betaallink met daarop een bedrag en een bankrekeningnummer, welke betaallink werd gebruikt om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] geld te laten overboeken naar die bankrekeningnummers en/of  het kort na het overmaken van het geld door die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] pinnen van die gelden; (zaak 4, dossier pag. 1200) (zaak 9, dossier pag. 1400) (zaak 10, dossier pag. 1500) Meer subsidiair: hij op één of meer tijdstippen op in of omstreeks 19 oktober 2019 en/of 17 februari 2020, te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen. althans alleen, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard/ de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(
  16. s)wist(
  17. en)dat die voorwerp(
  18. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
  19. s)wist(
  20. en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:  op 19 oktober 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.151 euro) (zaak 4, dossier vanaf pag. 1200)  op 17 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.440 euro) (zaak 9, dossier vanaf pag. 1400)  op 17 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4.330 euro) (zaak 10, dossier vanaf pag. 1500), en hij en/of zijn mededader(
  21. s)van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt; 4. hij in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 21 april 2020, te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
  22. s)wist(
  23. en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten een geldbedrag van  3.400 3.400 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 1, aangifte [slachtoffer 14] , dossier vanaf pag. 2000),  3.400 1.500 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 6, aangifte [slachtoffer 15] , dossier vanaf pag. 2100),  3.400 2.495 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 7, aangifte [slachtoffer 16] , dossier vanaf pag. 2200)  3.400 2.400 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 8, aangifte [slachtoffer 17] , dossier vanaf pag. 2300),  3.400 2.371 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 14, aangifte [slachtoffer 18] , dossier vanaf pag. 2400)  3.400 2.230 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 15, aangifte [slachtoffer 19] , dossier vanaf pag. 2500)  3.400 een hoeveelheid geld (zaak 16, aangifte [slachtoffer 20] , dossier vanaf pag. 2600)  3.400 een hoeveelheid geld (zaak 17, aangifte [slachtoffer 21] , dossier vanaf pag. 2700)  3.400 3.580 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 18, aangifte [slachtoffer 22] , dossier vanaf pag. 2800),  3.400 1.000 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 19, aangifte [slachtoffer 23] , dossier vanaf pag. 2900)  3.400 9.850 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 22, aangifte [slachtoffer 24] , dossier vanaf pag. 3200),  3.400 500 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 23, aangifte [slachtoffer 25] , dossier vanaf pag. 3300)  3.400 3.160 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 24, aangifte [slachtoffer 26] , dossier vanaf pag. 3400) en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; Parketnummer 08/025218-20 1 Primair : hij op één of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 13 april 2019 te Deventer, althans (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke bankomgeving van [slachtoffer 7] en/of een pinautomaat van de Rabobank, is binnengedrongen [alias medeverdachte 1] . door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, te weten, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode van die [slachtoffer 7] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en/of toebehorende pinpas met bijbehorende pincode, d. door het aannemen van een valse hoedanigheid door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode van die [slachtoffer 7] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en/of toebehorende pinpas met bijbehorende pincode; Subsidiair: hij op of omstreeks 13 april 2019 te Twello, gemeente Voorst en/of te Deventer, althans (elders) in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (totaal 1902 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. 2. Primair: hij op of omstreeks 13 april 2019 te Twello, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te wetende afgifte van een hoeveelheid geld (in totaal 1902,21 euro), door  middels een mobiel telefoonnummer via WhatsApp contact op te nemen met die [slachtoffer 8] en zich daarbij voor te doen als de zoon van die [slachtoffer 8] en/of  deze [slachtoffer 8] te doen voorkomen dat er een storing bij de bank zou zijn en/of  deze [slachtoffer 8] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken en/of  kort nadat die [slachtoffer 8] de bedragen had overgemaakt het pinnen van dat geld; Subsidiair: één of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(
  24. en)op of omstreeks 13 april 2019 te Twello, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te wetende afgifte van een hoeveelheid geld (in totaal 1902,21 euro), door  middels een mobiel telefoonnummer (06-) via WhatsApp contact op te nemen met die [slachtoffer 8]  en zich daarbij voor te doen als de zoon van die [slachtoffer 8] en/of  deze [slachtoffer 8] te doen voordoen dat er een storing bij de bank is en/of  deze [slachtoffer 8] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken, waardoor die [slachtoffer 8] werd bewogen tot de afgifte van die hoeveelheid geld, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks (in een korte periode voorafgaande aan) 13 april 2019 te Twello en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door  het ronselen/verschaften/voorhanden hebben van een pinpas en/of pincode en/of toegangscode ten behoeve van internetbankieren van de bankrekening(
  25. en)waar voornoemde bedragen op konden worden gestort,  deze één of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(
  26. en)de persoonlijke gegevens van voornoemde [slachtoffer 8] ter beschikking te stellen en/of  het doorgeven via WhatsApp aan die onbekend gebleven mededader(
  27. s)van een betaallink met daarop een bedrag en een bankrekeningnummer, welke betaallink werd gebruikt om die [slachtoffer 8] geld te laten overboeken naar dat bankrekeningnummer en/of  het kort na het overmaken van het geld door [slachtoffer 8] pinnen van die gelden; Meer subsidiair: hij op of omstreeks 13 april 2019 te Twello, althans (elders) in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (te weten 1902,21 ), voorhanden heeft gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. 3. hij op of omstreeks 29 januari 2020 te Deventer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Smith & Wesson, type 2213, kaliber .221r. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding Ten aanzien van parketnummer 08-952251-20 De feiten 1, 2, 3 en 4: Op 12 december 2019 heeft een medewerker [casino 1] te Deventer aangifte gedaan van witwassen. In de aangifte werd melding gedaan van het feit dat in het casino meerdere malen geld was opgenomen dat vermoedelijk was verkregen uit strafbare feiten. Uit de politiesystemen bleek dat ook op 28 oktober 2019 melding was gedaan van vergelijkbare, opmerkelijke, geldopnames in [casino 1] . Het casino had daarvan de camerabeelden veiliggesteld. Naar aanleiding van de aangifte van december 2019 heeft de officier van justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘ Lucky ONRAA20001 ’. Uit onderzoek bleek dat bij de "verdachte” pintransacties in [casino 1] op 19 en 22 oktober 2019 verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken waren. Op 19 oktober 2019 werd gezien dat twee mannen veel contant muntgeld hadden gepind, dat door hen even later werd ingewisseld voor briefgeld. De mannen hadden in een tijdsbestek van 22 minuten voor € 1.800,-- aan munten gepind. Op 22 oktober 2019 werden dezelfde twee mannen gezien in het casino terwijl zij bij de pinautomaat muntgeld pinden. De mannen pinden toen met verschillende telefoons binnen 21 minuten een bedrag van € 1.180,-- aan muntgeld en wisselden dat geld even later om. Gevraagd naar hun legitimatie heeft één van de twee mannen op 22 oktober 2019 een identiteitsbewijs getoond op naam van [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1992. De andere man rende het casino uit. Even later rende ook degene die zich gelegitimeerd had het casino uit, onder achterlating van een bankpas, zijn identiteitsbewijs en een bedrag van € 1.063,50. Het vermoeden was dat de twee mannen geld hadden gepind van een rekening die niet aan hen toebehoorde en zich schuldig maakten aan witwassen. Verbalisant [verbalisant 1] herkende later de tweede man als [medeverdachte 1] . Ten aanzien van parketnummer 08-025218-20 De feiten 1 en 2 Op 18 april 2019 heeft [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ) aangifte gedaan van identiteitsfraude en oplichting, gepleegd via WhatsApp. Aangever had op 13 april 2019 verschillende WhatsApp berichten ontvangen vanaf telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hij zag daarbij een profielfoto van zijn zoon en kleinzoon. In het eerste bericht werd door ‘zijn zoon’ gemeld dat hij een nieuw nummer had en dat zijn oude nummer kon worden gewist. Na een berichtje over het eten appte ‘zijn zoon’ dat zijn bank een storing had waardoor hij problemen had met de betaling van enkele rekeningen. [slachtoffer 8] kreeg het verzoek om twee forse rekeningen te betalen. Aangever had de indruk dat het verhaal klopte omdat zijn zoon met de tuin bezig was en de rekeningen daar betrekking op hadden. Verzocht werd om een bedrag van € 973,72 en een bedrag van € 928,49 over te maken naar een - via WhatsApp doorgegeven - rekeningnummer op naam van [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ). Beide bedragen zijn door aangever overgemaakt naar voornoemd rekeningnummer. Toen even later de zoon van aangever arriveerde, begreep aangever van zijn zoon dat hij niet verzocht had om het geld over te boeken. Daarop is contact met de bank opgenomen. Het gestorte bedrag (in totaal: € 1902,21 euro) kon niet meer worden gestorneerd. Op basis van onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van [rekeningnummer 1] , de verklaringen van rekeninghouder [slachtoffer 7] , onderzoek aan de hand van camerabeelden van de Rabobank naar de pintransacties op 13 april 2019 tussen 17:50 uur en 17:55 uur - waarbij geldbedragen van € 900,-- en € 1.000,-- zijn opgenomen van genoemde bankrekening - kwam verdachte naar voren als de pinner van het geld. Feit 3: Tijdens zijn verhoor naar aanleiding van het voorgaande heeft verdachte op 29 januari 2020 onder meer verklaard dat het klopt dat hij de beschikking over een vuurwapen had, een ‘Smith en Wesson’, zoals onder 3 ten laste gelegd. Het vuurwapen is mede aan de hand van de verklaringen van verdachte en zijn vriendin op 29 januari 2020 in beslag genomen. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de feiten onder 08-952251-20 Ten aanzien van parketnummer 08-952251-20 onder 1 en 2 acht de officier van justitie op basis van het onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de zaken met de zaaknummers 2, 3 en 5 in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en/of anderen schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Verdachte en de medeverdachte hebben de in die zaken ten laste gelegde geldbedragen verworven en voorhanden gehad door die gelden te pinnen. Ten aanzien van de vraag in hoeverre sprake is geweest van medeplegen is de officier van justitie van mening dat uit het dossier blijkt dat zowel verdachte [verdachte] als verdachte [medeverdachte 1] bij de feiten van de zaakdossiers 2 en 3 en 5 betrokken zijn geweest, en die feiten ook tezamen en in vereniging hebben gepleegd. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat het dossier vele camerabeelden bevat die zien op zaakdossiers waarop alleen verdachte [verdachte] is te zien, maar tevens camerabeelden waar (mede-)verdachte [medeverdachte 1] op te zien is, bijvoorbeeld op de camerabeelden van de gebeurtenissen die zich op 25 september 2019 bij de [winkel] en bij [tankstation] hebben voorgedaan. De verdachten verplaatsten zich op dat moment samen in een auto, te weten een Ford Fiësta. De inbeslaggenomen en uitgelezen telefoon van [medeverdachte 1] bevatte vele foto’s van (verschillende) bankpassen, chatgesprekken met ‘geldezels’ alsook berichten waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] betaallinks heeft aangemaakt en die naar [verdachte] heeft verzonden. Ten aanzien van zaakdossier 5 geldt dat op camerabeelden, opgenomen in het casino, beide verdachten, [verdachte] en [medeverdachte 1] , samen zijn te zien. Ten aanzien van verdachte [verdachte] geldt dat het dossier voldoende bewijs bevat om te concluderen dat hij ook de feiten van de zaakdossiers 11 en 12 samen met een ander of anderen heeft gepleegd. De geldezel in die zaken, [slachtoffer 3] , heeft verklaard dat zij haar pas en code (gedwongen) heeft moeten afstaan aan onbekende mannen. Verdachte heeft meermaals grote geldbedragen gepind van de rekening van [slachtoffer 3] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat beide verdachten vele malen geldbedragen hebben gepind en/of gecasht. Verdachten hebben die geldbedragen verworven, voorhanden gehad, en (deels) overgedragen en gebruikt. De officier van justitie acht daarom het (mede-)plegen van gewoontewitwassen in de onder 1 ten laste gelegde zaken bewezen. De officier van justitie acht ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake geweest van het - in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen - plegen van computervredebreuk door bankrekeningen van derden (de ‘geldezels’) te hacken met gebruikmaking van een valse inlogcode, een valse sleutel of een valse hoedanigheid, én van het plegen van het misdrijf van het onrechtmatig voorhanden hebben van inlogcodes, wachtwoorden en pincodes met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138b of 139c Sr zou worden gepleegd in de zin van artikel 139d lid 2 Sr. De officier van justitie acht op grond van het dossier voorts het medeplegen van de onder 3 primair (de zaken 4, 9 en 10) ten laste gelegde oplichtingen wettig en overtuigend bewezen. Beide verdachten zijn bij deze zaken betrokken geweest. Uit het bewijs volgt dat de feiten in een nauwe en bewuste samenwerking zijn gepleegd waarbij [verdachte] en [medeverdachte 1] - in samenwerking met weer andere verdachten - een cruciale rol hebben gespeeld in een geheel van oplichtingshandelingen teneinde de oplichting(
  28. en)te doen slagen. De officier van justitie is van oordeel dat ook het onder 4 ten laste gelegde, een ‘verzamelfeit’ betreffende het medeplegen van (gewoonte-)witwassen van geldbedragen in dertien zaken wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telkens verdachte is die de door de aangevers overgemaakte geldbedragen pint, en daarmee – samen met anderen - die geldbedragen heeft witgewassen aangezien verdachte wist dat dat geld uit enig misdrijf was verkregen. Ten aanzien van de onder 08-025218-20 ten laste gelegde feiten De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft die oplichting gepleegd in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. Ook het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezenverklaard, aldus de officier van justitie. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting de volgende verweren gevoerd - samengevat weergegeven - : Ten aanzien van parketnummer 08-952251-20: Feit 1: De raadsvrouw heeft – ten aanzien van alle ten laste gelegde zaken - vrijspraak bepleit van witwassen in de zin van artikel 420bis lid 1 onder [alias medeverdachte 1] Sr omdat geen sprake is geweest van verbergings- of verhullingshandelingen. De raadsvrouw heeft daarnaast vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde ‘medeplegen’ omdat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer medeverdachten. Zó al op grond van het dossier zou kunnen worden geconcludeerd dat sprake is van aanknopingspunten om uit te gaan van een samenwerking dan is daarover onvoldoende bekend geworden om te kunnen beoordelen in welke vorm die samenwerking dan heeft plaatsgevonden en/of welk gewicht daarbij aan het aandeel van verdachte kan worden gehecht. De gedragingen van verdachte zijn hoogstens te kwalificeren als het (alleen) plegen van ‘opzetwitwassen in de zin van artikel 420bis lid 1 onder b Sr’ aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van zaak 5 (benadeelde: [slachtoffer 11] ). Voor die zaak geldt, aldus de raadsvrouw, dat uit het dossier niet meer duidelijk is dan dat verdachte zich bij de pinautomaat in het casino heeft bevonden. Op basis van de stukken, de waarneming aan de hand van de (wazige) camerabeelden en de bij die stukken en beelden behorende tijdstippen is een deel van de pintransacties of afschrijvingen niet, dan wel onvoldoende, te linken aan verdachte. Tenslotte dienen de bedragen zoals die in de afzonderlijke zaken zijn ten laste gelegd naar beneden te worden bijgesteld, aldus de raadsvrouw. Alleen dát deel van de geldbedragen kan worden bewezen verklaard, waarvan vaststaat dat verdachte die daadwerkelijk zelf heeft opgenomen. Feit 2: De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van feit 2 bepleit wegens gebrek aan bewijs. Daartoe is aangevoerd - samengevat weergegeven - dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van ‘wederrechtelijk binnendringen’ in een geautomatiseerd werk, vanwege de - door verdachte - veronderstelde toestemming van de rekeninghouders dan wel de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dat zij een rekening hebben geopend onder druk van ene [naam 2] . Op basis van het dossier kan niet méér worden vastgesteld dan dat verdachte in de zaken 2, 3, 11 en 12 de bankpassen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] voorhanden heeft gehad en gebruikt. Verdachte had die passen via, via, verkregen. Ten aanzien van de zaken 11 en 12 geldt dat de (nadere) verklaring van [slachtoffer 3] - dat zij haar bankpas onder druk heeft afgestaan - als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt en niet kan worden gebezigd voor het bewijs. Ten aanzien van zaak 5 geldt dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte de beschikking heeft gehad over de bankpas van [slachtoffer 2] . Feit 3: De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van de onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde (mede-) plegen van oplichting in de zaken met de zaaksnummers 4, 9 en 10 dan wel de medeplichtigheid aan oplichting, wegens - primair - het ontbreken van (dubbel) opzet dan wel - subsidiair - een gebrek aan bewijs ten aanzien van betrokkenheid van verdachte. Verdachte had geen wetenschap ten aanzien van het feit dat anderen middels WhatsApp werden opgelicht, aldus de raadsvrouw. Daarnaast speelde verdachte bij het plegen van de oplichtingen geen actieve rol en kreeg hij slechts een klein percentage van de buit. Hij werd door anderen ‘als een loopjongen gebruikt’ en heeft zich vooral beziggehouden met het pinnen van geld. Deze rol kan niet worden beschouwd als het leveren van een wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde handelen. Die rol van verdachte is ook te beperkt geweest om te oordelen dat sprake is geweest van medeplichtigheid aan de oplichtingen. Uit het dossier kan slechts worden afgeleid dat verdachte pinpassen voorhanden heeft gehad en in een enkel geval ook zelf een pintransactie heeft verricht. Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van oplichting dan kan de rol/bijdrage van verdachte hooguit worden beschouwd als die van een medeplichtige. Feit 4: Onder feit 4 wordt aan verdachte in 13 zaken verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan gewoonte witwassen. Gewoonte witwassen in de zin van artikel 420 lid 1 aanhef onder b Sr en artikel 420ter Sr kan worden bewezenverklaard, aldus de raadsvrouw. Ten aanzien van parketnummer 08-025218-20: Feit 1: Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk’, onderdeel van het tenlastegelegde delict (artikel 138ab lid 1 Sr ) niet kan worden bewezenverklaard. Zowel verdachte als [slachtoffer 7] hebben immers verklaard dat [slachtoffer 7] zijn bankpas en de bijbehorende pincode vrijwillig afgestaan aan verdachte. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde witwassen kan, mede op grond van de verklaring van verdachte, worden bewezenverklaard, aldus de raadsvrouw, maar alleen in de zin van artikel 420bis lid 1 aanhef onder b Sr. Het geldbedrag dient volgens de raadsvrouw te worden beperkt tot € 1.900,-- nu verdachte bedragen van € 900,-- en € 1.000,-- heeft gepind. Feit 2: Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde oplichting, wegens gebrek aan bewijs. Verdachte heeft zich daaraan niet schuldig gemaakt. Het telefoonnummer waarmee de WhatsApp berichten naar [slachtoffer 8] zijn verzonden is niet aan verdachte te linken. Het dossier bevat ook onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is geweest van medeplegen. De rol van verdachte kan hooguit worden beschouwd als die van een medeplichtige. Feit 3: Ten aanzien van dit feit zijn geen verweren gevoerd. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder parketnummer 08-952251-20 onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 08-025218-20 onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 4.4.1 Ten aanzien van parketnummer 08- 08-952251-20, feit 1, 2, 3 primair en 4: Aan verdachte wordt onder genoemd parketnummer op basis van bevindingen in het onderzoek ‘Lucky’ verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan - kortgezegd – het (mede-) plegen van gewoontewitwassen, oplichting en computervredebreuk. Uit het onderzoek ‘Lucky’ is ten aanzien van de werkwijze in algemene zin het volgende gebleken. In het onderzoek Lucky zijn vele aangiften ingediend ter zake van oplichting en/of (identiteits-)fraude. De aangevers zijn steeds via WhatsApp benaderd door iemand die zich uitgaf voor een naaste (vaak een gezins - of familielid) van de aangever. Middels een WhatsApp-bericht gaf die ‘naaste’ aan dat hij of zij een nieuw telefoonnummer had en het oude nummer kon worden gewist. Bij dat eerste WhatsApp-bericht en de daarop volgende berichten was telkens de profielfoto van de betreffende naaste te zien; aangevers waren (mede) hierdoor in de veronderstelling dat het bericht van die naaste afkomstig was. De ‘naaste’ verzocht de aangever in alle gevallen om hem of haar (met spoed) te helpen bij de betaling van één of meer rekeningen. De redenen waarom hij of zij zelf dat zelf niet kon doen wisselden: een storing in internetbankieren, de aanschaf van een nieuwe telefoon en dergelijke. De hoogte van de gevraagde ‘bedragen’ varieerde van honderden tot enkele duizenden euro’s. Door de wijze waarop de misleiding plaatsvond, voelden aangevers zich genoodzaakt om hun naaste te helpen. De druk werd vaak behoorlijk opgevoerd. In alle gevallen is verzocht om het geld direct naar de rekening van ‘de schuldeiser’ over te maken waarbij dan een rekeningnummer van een ‘geldezel’ of ‘money-mule’ werd opgegeven en een link met een betaalverzoek werd gestuurd. Nadat was betaald, werden vaak nog één of meer betalingsverzoeken gedaan onder het mom dat er ‘nog een factuur over het hoofd was gezien’ of een soortgelijke reden. Vrijwel steeds werd om een bewijs van betaling verzocht. Het overgemaakte geld werd veelal binnen een half uur na de overboeking van de rekening gepind. De pinner kon veelal inloggen op de persoonlijke bankomgeving van de geldezel via een app voor internetbankieren of anders via de website van de bank. De inlogcodes waren daarvoor van de geldezel/ rekeninghouder verkregen. De online bankomgevingen van de geldezels waren zó ingesteld dat zodra geld was overgemaakt er een melding binnenkwam. Het overgemaakte geld kon hierdoor nog vóórdat de rekening kon worden geblokkeerd, worden opgenomen. In een aantal gevallen is met behulp van NFC (Near Field Communication) gepind, waarbij een telefoon als pinpas wordt gebruikt. De rechtbank stelt ten behoeve van de beoordeling van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, onder meer oplichting en (gewoonte)witwassen, allereerst de volgende relevante (beoordelings-)kaders voorop. Oplichting Bij artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (het strafbare feit oplichting) gaat het ten aanzien van het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. (..) (..) van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' kan niet slechts sprake zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr. Witwassen: Op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr (witwassen) en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Uit de bewijsmiddelen hoeft niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Indien de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat een geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. (..) Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Medeplegen. De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan ook sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier blijkt ten aanzien van de relevante feiten en omstandigheden in het kader van de ten laste gelegde feiten in het algemeen, en de rol van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] in het bijzonder, het volgende. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren van 28 en 29 april 2019 ten aanzien van zijn handelen het volgende verklaard. Een jaar of twee geleden werd hij door personen benaderd die hem vroegen of hij bankpassen wilde aanleveren waar geld op kon worden gestort. Verdachte wilde dat wel en hij kreeg daar dan € 200,-- voor. Verdachte heeft over die andere personen niet willen verklaren. Van de rekeningen van die rekeninghouders / ‘geldezels’, kon geld worden gepind. Verdachte had wel het vermoeden dat dat geld op die rekeningen binnenkwam ‘via WhatsApp’. Het Whats-appen naar de aangevers deed verdachte, naar eigen zeggen, niet zelf. Het regelen van een bankpas en bankgegevens ging soms via-via, en soms kende hij de geldezel zelf. Verdachte stuurde wel foto’s rond, via Snapchat, met een tekst als ‘Deel je kaarten..’, en daar kreeg hij wel positieve reacties op. Zij, die hun rekening overdroegen, wisten wel wat er ging gebeuren, aldus verdachte. Verdachte kreeg van de rekeninghouders ook de inlogcodes om in hun bankomgeving te kunnen inloggen. Hij kon inloggen met zijn telefoon. Verdachte maakte in de apps van de banken ook betaalverzoeken aan voor bedragen van twee [alias medeverdachte 1] drieduizend euro en die stuurde hij dan door met Snapchat. Hij kon in de bankomgeving ook de limieten verhogen. Bij het activeren van de app van de Rabobank koos hij zelf de code. De code van de rekeninghouder/ geldezel werkte dan niet meer. Verdachte zag hoeveel geld er binnenkwam op de rekening van de geldezel. Zodra hij de melding ontving dat een betaalverzoek was voldaan, gaf hij zijn telefoon aan iemand om te pinnen, of hij ging zelf pinnen. Met de app van de bank ‘Bunq’ kon verdachte geld pinnen met zijn telefoon. Dat deed hij bij [casino 1] te Deventer. Toen het casino moeilijk ging doen, vroeg hij aan anderen om het geld te pinnen. Bij andere banken gebruikte bij de bankpas. Verdachte heeft van heel veel bankrekeningen geld gepind. Hij kreeg vijftig procent van het gepinde geld. Als iemand anders voor hem gepind had, betaalde verdachte diegene, met wisselende bedragen. Zodra was gepind, pakte hij zijn deel, de helft. Iedereen kreeg ‘zijn procenten’. Het geld gaf hij vaak direct weer uit. Verdachte had een werktelefoon, een Iphone. Daarvan heeft verdachte de toegangscode niet willen verstrekken. Het nummer van zijn andere telefoon, een Samsung Galaxy A20, was: [telefoonnummer 2] . De hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte omtrent zijn activiteiten vinden steun in vele bewijsmiddelen in het dossier - opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bijlage - , in de eerste plaats in de vele aangiften van benadeelden. De verklaringen van verdachte vinden voorts bevestiging in processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot camerabeelden, verhoren met verklaringen van ‘geldezels’, bevindingen met betrekking tot in voertuigen aangetroffen bankpassen en bevindingen met betrekking tot in de telefoons van de verdachten aangetroffen (chat-)gesprekken, waarbij onder meer betaallinks en/of afbeeldingen van bankpassen en banksaldo’s zijn verzonden. Uit genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte telkens op enigerlei wijze kan worden gelinkt aan de ten laste gelegde zaken/aangiften , hetzij op basis van waarneming op camerabeelden van hetgeen zich heeft afgespeeld bij pinautomaten bij bankgebouwen en/of casino’s en in winkels, hetzij op basis van onder verdachte aangetroffen en/of door verdachte gebruikte pinpassen, hetzij op basis van overige bevindingen uit het opsporingsonderzoek, zoals verklaringen van verdachten of getuigen of gevoerde chatgesprekken. Uit het dossier blijkt dat het (grootschalige) (gewoonte-)witwassen heeft kunnen plaatsvinden door het plegen van vele - met behulp van WhatsApp - oplichtingen en computervredebreuk. Telkens zijn de aangevers door een combinatie van het aannemen van een valse naam en/of hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels in de vorm van leugenachtige berichten, verzonden via WhatsApp en listige kunstgrepen (gepleegd door middel van computervredebreuk en daarmee samenhangende strafbaar handelen) bewogen tot afgifte (het overmaken) van vele geldbedragen. Het door de aangevers overgemaakte geld is telkens zeer kort na de overboekingen van de bankrekeningen van de geldezels gehaald in de vorm van contant geld, dat vervolgens aan anderen is overgedragen en/of gebruikt. Er is op grote schaal misbruik gemaakt van bankrekeningen van derden/ geldezels; op de bankomgeving van die bankrekeningen is door verdachten ingebroken met behulp van soms nieuw aangemaakte pin- en inlogcodes. Alle ten laste gelegde strafbare feiten en handelingen hangen nauw met elkaar samen. Ook in de overeenkomende modus operandi - gezien de inhoud van de aangiften - ziet de rechtbank steun voor haar oordeel dat de ten laste gelegde feiten in samenhang moeten worden beschouwd en beoordeeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte bij het plegen van die met elkaar samenhangende strafbare feiten een actieve rol heeft gespeeld en daarbij tevens heeft gehandeld in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, waaronder medeverdachte [medeverdachte 1] . Hoewel niet steeds sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde steeds van een zodanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. Zo heeft verdachte personen geronseld die hun bankpas en bankgegevens hebben afgestaan en die als geldezel konden fungeren. Verdachte wist dat op die rekeningen veel geld zou binnenkomen, dat afkomstig was van slachtoffers van frauduleus handelen via WhatsApp. Verdachte heeft ook anderszins essentiële bijdragen geleverd aan activiteiten in het kader van de oplichtingen, bijvoorbeeld door vele betaalverzoeken aan te maken en deze door te sturen naar medeverdachten en door op actieve wijze de bankrekeningen van de vele geldezels te beheren, betaallimieten te verhogen en (pin - en inlog-)codes aan te maken en/of te wijzigen waardoor de oorspronkelijke rekeninghouders geen gebruik meer konden maken van hun bankomgeving. Verdachte heeft bovendien veelvuldig geldbedragen opgenomen van rekeningen van die geldezels. Hij stond ten tijde van het plegen van de oplichtingen en het overmaken van het geld door de benadeelden steeds in nauw contact met één of meer medeverdachten. Op basis van vooraf gemaakte afspraken met de medeverdachten - van wie verdachte geen naam heeft willen noemen - heeft verdachte gedeeld in de buit, naar eigen zeggen voor vijftig procent, en dat geld, zoals hij heeft verklaard, meestal in korte tijd ook weer uitgegeven. Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen voor het overige is gebleken ten aanzien van het handelen van verdachte en de medeverdachten is de rechtbank van oordeel dat verdachte binnen het geheel niet een slechts onderschikte rol heeft gespeeld maar, daarentegen, een essentiële, actieve en organiserende rol. Verdachte heeft bij de uitvoering van de feiten (telkens) een materiële en/of intellectuele bijdrage geleverd van een zodanig gewicht dat sprake is geweest van medeplegen. Met in achtneming van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van (gewoon-)witwassen in de zaken 2, 3, 5, 11 en 12, het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van computervredebreuk in de zaken 2, 3, 5, 11 en 12 en het onder feit 4 ten laste gelegde gewoontewitwassen in de zaken met de zaaksnummers 1, 6, 7, 8, 14, 15 16, 17, 18,, 19, 22, 23, en 24 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van de onder 1 en 4 ten laste gelegde voorwerpen in de vorm van geldbedragen waren, zo stelt de rechtbank vast, onmiddellijk afkomstig uit door verdachte - in samenwerking met de medeverdachten - zelf begane misdrijven. De rechtbank acht bewezen dat verdachte die geldbedragen, samen met een ander of anderen, heeft witgewassen door die geldbedragen te hebben verworven en voorhanden te hebben gehad en doordat verdachte, in het bijzonder gelet op zijn gedragingen met betrekking tot die geldbedragen, welke gedragingen de rechtbank in dit verband redengevend acht, daarnaast handelingen heeft verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm (kennelijk) gericht op zijn geweest de criminele herkomst van die geldbedragen te verbergen of te verhullen. Dat verbergen en verhullen heeft in dit geval telkens bestaan uit het doorsluizen van de uit oplichting verkregen geldbedragen naar rekeningen van geldezels, het binnen zeer korte tijd na de overboekingen door de aangevers contant opnemen van dat geld, en dat contante geld (deels) overdragen aan een of meer medeverdachten en het besteden /uitgeven van dat geld. De rechtbank acht tevens wettig en overtuigend bewezen verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 primair ten laste gelegde medeplegen van oplichting in de zaken 4, 9 en 10 (oplichting ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ). parketnummer 08-025218-20: feit 1 primair en feit 2. [slachtoffer 7] heeft bij de politie verklaard dat hij in maart of april 2019 in contact kwam met [verdachte] uit Deventer. [verdachte] vertelde dat hij geld kon verdienen door zijn bankpas en pincode af te staan. Hij wilde ook kunnen internetbankieren met die bankrekening. [slachtoffer 7] ging akkoord omdat hij geld nodig had. Verdachte heeft verklaard – hier kort weergegeven - dat hij het telefoonnummer van zijn begeleider van het UWV, [slachtoffer 8] , en het rekeningnummer van [slachtoffer 7] aan [naam 3] of [naam 3] uit Almere-Haven heeft gegeven, door verdachte ook [naam 3] genoemd. [naam 3] zou daar via WhatsApp fraude mee gaan plegen. Hij vroeg verdachte om mee te doen. Verdachte zou bankpassen verstrekken en een telefoonnummer en naam van iemand en de naam van diegene op Facebook. Met behulp van Facebook zou een profielfoto worden gemaakt die bij de fraude zou worden gebruikt en gekeken kunnen worden wie vrienden waren et cetera. [naam 3] zou zich voordoen als zoon van [slachtoffer 8] . Verdachte heeft de bankpas van [slachtoffer 7] geregeld, waar het geld op zou worden gestort, en hij zou gaan pinnen. Verdachte ontving van de medeverdachte een afbeelding waaruit bleek dat [slachtoffer 8] appte dat het geld zou worden overgemaakt. Het contact van verdachte met [naam 3] verliep meestal via Snapchat. Verdachte kon internetbankieren met de rekening van [slachtoffer 7] . Hij had het internetbankieren zo ingesteld, dat hij een melding kreeg zodra geld was overgemaakt. Na het pinnen heeft verdachte het afgesproken bedrag in de vorm van contant geld aan [naam 3] overhandigd. Volgens afspraak ontving verdachte zelf vijftig procent; dat geld moest hij dan delen met degene van wie de bankpas was. Hij pinde een bedrag van ongeveer € 1.900,-- of 2.000,--. Uit het voorgaande volgt dat verdachte aan de medeverdachte allerlei gegevens heeft verstrekt - het telefoonnummer en de personalia van de benadeelde, een bankrekeningnummer met naam - terwijl hij wist dat daarmee, middels WhatsApp, fraude zou worden gepleegd. Voorafgaand aan de oplichting zijn afspraken gemaakt en taken verdeeld. Verdachte regelde een bankpas en pincode. Verdachte was ervan op de hoogte dat [naam 3] of [naam 3] die gegevens nodig had om een ander om de tuin te leiden. Hij wist dat de medeverdachte [slachtoffer 8] zou gaan benaderen via WhatsApp en hem – onder valse naam en voorwendselen – verzoeken zou gaan doen om geld over te maken. Tijdens het plegen van het feit bleef verdachte in nauw contact met de medeverdachte; de laatste stuurde hem een bericht zodra duidelijk was dat de benadeelde het geld zou overmaken. Daarop nam verdachte het geld snel op. De buit werd fifty-fifty verdeeld. Verdachte heeft een cruciale rol gespeeld door de gegevens te verschaffen en het geld op te nemen en aldus bewust en actief meegewerkt aan het tot stand brengen van de oplichtingshandelingen. De rechtbank is gelet op het voorgaande in samenhang bezien, van oordeel dat verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van oplichting. Ten aanzien van feit 1 primair - de ten laste gelegde computervredebreuk - overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het betalingsverkeer in Nederland in de huidige tijd voor een zeer groot deel gedigitaliseerd plaatsvindt. Daartoe stellen de financiële instellingen bankrekeningen en allerlei vormen van internetbankieren ter beschikking die primair bedoeld zijn om het betalingsverkeer op integere manier te laten plaatsvinden. Het gebruik van internetbankieren is strikt voorbehouden aan daartoe gerechtigde personen. Misbruik van het gebruik van bankrekeningen of internetbankieren schendt de integriteit van het betalingsverkeer in Nederland. De rechtbank stelt op basis van verklaring van [slachtoffer 7] vast dat hij zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan verdachte, en daartoe zijn bankpas en pincode aan verdachte heeft overhandigd. Daarbij was [slachtoffer 7] aldus zijn verklaring zich voldoende bewust van het feit dat de rekening gebruikt zou gaan worden voor wederrechtelijke activiteiten. Nu de rekening ook feitelijk is gebruikt voor wederrechtelijke activiteiten, zonder dat [slachtoffer 7] exact wist welke strafbare feiten gepleegd zouden gaan worden en tot welke overboekingen dat via zijn rekening zou leiden, en verdachte deze rekening ook feitelijk heeft gebruikt voor verschillende overboekingen en opnamen van geld afkomstig van oplichting, kan vastgesteld worden dat [slachtoffer 7] voor deze meer concrete handelingen geen toestemming heeft verleend. Nu verdachte deze concrete handelingen heeft verricht zonder specifieke toestemming van de rekeninghouder, is de rekening wederrechtelijk gebruikt. Verdachte is daarmee wederrechtelijk binnengedrongen in een geautomatiseerde werk, namelijk de bankomgeving van [slachtoffer 7] , met behulp van een valse sleutel, namelijk gebruik makend van de pincode, en door het aannemen van een valse hoedanigheid, waarbij verdachte zich heeft voorgedaan als de rechtmatige gebruiker van de rekening. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Feit 3: De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de - in de bijlage weergegeven – bewijsmiddelen. De rechtbank zal - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), daarbij volstaan met een opsomming van die bewijsmiddelen. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de hierboven opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 08-952251-20 onder 1, 2, 3 primair en 4 en het 08-025218-20 onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: Parketnummer 08-952251-20: 1. hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 september 2019 tot en met 22 februari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en verhuld en heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende op de hierna te noemen geldbedragen was, en heeft verborgen en verhuld wie de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij en zijn mededader(
  29. s)wisten dat die voorwerpen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededader(
  30. s)wisten dat die voorwerpen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:  op 25 september 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2.315 euro) (zaak 2, aangifte [slachtoffer 9] , dossier vanaf pag.1000),  op 25 september 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 1.600 euro) (zaak 3, aangifte [slachtoffer 10] , dossier vanaf pag.l100),  op 22 oktober 2019 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2.411 euro) (zaak 5, aangifte [slachtoffer 11] , dossier vanaf pag. 1300)  op 22 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 6.045 euro) (zaak 11, aangifte [slachtoffer 12] , dossier vanaf pag. 1600)  op 22 februari 2020 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3.868 euro) (zaak 12, aangifte [slachtoffer 13] , dossier vanaf pag. 1700), en hij en zijn mededader(
  31. s)van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt. 2 hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2019 tot en met 22 februari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke bankomgeving van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is binnengedrongen, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode en/of een (valse) inlogcode ten behoeve van toegang tot mobielbankieren van de rekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in elk geval een niet op naam van hem, verdachte, staande en toebehorende pinpas met bijbehorende pincode en bankrekening, d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode en een (valse) inlogcode ten behoeve van toegang tot mobielbankieren van de rekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en toebehorende pinpas met bijbehorende pincode en bankrekening en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door het (telkens) pinnen van grote geldbedragen en/of het doen van aankopen van goederen) en hij in of omstreeks 24 september 2019 tot en met 22 februari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel l38ab, eerste lid, 138h of 139e Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door  de pinpas met bijbehorende pincode en/of de inloggegevens ten behoeve van internetbankieren van de bankrekening van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voorhanden te hebben en  met die pinpas en bijbehorende pincode geld te pinnen en/of goederen aan te schaffen en  met die inloggegevens in te loggen op het persoonlijke mobiel/internetbankieren account van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en  vervolgens geld te pinnen en/of goederen aan te schaffen vanaf de rekening van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] . 3 primair: hij op of omstreeks 19 oktober 2019 en/of 17 februari 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten resp. in totaal 10.150 euro en 1.440 euro en 4.330 euro), door (via (een) mededader(s)), met die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ,  middels een mobiel telefoonnummer via Whatsapp contact op te nemen en zich daarbij voor te doen als een familielid van die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]  daarbij aan te geven een nieuw telefoonnummer te hebben,  tegenover die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] te doen voordoen dat er een storing bij de bank zou zijn  vervolgens die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken. (zaak 4, dossier pag. 1200) (zaak 9, dossier pag. 1400) (zaak 10, dossier pag. 1500) 4. hij in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 21 april 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededader(
  32. s)wisten dat die voorwerpen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten een geldbedrag van  3.400 3.400 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 1, aangifte [slachtoffer 14] , dossier vanaf pag. 2000),  3.400 1.500 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 6, aangifte [slachtoffer 15] , dossier vanaf pag. 2100),  3.400 2.495 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 7, aangifte [slachtoffer 16] , dossier vanaf pag. 2200)  3.400 2.400 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 8, aangifte [slachtoffer 17] , dossier vanaf pag. 2300),  3.400 2.371 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 14, aangifte [slachtoffer 18] , dossier vanaf pag. 2400)  3.400 2.230 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 15, aangifte [slachtoffer 19] , dossier vanaf pag. 2500)  3.400 een hoeveelheid geld (zaak 16, aangifte [slachtoffer 20] , dossier vanaf pag. 2600)  3.400 een hoeveelheid geld (zaak 17, aangifte [slachtoffer 21] , dossier vanaf pag. 2700)  3.400 3.580 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 18, aangifte [slachtoffer 22] , dossier vanaf pag. 2800),  3.400 1.000 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 19, aangifte [slachtoffer 23] , dossier vanaf pag. 2900)  3.400 9.850 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 22, aangifte [slachtoffer 24] , dossier vanaf pag. 3200),  3.400 500 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 23, aangifte [slachtoffer 25] , dossier vanaf pag. 3300)  3.400 3.160 euro, althans een hoeveelheid geld (zaak 24, aangifte [slachtoffer 26] , dossier vanaf pag. 3400) en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt. Parketnummer 08-025218-20: 1 Primair : hij op tijdstippen op of omstreeks 13 april 2019 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke bankomgeving van [slachtoffer 7] en/of een pinautomaat van de Rabobank, is binnengedrongen c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode van die [slachtoffer 7] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en toebehorende pinpas met bijbehorende pincode, d. door het aannemen van een valse hoedanigheid door gebruik te maken van een pinpas met bijbehorende pincode van die [slachtoffer 7] , in elk geval een niet op naam van hem verdachte staande en/of toebehorende pinpas met bijbehorende pincode. 2. Primair: hij op 13 april 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld (in totaal 1902,21 euro), door  middels een mobiel telefoonnummer via Whatsapp contact op te nemen met die [slachtoffer 8] en zich daarbij voor te doen als de zoon van die [slachtoffer 8] en  deze [slachtoffer 8] te doen voorkomen dat er een storing bij de bank zou zijn en  deze [slachtoffer 8] te vragen om (met spoed) één of meerdere openstaande bedragen over te maken en  kort nadat die [slachtoffer 8] de bedragen had overgemaakt het pinnen van dat geld. 3. hij op of omstreeks 29 januari 2020 te Deventer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Smith & Wesson, type 2213, kaliber .221r. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 138ab, 139d lid 2 sub b, 326, 420bis lid 1 ahf onder [alias medeverdachte 1] en onder b en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 lid 1 en 55 van de Wet wapens en munitie (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: Parketnummer 08-952251-20: feit 1 het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; feit 2 het misdrijf: medeplegen van computervredebreuk en een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan verwerven en verspreiden of anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138a eerste lid, 138 b of 139c wordt gepleegd, meermalen gepleegd; feit 3 primair: het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; feit 4 het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; Parketnummer 08-025218-20: feit 1 primair het misdrijf: computervredebreuk; feit 2 primair het misdrijf: medeplegen van oplichting; feit 3 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de onder parketnummer 08-952251-20 onder feit 1, 2, 3 primair en 4 en de onder parketnummer 08-025218-20 onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 08-952251-20 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 08-025218-20 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij betoogd dat het gaat om meerdere ernstige feiten waarbij vele slachtoffers zijn gemaakt die, terwijl zij te goeder trouw waren, grote geldbedragen hebben overgemaakt. De feiten zijn gepleegd met een grote mate van slinksheid en in georganiseerd verband. Ten aanzien van verdachte is sprake van het gedurende een langdurige periode witwassen van grote geldbedragen, het medeplegen van oplichtingen, het hacken van bankomgevingen met onrechtmatige gebruikmaking van wachtwoorden alsmede het voorhanden hebben van een vuurwapen. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging in de eerste plaats verzocht om rekening te houden met de achtergrond en de persoonlijke omstandigheden van haar cliënt. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om mee te wegen dat hij sinds zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven en het feit dat het financiële voordeel uit de feiten is behaald relatief beperkt is gebleven nu haar cliënt een groot deel van het gepinde geld aan medeverdachten heeft afgestaan. Hij heeft inmiddels inzicht verkregen in de laakbaarheid van zijn handelen en is voornemens om zijn leven na de detentie een nieuwe wending te geven. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het feit dat de eerdere veroordelingen van alweer oudere datum zijn en rekening te houden met de inhoud van het meest recente reclasseringsadvies en de daarin opgenomen bijzondere voorwaarden. In het geval van oplegging van gevangenisstraf heeft de raadsvrouw verzocht om aan haar cliënt niet een zwaardere straf op te leggen dan een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf, zo nodig van maximale duur. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft zich samen met anderen, waaronder - ten aanzien van parketnummer 08/952251-20 - met de medeverdachte [medeverdachte 1] , schuldig gemaakt aan het op grote schaal plegen van fraude, in de vorm van vele oplichtingen via social media en (gewoonte-)witwassen van uit die oplichtingen verkregen gelden. Het frauduleuze handelen heeft zich in een langdurige periode en op zeer grote schaal voorgedaan. Verdachte en zijn medeverdachte hebben vele slachtoffers gemaakt. Behalve genoemde feiten heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van computervredebreuk. Met behulp van mobiele telefoons en van derden verkregen bankpassen en bijbehorende bankgegevens als inlogcodes, hebben verdachte en de medeverdachten kunnen binnendringen in de bankomgeving van die derden, overschrijvingen en banksaldo’s bekeken, betaalverzoeken aangemaakt en banklimieten verhoogd. Bij de oplichtingen, met behulp van WhatsApp gepleegd, zijn vele personen benaderd onder een valse naam en hoedanigheid waarbij verdachte en de medeverdachten zich hebben voorgedan als een naaste van het slachtoffer die in geldnood zat. Verdachte en de mededaders hebben vele slachtoffers geld afhandig weten te maken door hen te bewegen grote geldbedragen over te maken in reactie op verhalen over geldnood. Daarbij hebben verdachte en de medeverdachten op een listige en gewetenloze wijze misbruik gemaakt van de goedheid en het vertrouwen van anderen. Het overgemaakte geld werd heel snel na de overboeking contant opgenomen, verdeeld en uitgegeven. Verdachte heeft een zeer actieve en organiserende rol gespeeld bij het frauduleuze handelen, onder meer door bankpassen en de bijbehorende bankgegevens en inlogcodes te verzamelen, betaalverzoeken aan te maken, banksaldo’s te checken en geld te pinnen. Verdachte heeft aldus een essentiële rol gespeeld in het geheel waarbinnen het strafbare handelen mogelijk is gemaakt. Verdachte heeft kennelijk louter gehandeld ten behoeve van zijn eigen financieel gewin en zich op geen enkele wijze bekommerd om de persoonlijke en financiële situatie van zijn (vele) slachtoffers. Het handelen van verdachte en de mededaders heeft bij de slachtoffers behalve heel veel stress en overlast in meer of mindere mate financiële schade ten gevolge gehad. Bovendien is door het handelen van verdachte en de medeverdachten het vertrouwen dat in een samenleving moet kunnen worden gesteld in het bankwezen en het financieel/ economisch verkeer ernstig geschaad. De rechtbank acht het handelen van verdachte bijzonder naar, ernstig en laakbaar. Verdachte heeft zich naast voornoemde feiten ook schuldig gemaakt aan en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van de feiten en een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 13 juli 2020 waaruit blijkt dat verdachte in het verleden reeds vele malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van, onder meer, soortgelijke feiten. Die eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande ten nadele van verdachte moet meewegen bij de straftoemeting. De rechtbank weegt bij de strafoplegging voorts ten nadele van de verdachte mee dat anders dan zijn raadsvrouw heeft betoogd verdachte niet meer dan slechts ten dele openheid van zaken heeft gegeven. Bij een ernstige inbreuk op de rechtsorde, op een grote schaal, zoals hier aan de orde is past naar oordeel van de rechtbank alleen een aanzienlijke vrijheidsbenemende straf. Bij de bepaling van de duur van de vrijheidsbenemende straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de Oriëntatiepunten straftoemeting van het LOVS (Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken). Daarin wordt voor een fraudebedrag tussen de € 10.000,- en € 70.000,- als uitgangspunt gehanteerd een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden en een taakstraf. De rechtbank overweegt daarbij dat behalve het witwassen van vele geldbedragen verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij het plegen van een groot aantal oplichtingen en het plegen van computervredebreuk. Hierbij is op grote schaal een ernstige inbreuk gemaakt op vertrouwensrelaties van slachtoffers. De rechtbank komt daarom tot een aanzienlijk hogere straf dan de genoemde oriëntatiepunten aangeven. Bovendien heeft verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Gelet op de ernst en de hoeveelheid feiten, de langdurige periode waarin het strafbare handelen zich heeft voorgedaan, de rol van verdachte, de nauwe samenwerking met de medeverdachten, de grote schaal waarop de strafbare feiten zijn begaan en de gebleken recidive, acht de rechtbank, alles afwegende, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een substantiële duur - van een duur als hierna vermeld - passend en geboden. 7.4 De inbeslaggenomen voorwerpen De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen geen beslissing kan worden genomen omdat op grond van het dossier niet duidelijk is, of en zo ja, ten aanzien van welke voorwerpen een beslissing genomen dient te worden, aangezien het dossier geen beslaglijst bevat. 8De schade van benadeelden 8.1 De vordering van de benadeelde partijen Parketnummer 08-952251-20: De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces: [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 13]. Deze benadeelde partijen hebben gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van:  [slachtoffer 9] : € 2.315,-- [drieëntwintighonderdvijftien euro];  [slachtoffer 10] : € 1.600,-- [zestienhonderd euro];  [slachtoffer 11] : € 2.411,80 [vierentwintighonderdelf euro tachtig];  [slachtoffer 13] : € 3.868,33 [achtendertighonderdachtenzestig euro en drieëndertig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat in alle gevallen uit de volgende posten: - afschrijving(
  33. en)van hun bankrekening als gevolg van oplichting. De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . Deze benadeelde partijen hebben gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van:  [slachtoffer 4] : € 12.476,85 [twaalfduizendvierhonderdzesenzeventig euro en vijfentachtig cent];  [slachtoffer 5] : € 1.440,-- [veertienhonderdveertig euro];  [slachtoffer 6] : € 4.330,60 [vierduizenddriehonderddertig euro en zestig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - afschrijving(
  34. en)van hun bankrekening als gevolg van oplichting. De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 4 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces: [slachtoffer 14] , [slachtoffer 19], [slachtoffer 18] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 24], [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] en [slachtoffer 27] . Deze benadeelde partij hebben gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van:  [slachtoffer 14] : € 3.400,-- [vierendertighonderd euro];  [slachtoffer 19] : € 2.230,-- [tweeëntwintighonderddertig euro];  [slachtoffer 18] : € 2.377,55 [drieëntwintighonderdzevenenzeventig euro en vijfenvijftig cent];  [slachtoffer 20] : € 5.661,25 [zesenvijftighonderdéénenzestig euro en vijfentwintig cent] (inclusief immateriële schade);  [slachtoffer 24] : € 9.353.45 [negenduizenddriehonderddrieënvijftig euro en vijfenveertig cent];  [slachtoffer 25] : € 750,-- [zevenhonderdvijftig euro], (inclusief immateriële schade);  [slachtoffer 26] : € 3.460,-- [vierendertighonderdzestig euro],(inclusief immateriële schade);  [slachtoffer 27] : € 6.085,-- [zesduizendvijfentachtig euro], (inclusief immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:  afschrijving(
  35. en)van hun bankrekening als gevolg van oplichting. [slachtoffer 27] : afschrijving(
  36. en)van een bankrekening als gevolg van oplichting, te vergoeden uren besteed na het delict, en omzetderving. Bij na te noemen benadeelde partijen bestaat de genoemde vordering tot schadevergoeding voor een deel mede uit immateriële schade, te weten bij:  [slachtoffer 20] : een deel groot: € 450,--  [slachtoffer 25] : een deel groot: € 250,--  [slachtoffer 26] : een deel groot: € 300,--  [slachtoffer 27] : een deel groot: € 2.000,-- Parketnummer 08/025218-20: [slachtoffer 8] heeft zich ten aanzien van feit 2 primair als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van: € 1.196,21 [elfhonderd zesennegentig euro en éénentwintig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - afschrijvingen van bankrekening als gevolg van oplichting. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 27] af te wijzen omdat deze vordering geen verband houdt met één van de ten laste gelegde zaken. De officier van justitie heeft verzocht om de overige vorderingen toe te wijzen, voor zover deze zien op materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor zover de vorderingen zien op immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht die af te wijzen omdat in die gevallen, een aantasting van de persoon of geestelijk letsel niet is vastgesteld, zij het dat het handelen van verdachte(
  37. n)(veel) overlast en ellende heeft veroorzaakt. De officier van justitie heeft verzocht om ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] te bepalen dat verdachte voor die schade hoofdelijk aansprakelijk is, samen met de medeverdachte(n). 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw is primair van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn, voor zover deze zien op feiten waarvan verdachte volgens het pleidooi van de verdediging moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen slechts kunnen worden toegewezen in die gevallen waarin, en voor zover als, de vorderingen zien op feiten en/of handelingen waar verdachte op grond van bewijs uitdrukkelijk bij betrokken is. Slechts die vorderingen, die rechtstreeks verband houden met (bewezen verklaarde) witwasfeiten kunnen worden toegewezen en dan nog slechts tot voor dat deel van de vordering ten aanzien waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het pinnen/ witwassen van dat geldbedrag. Voor zover de vorderingen zien op immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht die vorderingen niet ontvankelijk te verklaren omdat het bestaan van geestelijk letsel niet is vastgesteld op basis van objectieve maatstaven. De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 27] niet ontvankelijk te verklaren omdat die vordering geen verband houdt met zaken die ten laste zijn gelegd. 8.4 .4 Het oordeel van de rechtbank Parketnummer 08-952251-20: Feit 1 en 3 primair: Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de hierna te noemen benadeelde partijen. De opgevoerde schadepost(
  38. en)ten aanzien van de materiële schade is/zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot de volgende bedragen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd:  [slachtoffer 9] : € 2.315,-- ;  [slachtoffer 10] : € 1.600,-- ;  [slachtoffer 11] : € 2.411,80;  [slachtoffer 13] : € 3.868,33;  [slachtoffer 4] : € 12.476,85;  [slachtoffer 5] : € 1.440,-- ;  [slachtoffer 6] : € 4.330,60. Feit 4: Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de hierna te noemen benadeelde partijen. De opgevoerde schadepost(
  39. en)ten aanzien van de materiële schade is/zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot de volgende bedragen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd:  [slachtoffer 14] : € 3.400,-- ;  [slachtoffer 19] : € 2.230,-- ;  [slachtoffer 18] : € 2.377,55;  [slachtoffer 20] : € 5.211,25;  [slachtoffer 24] : € 9.353.45,-- ;  [slachtoffer 25] : € 500,-- ;  [slachtoffer 26] : € 3.160,-- ; De door de benadeelde partijen [slachtoffer 20] , [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] onder immateriële schade opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. Deze benadeelde partijen zullen om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kunnen de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 27] niet ontvankelijk verklaren nu op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte door het bewezen verklaarde handelen aan deze benadeelde partij rechtstreeks schade heeft toegebracht. Parketnummer 08/025218-20: Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] . De opgevoerde schadepost(
  40. en)ten aanzien van de materiële schade is/zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot de volgende bedragen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd: - [slachtoffer 8] : € 1.196,21. 8.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partijen heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, indien en voor zover de vorderingen zijn toegewezen, aangezien verdachte jegens die benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. 9De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. 10. De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het onder tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: Parketnummer 08-952251-20: feit 1 het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; feit 2 het misdrijf: medeplegen van computervredebreuk en een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan verwerven en verspreiden of anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138a eerste lid, 138 b of 139c wordt gepleegd, meermalen gepleegd; feit 3 primair: het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; feit 4 het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen; Parketnummer 08-025218-20: feit 1 primair het misdrijf: computervredebreuk; feit 2 primair het misdrijf: medeplegen van oplichting; feit 3 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. strafbaarheid verdachte  verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 08-952251-20 onder feit 1, 2, 3 primair en 4 en onder parketnummer 08-025218-20 onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde; Straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; Schadevergoeding: Parketnummer 08/025218-20: Feit 1 en 3 primair:  veroordeelt verdachte tot betaling aan de hierna genoemde benadeelde partijen van het hierna volgende bedrag:  [slachtoffer 9] (feit 1): € 2.315,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 10] (feit 1): € 1.600,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 11] (feit 1): € 2.411,80 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 13] (feit 1): € 3.868,33 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 4] (feit 3 primair): € 12.476,85 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 5] (feit 3 primair): € 1.440,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  [slachtoffer 6] (feit 3 primair): € 4.330,60 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door genoemde benadeelde partijen als hiervoor genoemd gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;  legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van de hierna te noemen bedragen ten behoeve van de hierna te noemen benadeelden en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet.  [slachtoffer 9] (feit 1): € 2.315,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019 / gijzeling voor de duur van 33 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  [slachtoffer 10] (feit 1): € 1.600,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019 / gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan -;  [slachtoffer 11] (feit 1): € 2.411,80 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2019 / gijzeling voor de duur van 34 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  [slachtoffer 13] (feit 1): € 3.868,33 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2020 / gijzeling voor de duur van 48 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  [slachtoffer 4] (feit 3 primair): € 12.476,85 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019/ gijzeling voor de duur van 97 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  [slachtoffer 5] (feit 3 primair): € 1.440,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2020 / gijzeling voor de duur van 24 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  [slachtoffer 6] (feit 3 primair): € 4.330,60 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2020 / gijzeling voor de duur van 53 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen; Feit 4:  veroordeelt verdachte tot betaling aan de hierna genoemde benadeelde partijen van het hierna volgende bedrag: [slachtoffer 14] : € 3.400,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 19] : € 2.230,-- ; (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 18] : € 2.377,55 ;(te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 20] : € 5.211,25; (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 24] : € 9.353.45,-- ; (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 25] : € 500,-- ; (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; [slachtoffer 26] : € 3.160,-- ; (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen als hiervoor genoemd gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;  legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van de hierna te noemen bedragen ten behoeve van de hierna te noemen benadeelden en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling kan worden toegepast, een en ander voor zover dit niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet. [slachtoffer 14] : € 3.400,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2019 / gijzeling voor de duur van 44 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 19] : € 2.230,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 / gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 18] : € 2.377,55 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 / gijzeling voor de duur van 33 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 20] : € 5.211,25 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2019 / gijzeling voor de duur van 61 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 24] : € 9.353.45,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2019 / gijzeling voor de duur van 81 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 25] : € 500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2019 / gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ; [slachtoffer 26] : € 3.160,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2020 / gijzeling voor de duur van 41 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - ;  bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;  bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 27] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;  bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 20] , [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] voor een deel groot € 450,-( [slachtoffer 20] ), € 250,-- ( [slachtoffer 25] ) en € 300,-- ( [slachtoffer 26] ) niet-ontvankelijk zijn in de vordering, en dat deze benadeelde partijen de vorderingen voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen; Parketnummer 08/025218-20:  veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] ten aanzien van feit 2 primair van een bedrag van € 1.196,21 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;  veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen als hiervoor genoemd gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;  legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.196,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 21 dagen kan worden toegepast - een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan - . Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;  bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. A . van Holten en mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020. Bijlage: bewijsmiddelenbijlage. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Parketnummer 08/952251-20 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het einddossier van de regiopolitie Oost-Nederland in het onderzoek ‘Lucky’, genummerd OONRAA20001, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] en gesloten op 2 juli 2020, met bijlagen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Ten aanzien van de feiten onder 1, 2, 3 en 4:  Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , gesloten op 28 april 2020 (dossierpagina 192/ 253) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]: (pag. 195/256 onderaan:) In het dagelijks leven regel ik weleens een bankpasje, zodat daar geld op komt. Ik krijg dan zelf een percentage van het geld dat van die rekening wordt gehaald. Ik wil niet zeggen voor wie ik dan zo’n pas regelt. Mijn mobiele telefoonnummer van zijn Samsung Galaxy A20 is: [telefoonnummer 2] . (pag. 196/257:) Ik maak wel gebruik van apps als WhatsApp en Snapchat. Ik kon met mijn telefoon geld pinnen bij de pinautomaat via een app van de bank Bunq. Dat heb ik onder meer gedaan bij [casino 1] te Deventer. Toen het casino daar moeilijk over ging doen, vroeg ik dat aan anderen. Het bedrag dat ik kreeg deelde ik dan. Er werd geld werd gepind van rekeningen van verschillende rekeninghouders. Die passen kreeg ik soms via-via, soms kende ik de rekeninghouders zelf. Ik logde met mijn telefoon in op die rekeningen. Daarvoor kreeg ik de code van de mensen die een rekening hadden geopend. De inbeslaggenomen Iphone is een werktelefoon, maar daar wil ik geen toegangscode van afgeven. (pag. 196 /257:) Ik had wel vermoedens dat op die rekeningen geld binnenkwam via WhatsApp. Dat WhatsApp-en deed ik niet zelf; ik moest alleen geld pinnen. (pag. 195/256:) Ik kom wel in casino’s; een casino in de omgeving van Nijmegen en ook in andere casino’s zoals in [casino 1] in Deventer. (pag. 196/257 onderaan:) Ik wist hoeveel er geld op de rekening kwam. Ik maakte betaalverzoeken aan in de app en die stuurde ik dan door via Snapchat. Ik zeg niet naar wie. Bij die betaalverzoeken ging het om bedragen tussen de twee - en drieduizend euro. Zodra ik een bevestiging kreeg dat het betaalverzoek was betaald, of daarover een melding kwam, moest er gepind worden. Dan gaf ik mijn telefoon aan iemand anders of ik ging zelf het geld pinnen. (pag. 197/258 bovenaan:) Als anderen voor mij gingen pinnen, gaf ik daar wisselende bedragen voor; daar sprak ik geen vast bedrag voor af Als er was gepind was pakte ik mijn deel. Ik gaf het geld vaak direct weer uit; ik probeerde van het leven te genieten.  Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , gesloten op 29 april 2020 (dossierpagina 198/259) voor zover inhoudende als aanvullende verklaringen van verdachte [verdachte]: U houdt aan mij allerlei foto’s/ opnames voor, en geeft mij de gelegenheid hierop te reageren. (foto’s en stills van camerabeelden: zie bijlagen bij het verhoor, pag. 206/267 – 281/343) Bijlage 1.1 (pag. 267/206; betreft zaak 6, aangifte [slachtoffer 15] , PL-0600-2019491387): (pag. 199/260) Ik ben daar geld aan het pinnen. Ik wist dat er geld op die rekening kwam, en ik pinde het eraf. Bijlage 2 (pag. 208/269; betreft zaak 1, aangifte [slachtoffer 14] , PL2300 – 2019146565) : (pag. 199/ 260) Ik ben die persoon die is te zien op die foto - die in het casino is gemaakt – en die € 1.000,-- pint. In het casino gebruikte ik altijd de Bunq-bankomgeving. Ik kreeg dan een melding in de app van de Bunq bank. Bij andere banken pinde ik met een pasje. Via apps op mijn telefoon kon ik zien of er geld op de rekening stond en de limiet verhogen. Bij het activeren van de app van de Rabobank koos ik de code. Het gevolg was dat de oude code niet meer werkte; daardoor konden anderen niet (meer) in hun bankomgeving via de app. Bij andere banken werkte dat anders. Bijlagen 3.1- 3.4 (pag. 209/270 – 212/ 274; betreft zaak 5, aangifte [slachtoffer 11] . PL1500- 2019301237. Beelden/ stills camerabeelden van geld pinnen bij [casino 1] Deventer, 22 oktober 2019) (pag. 200/261) Ik ben degenen die is te zien op deze camerabeelden. De bankgegevens van de rekening op naam van [slachtoffer 2] had ik via-via gekregen. (tweede alinea) Ik heb heel erg vaak gepind; ik kan me niet alles herinneren. (pag. 200/261 halverwege) Normaal gesproken kwamen er bedragen van € 3.000,-- tot € 5.000,-- binnen op een Bunq-bankrekening. Bijlage 4: (bijlage 4.1 e.v., vanaf pag. 213/274 t/m 223-284; betreft zaak 2 en zaak 3, aangiften [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10], PL0600- 2019439805; PL 0600-2019437009; beelden van [tankstation] tankstation en de [winkel] .) (pag. 201/262) Op die camerabeelden, opgenomen in de [winkel] , is te zien dat ik aan het pinnen ben. Ik kan me herinneren dat ik toen een telefoon heb gekocht. Bijlage 71- 7.7 (pag. 243/ 304 t/m 249 / 310, betreft: zaak 8, aangifte [slachtoffer 17], PL1100- 2020031472, (camerabeelden 11 februari 2020) (pag. 202/ 263 derde en vierde alinea) Dat ben ik. Ik ben hier aan het pinnen. U zegt dat ik pin van de rekening van [naam 33] en u vraagt of ik die persoon dan ken. Nee, ik ken haar niet. (pag. 202/263 halverwege) U vraagt hoeveel geld ik aan anderen moest afstaan. Ik gaf 50% aan de persoon die het geld erop gooit. Ik deelde mijn geld alleen met degene van wie ik de bankpas had gekregen. Er waren genoeg mensen die hun bankpasje afstonden omdat ze wat willen verdienen. Bijlage 8.1 – 8.9. (pag. 250/311 – 258/319; betreft zaak 10, aangifte [slachtoffer 6]; camerabeelden 17 februari 2020, zaak 10, PL1700-2020054539) (pag. 202/263) Ik ben degene die op die beelden te zien. Ik maakte weleens een foto van een banksaldo. U zegt dat in deze zaak is geld naar een rekening van [medeverdachte 1] is overgemaakt en dat ik met zijn bankpas geld opneem. [medeverdachte 1] ken ik wel. (pag. 203/264 bovenaan) Het kan zijn dat ik geld heb gepind met een bankpas van ene [slachtoffer 3] . Toen ik staande werd gehouden had ik een paar bankpasjes teveel. [naam 4] ken ik wel; hij gaf mij zijn rekeninggegevens en hij heeft ook wel voor mij gepind. [naam 5] en [medeverdachte 2] hebben ook voor mij gepind en aan mij hun bankpas gegeven. Ik ken ook een [naam 7] , uit Deventer; ook van hem hebben we een bankpas van hem gehad. (pag. 203/ 264 halverwege) U vraagt hoe ik het regelde dat mensen hun bankpassen afstonden. Via SnapChat stuurde ik wel foto’s rond met de tekst ‘Deel je kaarten..’ ofzo. Dan kreeg ik best wat positieve reacties. Ik heb inderdaad met de bankpas van [naam 8] bij het [casino 2] gepind. T. a .v. bijlage 8.4 (pag. 261/322 en 262 /323; betreft zaak 12 aangifte [slachtoffer 13], camerabeelden pinautomaat, 22 februari 2020, PL1500-2020063113) U houdt mij voor dat [slachtoffer 3] uit [plaats 2] heeft verklaard dat een blanke en een donkere man bij haar thuis kwamen en haar € 2.000,-- beloofden wanneer zij geld op haar rekening mochten storten, en dat ik op deze camerabeelden met haar bankpas sta te pinnen. Ik kan me herinneren dat ik toen gepind heb. Ik kwam daar iemand tegen; ik zeg niet wie. Bijlagen 9.1 – 9.13 (camerabeelden geldautomaat, betreft zaak 11 PL1300-2020042973, pag. 266/327 t/m 278/ 340). (pag. 203/264) Dat ben ik op die beelden. Over de andere persoon op de beelden zeg ik niets. Bijlage 10.1 – 10.3: (foto’s beveiligingscamera van een geldautomaat 25 februari 2020; betreft zaak 15; pag. 279/ 341 e.v.) (pag. 203/264 onderaan, pag. 204) Ik ben degene die op de beelden is te zien. Ik heb van veel verschillende bankrekeningen gepind. U vraagt waar al het geld is gebleven en waar dat voor is gebruikt; onder meer dat bedrag € 10.000,-. Iedereen kreeg zijn procenten. U vraagt of één persoon opdrachten gaf, of meerdere personen. 99% gebeurde door één en dezelfde persoon. Als degene waar ik mee werkte een keer niet kon, dan vroeg ik wel iemand anders. Ik deed dit alles om geld te verdienen. Een jaar of twee geleden werd ik benaderd door personen. Ze vroegen of ik een pasje kon leveren. Ik heb dat gedaan en ik kreeg daar geld voor. Ik was de hele dag kaarten aan het regelen en ik zag het als mijn werk. En, ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4:  Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] en gesloten op 3 oktober 2019 (pag. 1005 – 1007), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – al verklaring van aangever [slachtoffer 9] (zaak 2): Ik doe aangifte van oplichting, gepleegd op 24 september 2019 om 17:00 uur en 25 september 2019 om 14:30 uur. Doordat een valse naam/valse hoedanigheid werd aangenomen, dan wel gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot afgifte van geld/goed. Op dinsdag 24 september 2019 omstreeks 17.00 uur kreeg ik op mijn mobiele telefoon via WhatsApp een bericht. Ik zag de profielfoto van mijn zus [naam 9] . In het appje stond: “ Hoi [slachtoffer 9] , wil je mijn nieuwe nummer opslaan, ik ben sinds vandaag overgestapt naar Sim-only. Haar nieuwe nummer was [telefoonnummer 3] . Na wat appjes over en weer vroeg ze of ik mijn pc had aanstaan. Ze zei dat zij een storing had met internetbankieren en ze gaf aan dat ze nog een betaling moest verrichten die voor morgen betaald moest zijn. Ik probeerde haar eerst op haar nieuwe nummer te bellen maar dat lukte niet. De volgende dag ontving ik van haar een betaalverzoek van de bank Bunq met het verzoek een bedrag van € 857,50 over te maken naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] , door te boeken naar: [rekeningnummer 3] . Hierna kreeg ik nóg twee betaalverzoeken, de eerste betrof wederom een bedrag van € 857.50 euro. De rekeningnummers waren hetzelfde als de eerste keer. Op zaterdag 28 september 2019 belde ik mijn zus en vroeg wanneer ze het mij zou terug betalen. Ze vroeg wat ik bedoelde en zo kwam ik erachter dat ik was opgelicht. Bij deze aangifte voeg ik kopieën van onder andere de banktransacties en de Whats-App berichten met de betaalverzoeken die mij zijn toegestuurd. Bijlagen:  Prints van betaalverzoeken (pag. 1008 en 1009) en prints van banktransacties BUNQ BV 25 september 2019 betreffende drie afschrijvingen van bedragen à € 857,50, € 857,50 en € 600,-- vanaf de ABN-Amro rekening van [slachtoffer 9] . (pag. 1010).  Prints van Whats-App berichten met onder meer enkele betaalverzoeken.  Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] en gesloten op 1 oktober 2019 (pag. 1105 – 1107), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [slachtoffer 10] (zaak 3): Ik doe aangifte van oplichting, gepleegd op 25 september 2019 tussen 14:50 uur en 17:00 uur. Doordat een valse naam/valse hoedanigheid werd aangenomen dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot afgifte van geld/goed. Op 25 september 2019 omstreeks 15:50 uur kreeg ik een WhatsApp bericht van – naar ik veronderstelde - mijn broer, vanaf het nummer: [telefoonnummer 4] . In dit berichtje stond: “Wil je even mijn nieuwe nummer aanpassen? [naam 10] ”. Ik paste zijn telefoonnummer aan. Ik had met [naam 10] een gesprek via WhatsApp over de verbouwing van een oprit. Degene met wie ik appte kwam echt over als mijn broer. Diezelfde dag omstreeks 15:20 uur vroeg [naam 10] of ik voor hem een betaling kon overmaken omdat hem dat zelf niet lukte door een systeemfout. Hij vroeg om één keer € 800,-- en één keer € 700,-- over te maken. Ik kreeg vervolgens twee betaalverzoekjes vanaf de bank Bunq; één van € 857,50 en één van € 742,50; totaal € 1600,-- . Ik kwam op een site van de Bunq-bank en kon via Ideal betalen. Ik heb de twee bedragen overgemaakt vanaf mijn zakelijke en mijn persoonlijke bankrekening naar het opgegeven rekeningnummer [rekeningnummer 4] , ten name van [slachtoffer 1] . Nadat het geld was overgemaakt kreeg ik nog een appje van [naam 10] of het allemaal geregeld was. Op 26 september 2019 werd ik gebeld door de fraudeafdeling van de Rabobank en kreeg ik te horen dat ik was opgelicht.  Het proces-verbaal van verdenking m.b.t. (mede-)verdachte [slachtoffer 1] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] , gesloten op 28 februari 2020 (pag. 1018 – 1019), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant voornoemd: [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] hebben aangifte van oplichting gedaan. Aan hen is via WhatsApp verzocht (op 24 september 2019 en op 25 september 2019) om betalingen over te maken de rekening [rekeningnummer 3] . Op grond van een vordering ex. artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering zijn bij de bank de identificerende gegevens gevorderd van: [rekeningnummer 3] . Door de bank Bunq BV zijn de gegevens verstrekt. Genoemd rekeningnummer staat op naam van: [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum 2] 2001, wonende te [woonplaats] .  Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , opgemaakt en gesloten op 4 november 2019 (pag. 1020 - 1021) voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant voornoemd: Op grond van een vordering, heeft de Bunq-bank een overzicht verstrekt van transacties met betrekking tot het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] . In dat overzicht zijn een aantal winkelketens te vinden. Op 18 oktober 2019 heb ik de winkels benaderd met de vraag of zij camerabeelden hebben van personen die op 25 september 2019 hun winkel hebben bezocht. Van de [winkel] te Deventer werd bericht ontvangen inhoudende dat zij camerabeelden hebben van personen die op de bewuste dag en het bewuste tijdstip op die beelden zijn te zien. Op 25 september 2019 om 16.14 uur is een bedrag afgeschreven van € 1.045,-- in verband met de aanschaf van een telefoon. Op beelden van die middag zouden twee blanke mannen staan van 20 [alias medeverdachte 1] 25 jaar oud. Die telefoon kostte € 1.042,-- en daarnaast was er nog een blikje Redbull en Fuze Ice tea gekocht. De camerabeelden zijn veiliggesteld en zullen worden uitgewerkt. Behalve de [winkel] bleek ook het [tankstation] -station aan [adres 2] camerabeelden te hebben van 25 september 2019.  Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , opgemaakt en gesloten op 25 oktober 2019 (pag. 1032 – 1033) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als bevindingen van verbalisant voornoemd: Op 25 oktober 2019 heb ik camerabeelden bekeken die door de [winkel] te Deventer zijn aangeleverd. Op een USB- stick staan camerabeelden opgenomen met verschillende camera’s. Camera 18: Bij een gangpad met mobiele telefoons staat naast een medewerker van de [winkel] een jongen met een blank uiterlijk van ongeveer 25 jaar, met op zijn gezicht een soort sikje aan onderzijde kin. De jongen draagt een zwart shirt, zwart petje van “The North Face”. (persoon 1). De medewerker van de [winkel] scant een doorzichtig doosje met een grijze deksel erop met daarin een zwart doosje. De medewerker van de [winkel] loopt weg en persoon 1 loopt achter hem aan. Camera 2: Te zien is dat persoon 1 in de richting van de kassakoopjes loopt. Hij heeft zijn telefoon in zijn hand. Daarachter loopt een jongen, van ongeveer 25 jaar, die witte schoenen, een spijkerbroek, en een witte trui draagt, met opdruk Boss (persoon 2). Persoon 2 heeft een briefje in zijn linkerhand. Camera 4: Persoon 1 pakt bij de kassa een blikje red bull. De k

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.