← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2020:392

RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Enschede Zaaknummer : 8169548 \ CV EXPL 19-6816 Vonnis van 4 februari 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RABO FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,gevestigd te Eindhoven, eisende partij, hierna te noemen Rabo, gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] ,wonende te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 december 2019 - de akte van Rabo. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  3. De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist. 2.
  4. Bij tussenvonnis van 10 december 2019 heeft de kantonrechter Rabo in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Verder is zij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag wanneer het krediet vervroegd is opgeëist en kon zij de ingebrekestellingen overleggen. 2.
  5. Bij akte heeft Rabo gesteld dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht doordat zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst op basis van door haar opgevraagde stukken, zoals informatie over het inkomen en de vaste lasten, alsmede stukken over andere consumptieve financieringen of alimentatie. Rabo heeft gesteld dat zij deze stukken niet meer voorhanden heeft, omdat de bewaartermijn van deze stukken is verstreken. Verder heeft Rabo gesteld dat [gedaagde] in verzuim was met de betaling van een aantal termijnen, waarna partijen een betalingsregeling zijn aangegaan. Rabo heeft gesteld dat zij de aanmaningen voor deze periode niet kan overleggen. Volgens Rabo werd de betalingsregeling niet nagekomen en heeft Rabo [gedaagde] bij brief van 25 maart 2019 in gebreke gesteld en het krediet vervolgens bij brief van 24 april 2019 vervroegd opgeëist. De ingebrekestelling van 25 maart 2019 en opeisingsbrief van 24 april 2019 had Rabo reeds bij dagvaarding overgelegd. Volgens Rabo mag deze ingebrekestelling zien op achterstanden in de betalingsregeling. Daarbij heeft ze verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 24 juni 2008 (ECLI:NL:GHARN:2008:BD5799). Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht. 2.
  6. De kantonrechter is van oordeel dat Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht doordat zij de kredietwaardigheid heeft getoetst op grond van door [gedaagde] overgelegde bewijsstukken. De ingebrekestelling van 25 maart 2019 voldoet niet. 2.
  7. Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. De kantonrechter stelt vast dat partijen in artikel 13 aanhef en sub a van de Algemene voorwaarden Doorlopend Krediet van de Rabobank 2010, die volgens de schriftelijke kredietovereenkomst mede op de overeenkomst van toepassing zijn, een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan deze wettelijke bepaling. 2.
  8. De vraag, die de kantonrechter ambtshalve dient te beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door Rabo een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag. De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 25 maart 2019 niet een rechtsgeldige ingebrekestelling is. Niet gebleken is namelijk dat [gedaagde] op dat moment twee maanden nalatig is geweest in de betaling van het maandbedrag. Bovendien wordt [gedaagde] in deze brief niet gewaarschuwd voor de gevolgen die niet-betaling met zich meebrengt. Dat het mag gaan om ‘een ingebrekestelling waarin wordt aangemaand tot het voldoen van achterstanden in een met de kredietnemer getroffen betalingsregeling’ is juist, maar ook deze ingebrekestelling dient te voldoen aan alle criteria genoemd in artikel 33 aanhef en onder c lid 1 Wck (oud). Wat is hiervan het gevolg? 2.
  9. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat niet is gebleken dat het saldo rechtsgeldig is opgeëist. Dit betekent dat de kredietovereenkomst onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt, maar dat de grondslag van de onderhavige vordering komt te vervallen. De vordering zal dan ook worden afgewezen. 2.
  10. Rabo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil. 3Beslissing De kantonrechter: 3.
  11. wijst de vordering af, 3.
  12. veroordeelt Rabo tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld – Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari
  13. (SK)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.