RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 8598654 \ EJ VERZ 20-207 Beschikking van de kantonrechter van 13 oktober 2020 in de zaak van de stichting de stichting STICHTING ISALA KLINIEKEN,gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle, verzoekende partij, hierna te noemen Isala, gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius, tegen [verweerder] ,wonende te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen [verweerder] , gemachtigde: mr. E.P. Keuvelaar. 1De procedure 1.1. Op 23 juni 2020 heeft de kantonrechter een verzoekschrift van Isala ontvangen, waarin Isala de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] verzoekt. [verweerder] heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft de kantonrechter nog kennisgenomen van de producties 38 tot en met 42 van Isala. 1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 8 september 2020. De gemachtigden van Isala en [verweerder] hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van hun pleitnota’s. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan [verweerder] de gelegenheid geboden om de notulen op te sturen van een vakgroepvergadering. Door middel daarvan mocht [verweerder] zijn stelling aantonen inzake besluitvorming over het overschrijven van conclusies in verslagen. Met een faxbericht van 14 september 2020 heeft [verweerder] een toelichting gegeven hoe het volgens hem zit met de besluitvorming, echter zonder de notulen mee te zenden. Die notulen zijn er blijkbaar niet. De kantonrechter zal het faxbericht niet bij zijn verdere beoordeling betrekken. Daarmee komt de kantonrechter tegemoet aan het bezwaar dat Isala heeft opgeworpen in haar faxbericht van 16 september 2020. 1.4. De kantonrechter is voldoende ingelicht om een beslissing te nemen in deze zaak. Die beslissing wordt vandaag in deze beschikking opgenomen en toegelicht. 2De beoordeling Wat is aan het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst vooraf gegaan? 2.1. [verweerder] is sinds 1 november 2009 in dienst van Isala als patholoog voor 36 uren per week. Daarmee verdient [verweerder] een bruto maandsalaris van € 9.552,80 bruto, exclusief emolumenten. Zijn dienstverband brengt mee dat [verweerder] lid is van de Vereniging Medische Staf Isala (VMSI) en van de Vereniging Medische Specialisten in dienstverband Isala (VSMD-I). 2.2. Pathologen bij Isala maken deel uit van de vakgroep Pathologie, die op dit moment uit veertien leden (pathologen) bestaat. De vakgroep (ook wel de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) genoemd) wordt aangestuurd door een dagelijks bestuur (DB), dat in ieder geval bestaat uit de voorzitter en de manager van de RVE. Tot begin 2019 was [A] de RVE-voorzitter. [B] is (nog steeds) de RVE-manager. 2.3. Tijdens een vakgroepvergadering op 24 mei 2016 heeft [verweerder] zich op een manier uitgelaten, die door de overige aanwezigen is ervaren als een woede-uitbarsting. De acht aanwezige vakgroepleden, en [A] en [B] hebben in een brief aan [verweerder] van 24 mei 2016 unaniem verklaard dat [verweerder] gedrag onacceptabel en ongepast was. ‘Met name je denigrerende uitlatingen over de sollicitatiecommissie, waaronder de term ‘amateuristisch’ is voor ons onbegrijpelijk en ongegrond. Daarbij nam je en passant ook de voorbereiding voor de dienstverlening Meppel mee als amateuristisch. Vooral door degenen die hier veel werk aan hebben verricht werd dit als onnodig kwetsend en eveneens ongegrond ervaren.’ Het RVE-bestuur eiste minimaal oprechte excuses van [verweerder] en dat hij daaraan voorafgaand met het bestuur in gesprek zou gaan over het incident en de wijze waarop hij zijn excuses zou maken. 2.4. [verweerder] heeft in reactie op de brief van 24 mei 2016 (in een ongedateerde brief) geschreven: ‘Mijn oprechte excuses voor mijn emotionele uitbarsting van vanmiddag tijdens de vakgroepvergadering, maar deze uiting kwam uit het diepst van mijn hart (…). Besten, het lijkt mij duidelijk dat dit een hartenkreet is en dat ik het beste voor heb met de vakgroep. Het steekt mij echter om telkens het ene geluid te horen in de persoonlijke sfeer en het tegenovergestelde geluid (of helemaal geen geluid) in onze vakgroep vergadering.’ 2.5. Het RVE-bestuur heeft in de loop van de tijd problemen met het functioneren van [verweerder] ervaren, die [B] op 20 december 2013, 18 april 2016 en op 1 juli 2016 heeft geïnventariseerd en vastgelegd. Bijvoorbeeld op 1 juli 2016 vanuit de afdeling Histologie: ‘Het tijdig beginnen van de uitsnijsessie volgens rooster is een probleem. Hierdoor loopt de planning van werkzaamheden verkeerd. Andere pathologen moeten dan meer uitsnijden. De assisterende analisten in uitsnijruimte merken dat het uitsnijden minder uitgebreid en zorgvuldig plaatsvindt. Collega pathologen moeten dan terug naar het materiaal voor verder onderzoek. [verweerder] bepaalt tempo uitsnijsessie, analist kan moeilijk tempo bijhouden. De versdienst heeft een aantal vaste tijdmomenten. Het is lastig om [verweerder] tijdig en volgens afspraak bij deze taak te krijgen. [verweerder] is niet altijd bereikbaar en ook niet op zijn kamer.’ Histologie en immuno: ‘Het veelvuldig navragen van diagnostiek om sneller door zijn werk te komen (deels aanname). (…). Huidexcisie zonder T-nummer voor hem insluiten, snijden en kleuren. Afspraken niet nakomen, niet eerlijk communiceren en anderen de schuld willen geven. Krijgt [verweerder] geen gelijk, dan krijg je het op een later moment als een boemerang terug. Bij [verweerder] altijd op je hoede blijven als je met hem communiceert.’ Ook de andere afdelingen (mortuarium, cytologie, secretariaat) en het RVE-bestuur hebben de nodige ontwikkelpunten van/voor [verweerder] gesignaleerd, die als volgt zijn samengevat: ‘- nakomen afspraken en –tijden - conformeren aan de werkafspraken / protocollen; - geen uitzonderingssituaties en/of binnenbocht constructies. - geen smoesjes / onwaarheden - tijdig afmaken van werk, geen uitstelgedrag - aandacht voor voorbeeldgedrag naar medewerkers toe - meer zelfreflectie - accepteren van regels / nakomen van (werk)afspraken.’ Gelet op deze signalen en de uit de hand gelopen vakgroepvergadering van 24 mei 2016 heeft het RVE-bestuur besloten om mediation in te zetten. Mediation heeft plaatsgevonden in de periode juni 2016 – februari 2017, onder begeleiding van mediator [C] . 2.6. Het mediationtraject is formeel afgesloten met de ondertekening op 13 maart 2017 van een verslag ‘Resultaat van de (mediation)gesprekken’ door [verweerder] , [B] en [A] . Zij nemen bij dat verslag in aanmerking dat ‘tussen [verweerder] en zijn leidinggevenden, alsmede tussen hem en een aantal collega’s spanningen zijn ontstaan in de vertrouwens- en werkrelatie waardoor er sprake was van een samenwerkingsprobleem.’ Als resultaat van de gesprekken wordt onder meer genoemd dat met betrekking tot een aantal onderwerpen (zoals samenwerking, geven en ontvangen van feedback, zich toetsbaar opstellen en tot zelfreflectie komen) positieve veranderingen zijn waargenomen. ‘Ook [verweerder] zelf heeft verklaard dat de gesprekken voor hem zinvol zijn geweest en hij bemerkt de verandering bij hem zelf en in de omgang met zijn collega’s. Alle gesprekspartners hebben telkens aan het eind van ieder gesprek verklaard dat de spanningen tussen hen persoonlijk en als collega’s zijn weggenomen.’ 2.7. In de periode mei – juni 2017 hebben de pathologen [D] en [E] bij [A] hun beklag over [verweerder] gedaan. 2.8. In overleg met [verweerder] en het RVE-bestuur, heeft [verweerder] op 13 juni 2017 een presentatie aan de vakgroepleden gegeven, waarin hij een terugkoppeling heeft gegeven op het mediationtraject. De vakgroepleden hebben in reactie daarop verklaard dat zij de zelfreflectie van [verweerder] ‘totaal niet ervaren. Meerdere leden van de vakgroep geven juist aan dat een gebrek van oprechte zelfreflectie een van de kernproblemen is (…) Het mediation traject is een intensief traject geweest, maar zeker nog niet voorbij. Maandelijks zal het dagelijks bestuur met [verweerder] spreken. Deze vaste overlegmomenten zijn bedoeld om de voortgang bij te houden. Er zal verslaglegging plaatsvinden; afspraken mogen niet meer worden geschonden daar zullen consequenties aan verbonden worden (…).’ Die follow-upgesprekken hebben plaatsgevonden op 17 juli 2017, 21 augustus 2017, 16 oktober 2017, 20 november 2017 en 12 februari 2018. 2.9. Op 10 december 2018 heeft het bestuur van de vakgroep (bestaande uit [A] , [F] , [G] en [B] ) in een gesprek met [verweerder] te kennen gegeven dat problemen zijn gesignaleerd op het gebied van (onder meer) de zorgvuldigheid van verslaglegging en aanwezigheid op de afdeling. Het bestuur heeft [verweerder] verzocht om een analyse inclusief zelfreflectie te maken van zijn laatste tien obductieverslagen en twintig casussen histologische diagnostiek. In het gespreksverslag van dat gesprek staat verder: ‘Tenslotte Het DB heeft een tijd een opgaande lijn waargenomen. Nu de frequentie van follow up is gedaald, zien we gedragspatronen ontstaan die door het DB als zorgelijk worden ervaren. We zijn bang dat de opgaande lijn tot stilstand is gekomen of ongemerkt is omgezet in een neergaande lijn. [verweerder] wordt opgeroepen om zijn kans te pakken om de opgaande lijn weer te vervolgen.’ Op verzoek van [verweerder] heeft daags erop een tweede gesprek plaatsgevonden, waarin [verweerder] te kennen heeft gegeven grote moeite te hebben met het voorafgaande gesprek. [verweerder] verzoekt een einde te maken aan de officiële follow-upgesprekken. 2.10. Het DB heeft in de vakgroepvergadering van 7 januari 2019 de vakgroepleden geïnformeerd dat het traject van mediation en follow-upgesprekken formeel is beëindigd. Vier pathologen hebben op 28 januari 2019 het DB schriftelijk verzocht om deze beëindiging te heroverwegen, omdat zij menen dat [verweerder] in zijn oude gedragspatronen is teruggevallen. Van vijf andere pathologen ontvangt [A] ook klachten over [verweerder] . Samengevat noemen de (negen) pathologen de volgende bezwaren: ‘- gebrek aan zelfreflectie - oneerlijkheid jegens collegae - niet serieus nemen van de complicatiebespreking - onheuse bejegening van collegae dat ervaren wordt als intimiderend - onnodige vertraging van de diagnostiek - ook zijn er vragen bij de medisch inhoudelijke kwaliteit - verschijnen met alcohollucht op het werk.’ 2.11. Het DB heeft daarop besloten om het stafbestuur van Isala te vragen om op grond van het Reglement Functioneringsvraag VMSD-I een onderzoek in te stellen naar het functioneren van [verweerder] . Dit is eerst gebeurd door middel van een brief van 14 februari 2019, ondertekend door negen leden van de vakgroep, en vervolgens, na een gesprek met het stafbestuur, door middel van een brief van 14 maart 2019, ondertekend door de gehele vakgroep. Op 1 mei 2019 heeft de zogeheten commissie ad hoc bepaald dat de melding disfunctioneren ontvankelijk is, waarna het vervolgonderzoek in gang is gezet. De zogeheten commissie van onderzoek ad hoc (CvO) heeft op 27 januari 2020 een rapport uitgebracht. 2.12. [verweerder] is vanaf september 2019 niet meer aan het werk bij Isala. Het standpunt van Isala en haar verzoek. 2.13. Volgens Isala moet een einde komen aan de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] . Daarom verzoekt zij de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning van de transitievergoeding aan [verweerder] . 2.14. Als voornaamste grond voert Isala aan dat sprake is van disfunctioneren (d-grond). Dat volgt uit het rapport van de CvO, die het functioneren van [verweerder] heeft beoordeeld aan de hand van het CanMEDS-model. [verweerder] schiet tekort op de competenties samenwerking, communicatie en medisch handelen. Hij neemt kritiek niet serieus, bagatelliseert zaken en externaliseert. Bovenal is [verweerder] niet in staat tot zelfreflectie en hij staat niet open voor feedback. Isala heeft met mediation en follow-upgesprekken geprobeerd het functioneren van [verweerder] te verbeteren. Deels heeft dat effect, maar dan op ondergeschikte zaken als rookpauzes en afwezigheid. Maar de uiterst summiere verslaglegging, nonchalance en slordigheid van werken, het afschuiven van werk en oneerlijk gedrag komen telkens, na afloop van een werkgeversinterventie, weer boven drijven. Alle leden van de vakgroep hebben daarom verklaard een nieuw verbetertraject niet te zien zitten. 2.15. Uit het rapport van de CvO volgt verder dat [verweerder] op zeer kwalijke wijze zijn fouten moedwillig verdoezelt, doordat hij eerdere foutieve conclusies in verslagen verwijdert en vervangt door nieuwe. Isala merkt dat aan als een grovelijke veronachtzaming van de op [verweerder] als arts rustende (zorg)plicht waardoor de veiligheid en kwaliteit van de patiëntenzorg in het gedrang is. Ook om die reden, (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), dient de arbeidsovereenkomst volgens Isala te worden ontbonden. 2.16. Tot slot heeft Isala betoogd dat het vertrouwen van de vakgroep in [verweerder] onherstelbaar is beschadigd, zodat er geen enkele basis is voor een verdere samenwerking. Dat gebrek aan vertrouwen is volgens Isala ook reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst (h-grond). 2.17. Zouden de genoemde gronden de kantonrechter niet brengen tot een ontbinding, dan wil Isala dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt wegens een combinatie van voorgaande gronden (de i-grond). Het verweer tegen het ontbindingsverzoek. 2.18. [verweerder] wil dat de kantonrechter het verzoek afwijst. Hij erkent dat er strubbelingen zijn geweest in de samenwerking, maar [verweerder] heeft erop gewezen dat het mediationtraject in 2017 succesvol is afgerond. De uitkomst was dat [verweerder] en zijn collega’s veranderingen hebben vastgesteld en ook in de maanden daarna is een opgaande lijn gerapporteerd in de follow-upgesprekken. [verweerder] verwijst vooral naar het goede resultaat uit het IFMS-gesprek (Individueel Functioneren Medisch Specialist) van 13 november 2018. Tijdens het IFMS-gesprek is geen kritiek geuit op zijn functioneren. De melding disfunctioneren is voor [verweerder] dan ook uit de lucht komen vallen. [verweerder] wijt de gang van zaken aan gebrekkige communicatie binnen de vakgroep als geheel. Sinds de onverwachte melding van disfunctioneren heeft Isala niet opengestaan voor een goed gesprek. [verweerder] pleit voor een interventie onder leiding van [H] , die daartoe ook bereid is, waardoor de vakgroep als geheel beter zal kunnen samenwerken. 2.19. Mocht de kantonrechter besluiten de arbeidsovereenkomst te ontbinden, dan wil [verweerder] dat de kantonrechter, naast een transitievergoeding van € 43.827,00 een billijke vergoeding van € 900.000,00 bruto toekent. Het oordeel van de kantonrechter. 2.20. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden, omdat zowel sprake is van disfunctioneren als van een verstoorde arbeidsverhouding tussen [verweerder] en de vakgroep. Gelet op het tegenverzoek van [verweerder] zal de kantonrechter aan [verweerder] ten laste van Isala een transitievergoeding toekennen van € 43.827,00 bruto. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wijst de kantonrechter af. De proceskosten zullen worden gecompenseerd. De kantonrechter zal hierna zijn beslissingen toelichten. Het toetsingskader bij de ontbinding wegens disfunctioneren. 2.21. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer ontbinden, als daarvoor een redelijke grond is en herplaatsing niet mogelijk is. Dat is wat Isala de kantonrechter verzoekt. Zij voert daartoe een aantal rechtsgronden aan, die zijn genoemd in de wet (artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek). Een van de daar genoemde gronden, betreft disfunctioneren (d-grond). 2.22. Van disfunctioneren als een redelijke ontslaggrond is volgens de wet sprake als de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid. Het uitgangspunt van de wet is dat de werkgever de werknemer tijdig in kennis stelt van de gebleken ongeschiktheid voor de bedongen arbeid en hem in voldoende mate in de gelegenheid stelt zijn functioneren te verbeteren. De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:933) daarover gezegd dat met dat wettelijk uitgangspunt nog niet is gegeven op welke wijze de werkgever de werknemer in de gelegenheid moet hebben gesteld zijn functioneren te verbeteren. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen onder meer een rol spelen de aard, de inhoud en het niveau van de functie, de bij de werknemer aanwezige opleiding en ervaring, de aard en mate van de ongeschiktheid van de werknemer, de duur van het onvoldoende functioneren vanaf het moment dat de werknemer daarvan op de hoogte is gesteld, de duur van het dienstverband, wat er in het verleden reeds is ondernomen ter verbetering van het functioneren, de mate waarin de werknemer openstaat voor kritiek en zich inzet voor verbetering, en de aard en omvang van het bedrijf van de werkgever. Eerder had de Hoge Raad al geoordeeld dat de rechter, uitgaande van de feiten en omstandigheden die zo nodig na bewijslevering zijn komen vast te staan, moet onderzoeken of in redelijkheid kan worden geoordeeld dat sprake is van disfunctioneren (HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182). Hieruit (‘in redelijkheid’) volgt dat een werkgever een zekere beoordelingsruimte is gelaten. 2.23. Overigens mag de ongeschiktheid niet veroorzaakt worden door ziekte, of het gevolg zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer. Die omstandigheden spelen in deze zaak echter geen rol dus zal de kantonrechter ze verder onbesproken laten. De bevindingen van de commissie van onderzoek. 2.24. De basis voor de stelling van Isala dat [verweerder] ongeschikt is voor zijn werk als patholoog, is het onderzoeksrapport van de CvO van ruim 70 pagina’s. De onderzoekscommissie heeft in maart 2019 haar onderzoeksopdracht gekregen en heeft het rapport afgesloten in januari 2020. De commissie baseert haar bevindingen op gesprekken met 31 gesprekspartners en op een dossieronderzoek dat [J] , patholoog, heeft gedaan op 24 september 2019. Na het afsluiten van het onderzoek heeft de CvO het conceptrapport voor commentaar voorgelegd aan [verweerder] , die erop heeft gereageerd. [verweerder] heeft in de onderhavige procedure geen opmerkingen geplaatst bij de totstandkoming van het onderzoeksrapport of over de inhoud daarvan, al trekt hij uit het rapport andere conclusies met betrekking tot de vervolgvraag of de arbeidsovereenkomst beëindigd moet worden. Dat betekent dat, hoewel [verweerder] volgens het onderzoeksrapport niet tekortschiet op het gebied van pathologische kennis en kunde en de patiëntveiligheid niet in gevaar is gebracht, Isala zich in redelijkheid op het standpunt mag stellen dat [verweerder] als patholoog onvoldoende functioneert. Daarvoor zijn naar het oordeel van de kantonrechter vooral de volgende, door de commissie samengevatte bevindingen van belang: ‘- [verweerder] is niet receptief in communicatie, de invloed van anderen op zijn gedrag lijkt minimaal. Het ontbreekt [verweerder] aan zelfreflectie. Hij ontvangt boodschappen niet en lijkt vooral ongevoelig voor signalen op betrekkingsniveau. Hij is beneden gemiddeld geneigd zijn mening aan te passen aan die van anderen. Kritiek wordt vooral weerlegd met zijn opvattingen, die hij als objectief in plaats van subjectief lijkt te beschouwen en doet de kritiek daarmee af. De relationele aspecten, die ook aan de orde zijn bij het ontvangen van feedback, geeft hij geen aandacht. Hij lijkt zich daarmee niet ten volle bewust van de invloed van zijn gedrag op anderen. - Er worden gedragsproblemen ervaren sinds 2013. Vooral het intermitterende optreden van dezelfde problematiek, heeft een cumulatief effect op het gebrek aan vertrouwen in een consistente verandering van [verweerder] ’s gedrag. - [verweerder] heeft een minimalistische taakopvatting, werkt niet altijd conform afspraken en de normen en waarden van de vakgroep en hanteert zijn eigen regels. Zijn verslaglegging voldoet niet altijd aan de afspraken en het komt voor dat hij verslagen achteraf aanpast of wijzigt zonder de (schriftelijk vastgelegde) afspraken die daarvoor gelden, te volgen. Het desbetreffende onderzoek en de verslaglegging daarvan is in die gevallen daardoor niet toetsbaar en [verweerder] maakt hierdoor interne kwaliteitsverbetering op deze punten moeizaam.’ Heeft Isala een nieuw verbetertraject achterwege mogen laten? Ja. 2.25. Gelet op het toetsingskader dat de kantonrechter hiervoor heeft weergegeven is de vervolgvraag of Isala [verweerder] voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] opgemerkt dat de door de CvO benoemde zaken een voldoende basis bieden voor een verbetertraject. Daarvoor staat [verweerder] ook open. De kern van het verweer van [verweerder] tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst betreft het achterwege laten van een deugdelijk verbetertraject. 2.26. De CvO heeft in haar rapport aandacht besteed aan de in het verleden aangeboden verbetertrajecten, onder meer bestaande uit de (deels niet gedocumenteerde) gesprekken met (leden van) het DB, de mediation en de follow-upgesprekken. De commissie zegt daarover: ‘Alle betrokkenen ( [verweerder] zelf, de vakgroep resp. het DB van de vakgroep en de Raad van Bestuur) hebben in de afgelopen jaren onvoldoende doortastend en consistent gehandeld. De verschillende trajecten, waaronder met name het mediationtraject zijn door betrokkenen onvoldoende benut om de problematiek op te lossen. Een ieder is hierin, vanuit zijn/haar eigen rol tekortgeschoten.’ 2.27. [verweerder] ziet in die conclusie zijn gelijk: Isala had hem meer c.q. beter in de gelegenheid moeten stellen om zijn functioneren te verbeteren. Tussen februari 2018 en december 2018 waren er geen uitingen van kritiek en het IFMS-gesprek van november 2018 is positief verlopen. De follow-upgesprekken zijn begin 2018 beëindigd, omdat de opgaande lijn voldoende is gepakt. Deze positieve gang van zaken verhoudt zich niet tot de (eerste) melding aan het stafbestuur van disfunctioneren die in februari 2019 volgde. [verweerder] meent ook dat het disfunctioneren op het gebied van communicatie in een breder perspectief geplaatst moet worden, omdat ook de overige vakgroepleden onvoldoende met elkaar communiceren. Juist om die reden heeft hij eerder een buddy-systeem voorgesteld. 2.28. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de conclusies en aanbevelingen van de CvO te selectief leest. Op pagina 67 van het rapport uit de CvO weliswaar kritiek op de uitgevoerde verbetertrajecten, maar het is niet zo dat Isala geen mogelijkheid tot verbetering heeft geboden en [verweerder] rol daarbij moet ook niet worden uitgevlakt. De CvO oordeelt: ‘Bij het mediationtraject was slechts een klein deel van de vakgroep betrokken en was vooraf onvoldoende duidelijk en concreet gemaakt waar de mediation precies op zag. Het gehele mediationtraject is daarnaast onvoldoende geëvalueerd en het follow up traject erna niet SMART uitgevoerd. Ook is de vakgroep onvoldoende betrokken geweest tijdens het follow up traject. Benadrukt wordt dat dit aan alle betrokkenen, inclusief [verweerder] , is te wijten. Daarnaast heeft [verweerder] onvoldoende blijk gegeven van zelfinzicht en noodzaak tot verbetering van zijn functioneren. Zonder deze beide aspecten, zelfinzicht en ervaren noodzaak tot verbetering, kan van een mediationtraject geen structurele oplossing worden verwacht.’ Blijk geven van voldoende zelfreflectie is een van de voorwaarden voor het starten van een verbeterproject, aldus artikel 3:9 van het toepasselijke Reglement Functioneringsvraag VMSD-I. Dat artikel luidt als volgt: ‘Indien uit de bevindingen en conclusie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.