← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2020:4264

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/953028-16 (P) Datum vonnis: 17 december 2020 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats] , thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 oktober 2020, 30 oktober 2020, 3 november 2020 en 3 december 2020. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C.T. Tjauw-Foe en G.L.M. Verstegen en van hetgeen door de raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er – na wijziging van de tenlastelegging op 27 oktober 2020 en 30 oktober 2020 – kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 vier personen via internet heeft opgelicht; feit 2: in de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 samen met anderen 28 personen via internet heeft opgelicht; feit 3: in de periode van 19 oktober 2016 tot en met 6 februari 2017 samen met anderen identiteitsfraude heeft gepleegd; feit 4: op 25 april 2016 en op 18 december 2016 samen met anderen computervredebreuk heeft gepleegd waarbij wederrechtelijk in het banksysteem van twee personen is binnengedrongen; feit 5: in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 te Enschede en/of één of meer andere plaatsen, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [aangever 1] (aangifte 31, p. 1348 ev. dossier), - [aangever 2] (aangifte 34, p. 1383 ev. dossier) - [aangever 3] (aangifte 35, p. 1393 ev. dossier) en/of - [aangever 4] (aangifte 30, p. 1425 ev. dossier) en/of één of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)- naar aanleiding van een door die aangevers/benadeelden op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer 1] via 'Whattsapp' contact opgenomen met die aangevers/benadeelden, - zich voorgedaan als [alias 1 verdachte] en/of [alias 2 verdachte] (en/of daarbij) een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers/benadeelden verstuurd/verzonden, - aan aangevers/benadeelden gevraagd om een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas terug te sturen, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer 1] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in op omstreeks de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 te Enschede, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [aangever 5] (aangever 73, p.1600 dossier), - [aangever 6] (aangever 87, p.1700 dossier) - [aangever 7] (aangever 293, p. 1900 dossier) - [aangever 8] (aangever 291, p. 2100 dossier) - [aangever 9] (aangever 312, p. 2200 dossier) - [aangever 10] (aangever 304, p. 2400 dossier) - [aangever 11] (aangever 310, p. 2700 dossier) - [aangever 12] (aangever 319, p. 2900 dossier) - [aangever 13] (aangever 355, p. 3100 dossier) - [aangever 14] (aangever 323, p. 3300 dossier) - [aangever 15] (aangever 388, p. 3400 dossier) - [aangever 16] (aangever 387, p. 3600 dossier) - [aangever 17] (aangever 359, p. 3700 dossier) - [aangever 18] (aangever 325, p. 3900 dossier) - [aangever 19] (aangever 372, p. 4100 dossier) - [aangever 20] (aangever 348, p. 4300 dossier) - [aangever 21] (aangever 317, p. 4500 dossier) - [aangever 22] (aangever 327, p. 4700 dossier) - [aangever 23] (aangever 334, p.5032 dossier) - [aangever 24] (aangever 341, p. 5200 dossier) - [aangever 25] (aangever 340, p. 5400 dossier) - [aangever 26] (p. 5600 dossier) - [aangever 27] (aangever 93, p. 6500 dossier) - [aangever 28] (aangever 356, p.7000 dossier) - [aangever 29] (aangever 376, p.7200 dossier) - [aangever 30] (aangever 303, p.7600 dossier) - [aangever 31] (aangever 313, p. 7900 dossier) - [aangever 32] (aangever 353, p. 8000 dossier) en/of één of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de ING bank en/of [rekeningnummer 60] bank en/of ABN bank aan verdachte en/of diens mededader(
  2. s)immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(
  3. s)- naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een afbeelding van een (vals) identiteitsbewijs en/of bankpas, althans een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde persoon/personen verzonden, - aan voornoemde persoon/personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - een of meer Whatsapp bericht(
  4. en)naar voornoemde persoon/personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die persoon/personen een cijfer- en/of bevestigingscode moest(
  5. en)doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde persoon/personen die code('
  6. s)heeft/hebben doorgegeven en/of - vervolgens nog één of meerdere Whatsapp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde persoon/personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien, althans woorden van dergelijke aard of strekking (al dan niet in een andere volgorde en/of samenstelling); 3. hij in of omstreeks 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander of anderen te weten: - ( een deel / delen van) de voorna(a)m(
  7. en)en/of achterna(a)m(
  8. en)van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van [aangever 33] (aangifte p. 9107 ev. dossier), [aangever 34] (aangifte 235, p. 9206 ev. dossier), [aangever 7] (aangifte 293, p. 1900 ev dossier), en/of één of meer andere personen heeft/hebben gebruikt door - ( telkens) (een deel / delen van) de voorna(a)m(
  9. en)en/of achterna(a)m(
  10. en)van voornoemde [aangever 33] , [aangever 34] en/of [aangever 7] te noemen en/of te vermelden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen/verzenden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar - [aangever 18] (aangifte 325), - [aangever 24] (aangifte 341) - [aangever 35] (aangifte 348) en/of - [aangever 8] (aangifte 291), - [aangever 7] (aangifte 293), - [aangever 9] , (aangifte 312) en/of - [aangever 13] , (aangifte 355) - [aangever 14] , (aangifte 323) - [aangever 12] (aangifte 319), en/of één of meer andere personen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij in of omstreeks 25 april 2016 en/of op of omstreeks 18 december 2016 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van de bank (ING bank en/of [rekeningnummer 60] bank) van één of meer personen, waaronder: - [aangever 36] (aangifte 91, p. 9310 ev. dossier), - [aangever 37] (aangifte 328, p. 9321 ev. dossier), en/of één of meer andere personen, is binnengedrongen a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats i.v.m. een door hen te koop aangeboden artikel, - via Whatsapp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via Whatsapp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [aangever 38] en/of [aangever 33] en/of één of meer andere personen waardoor/waarmee hij, verdachte en/of zijn mededader(
  11. s)zich heeft/hebben voorgedaan als een bonafide koper van één of meer goederen - via Whatsapp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die/een valse hoedanigheid, althans onrechtmatig, althans vals verkregen inloggegevens/inlogcodes en/of bevestigingscodes in te loggen op/in de webserver en/of de mobiel internetbankieren pagina/app/bankomgeving van de bank van die [aangever 36] , [aangever 37] en/of één of meer andere personen; en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekening(
  12. en)over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te Enschede, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven). 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie zijn van mening dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat hij deze feiten gepleegd heeft. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de vier aangevers [aangever 8] , [aangever 11] , [aangever 18] en [aangever 20] betreft. Voor de overige aangevers dient vrijspraak te volgen vanwege de afwezigheid van voldoende bewijs. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de drie aangevers [aangever 8] , [aangever 18] en [aangever 20] betreft. Ook hier dient voor de overige aangevers vrijspraak te volgen vanwege de afwezigheid van voldoende bewijs, aldus de raadsman. 4.3.1 De bewijsoverwegingen van de rechtbank 4.3.1.1 Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank zal de feiten 1 en 2 vanwege de samenhang tezamen behandelen. Deze feiten betreffen het (mede)plegen van oplichting, waarbij de volgende werkwijzen gehanteerd zouden zijn. werkwijze 1 (feit 1 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een spelcomputer te koop vraagt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij zo’n spelcomputer te koop heeft. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de spelcomputer overeen. X wint het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon) toe te sturen. X vraagt de aangever het overeengekomen bedrag over te maken op een door hem doorgegeven bankrekeningnummer. De aangever maakt daarop het overeengekomen bedrag over op dat bankrekeningnummer, maar X stuurt geen spelcomputer op en de aangever is zijn geld kwijt. B. De bankrekening waarvan het nummer door X aan de aangever is doorgegeven staat op naam van een katvanger. Het door de aangever overgemaakte bedrag nemen X of een van zijn handlangers, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. werkwijze 2 (feit 2 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een DVD recorder te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via Whatsapp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in de DVD recorder. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de DVD recorder overeen. Ook hier wint X het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. X vraagt of aangever een foto van zijn bankpas terugstuurt. X bericht dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via een zakelijke bankrekening. X vraagt aangever de betaling te bevestigen door een cijfer- en/of bevestigingscode door te geven. De aangever laat zich door X instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt X alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de aangever. B. X kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de aangever activeren op zijn telefoon en is in staat om, zonder toestemming van de aangever, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een katvanger. Ook betaalt hij vanaf de bankrekening van de aangever goederen die hij online bestelt bij een webshop (van onder meer [webshop 1] en [webshop 2] ), waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De op de bankrekening van de katvanger overgeboekte bedragen nemen handlangers van X, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. De online bestelde goederen halen handlangers van X af bij de betreffende winkel. Aan [verdachte] is onder 1 ten laste gelegd dat hij de vier genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag (zoals X in werkwijze 1, onder A) en onder 2 dat hij de 28 genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van de inloggegevens en transactiecodes van hun bankrekeningen (zoals X in werkwijze 2, onder A). De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1 en 2 De onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde 32 aangevers zijn allen telefonisch, via WhatsApp, benaderd. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende zes telefoonnummers: [telefoonnummer 1] periode 11 maart 2016 t/m 28 april 2016 7 aangevers [telefoonnummer 2] periode 22 november 2016 t/m 10 december 2016 9 aangevers [telefoonnummer 3] periode 14 december 2016 t/m 7 januari 2017 11 aangevers [telefoonnummer 4] op 9 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer 5] op 20 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer 6] periode 25 januari 2017 t/m 4 februari 2017 3 aangevers De vraag is of verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die de betreffende telefoon-nummers in de contacten met de aangevers heeft gebruikt. De rechtbank zal deze vraag per telefoonnummer beantwoorden. [telefoonnummer 1] Dit telefoonnummer is in de periode van 11 maart 2016 tot en met 28 april 2016 in het contact met de volgende zeven aangevers gebruikt. Aangever [aangever 4] is op 11 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [alias 1 verdachte] (adres: [adres 1] ) noemde en een kopie van zijn identiteitsbewijs naar [aangever 4] gestuurd heeft. [aangever 4] heeft € 250,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van [naam 1] (dat zou een collega van [alias 1 verdachte] zijn), als aanbetaling voor een formaatzaag die hij niet ontvangen heeft. In het appverkeer is door de persoon die zich [alias 1 verdachte] noemde in eerste instantie bankrekening [rekeningnummer 1] genoemd. Deze bankrekening stond op naam van [restaurant 1] en is geopend door [verdachte] . Aangever [aangever 1] is op 12 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [alias 1 verdachte] (adres: [adres 2] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [alias 1 verdachte] naar [aangever 1] geappt. Daarop heeft [aangever 1] € 250,-- overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer 1] , als voorschot voor een Samsung telefoon. Deze telefoon is niet geleverd. Aangeefster [aangever 2] is op 16 maart 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [alias 1 verdachte] (adres: [adres 2] ) noemde. [aangever 2] heeft een bedrag van € 35,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer 1] , als betaling voor [winkel] zegels. Deze zegels heeft [aangever 2] niet ontvangen. Op 16 maart 2016 is aangeefster [aangever 3] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [alias 2 verdachte] noemde (adres: [adres 3] ). [aangever 3] heeft € 105,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer 1] , als betaling voor een hoverboard die zij niet ontvangen heeft. Aangever [aangever 5] is vervolgens op 10 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam 2] (adres: [adres 4] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [naam 2] naar [aangever 5] geappt en heeft [aangever 5] gevraagd om een foto van diens ID-kaart en bankpas terug te sturen. [aangever 5] heeft op instructie van de persoon die zich [naam 2] noemde inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan die persoon doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een trommel) zou bevestigen. Vervolgens is op 11 april 2016 € 500,-- van de rekening van [aangever 5] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer 3] ten name van [alias 3 verdachte] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [aangever 6] is op 24 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [aangever 38] (adres: [adres 5] ) noemde. [aangever 6] heeft op aanwijzing van die persoon een kopie van zijn ID-kaart en bankpas verstrekt en vervolgens heeft hij inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een koptelefoon) zou bevestigen. Vervolgens is op 25 april 2016 € 700,-- van de rekening van [aangever 6] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van [alias 4 verdachte] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [aangever 27] is op 28 april 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [aangever 38] (adres: [adres 5] ) noemde. [aangever 27] heeft op instructie van die persoon een IPhone in zijn ING bankierenomgeving geactiveerd. Vervolgens heeft [aangever 27] inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een drietal coincards) zou bevestigen. Vervolgens is op 28 april 2016 van de bankrekening van [aangever 27] een bedrag van € 679,-- overgemaakt naar de bankrekening van [webshop 1] met de omschrijving [nummer] . Dit betreft het ordernummer van een nieuwe IPhone. Verdachte [verdachte] heeft bekend dat hij deze IPhone bij de vestiging van [webshop 1] aan [adres 6] in Enschede heeft afgehaald. Twee van de vier personen van wie de naam gebruikt is (te weten [naam 2] en [aangever 38] ) hebben aangifte gedaan van het valselijk gebruik van hun identiteit/paspoort. Verder blijkt uit het dossier dat de persoon van wie (een deel van) het paspoort naar een aangever is geappt (te weten [alias 1 verdachte] ) niet degene is geweest die deze app verstuurd heeft. De rechtbank stelt vast dat: - in vier van de zeven zaken de door [verdachte] geopende bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van [restaurant 1] is opgegeven; - meerdere malen de naam (soms met bijbehorend paspoort) van een andere persoon is gebruikt; - verdachte [verdachte] in twee zaken herkend is als degene die het overgeboekte geld – kort na de overboeking – heeft gepind; - verdachte [verdachte] in één zaak degene is die de vanaf de bankrekening van de aangever betaalde IPhone heeft afgehaald. Op grond van deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [telefoonnummer 2] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 22 november 2016 tot en met 10 december 2016 in het contact met negen aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] zich [alias 5 verdachte] (adres: [adres 7] ). Dit betreft de volgende aangevers. Op 22 november 2016 heeft aangeefster [aangever 8] een WhatsApp-bericht ontvangen van [alias 5 verdachte] , die reageerde op een advertentie van [aangever 8] op Marktplaats waarin zij een blokfluit te koop aanbood. Nadat beide partijen een aantal dagen later een verkoopprijs overeengekomen waren heeft [alias 5 verdachte] haar een foto van een identiteitsbewijs op naam van [alias 5 verdachte] gestuurd. [aangever 8] heeft op verzoek van [alias 5 verdachte] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en het pasnummer aan hem doorgegeven. Vervolgens heeft [aangever 8] de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [alias 5 verdachte] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] zou bevestigen. [alias 5 verdachte] heeft op 5 december 2016 meerdere malen naar [aangever 8] gebeld om haar uit te leggen welke codes ze moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [alias 5 verdachte] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [aangever 8] is gebeld is [telefoonnummer 7] en [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was. Op 5 december 2016 is buiten medeweten van [aangever 8] een bedrag van € 1.000,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer 5] . Deze rekening stond niet op naam van [alias 5 verdachte] . Aangever [aangever 7] heeft op 24 november 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [alias 5 verdachte] , die reageerde op een advertentie van [aangever 7] waarin hij een dwarsfluit te koop aanbood. Ook hier werd een verkoopprijs overeengekomen. [alias 5 verdachte] heeft – naast een foto van een identiteitskaart van [aangever 34] – een foto van de bankpas op naam van [naam 4] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) naar [aangever 7] gestuurd. [aangever 7] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] zou bevestigen. Vervolgens is op 24 november 2016 € 9.500,-- van de rekening van [aangever 7] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 8] ten name van [medeverdachte 4] . Van dit bedrag is dezelfde dag een bedrag van € 5.000,-- bij een geldautomaat gepind door [medeverdachte 4] , in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij samen met [verdachte] en [medeverdachte 4] naar de pinautomaat is gereden. De gepinde € 5.000,-- heeft hij van [medeverdachte 4] ontvangen en direct afgegeven aan [verdachte] . Aangever [aangever 30] is op 28 november 2016 benaderd door [alias 5 verdachte] , die belangstelling toonde voor een door [aangever 30] op Marktplaats te koop aangeboden DVD recorder. [alias 5 verdachte] heeft een foto van de bankpas op naam van [naam 5] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) naar [aangever 30] gestuurd. [aangever 30] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bank-rekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] (voor de DVD recorder) zou bevestigen. Vervolgens is op 29 november 2016 buiten medeweten van [aangever 30] van diens bankrekening € 4.999,-- overgemaakt naar de bankrekening van [webshop 1] , voor de aankoop van een televisie. Op 30 november 2016 is met telefoonnummer [telefoonnummer 7] (waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn nummer was) over deze televisie gebeld met [webshop 1] . Aangever [aangever 10] is op 1 december 2016 via WhatsApp benaderd door [alias 5 verdachte] . Die heeft hem een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) gestuurd. [aangever 10] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas gestuurd en vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] (voor een fototas) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 1.000,-- van de rekening van [aangever 10] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 6] ten name van [naam 6] . Deze [naam 6] heeft verklaard dat hij in ruil voor € 50,-- zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld en dat hij op 1 december 2016 van zijn rekening € 1.000,-- gepind heeft. Hij was daarbij vergezeld door een persoon die door verbalisanten herkend is als medeverdachte [medeverdachte 2] . Aangeefster [aangever 11] heeft op 3 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [alias 5 verdachte] , die reageerde op een advertentie van [aangever 11] op Marktplaats waarin zij een filmcamera te koop aanbood. [alias 5 verdachte] heeft haar een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) gestuurd. [aangever 11] heeft op haar beurt op verzoek van [alias 5 verdachte] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] voor de filmcamera zou bevestigen. [alias 5 verdachte] heeft op 3 december 2016 naar [aangever 11] gebeld over die bevestiging. In dat gesprek heeft hij zich voorgesteld als ‘ [alias 5 verdachte] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [aangever 11] is gebeld is [telefoonnummer 7] (het nummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was). Op 3 december 2016 is buiten medeweten van [aangever 11] een bedrag van € 975,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer 7] van [bedrijf 1] BV, inzake de aankoop van een MacBook. Op 4 december 2016 is aangever [aangever 9] via WhatsApp benaderd door [alias 5 verdachte] , die reageerde op een advertentie van [aangever 9] waarin hij een saxofoon te koop aanbood. [alias 5 verdachte] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) gestuurd. [aangever 9] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] zou bevestigen. Vervolgens is op 4 december 2016 in totaal € 3.406,95 van de rekening van [aangever 9] overgeboekt naar de rekening [rekeningnummer 9] ten name van [naam 7] . Diezelfde dag is van dit bedrag € 3.400,-- bij een geldautomaat gepind door medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij dit geld in opdracht van [verdachte] heeft gepind. Deze verklaring wordt ondersteund door een aantal tapgesprekken tussen het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ), waarin de op te nemen bedragen aan [medeverdachte 1] worden doorgegeven. Aangeefster [aangever 31] is op 4 december 2016 via WhatsApp benaderd door [aangever 34] . Nadat beide partijen tot overeenstemming waren gekomen over de verkoop van een radio door [aangever 31] aan [aangever 34] , heeft zij een kopie van haar rijbewijs en bankpas gestuurd. Vervolgens heeft [aangever 31] op instructie van die persoon een Iphone in haar ING bankieren-omgeving geactiveerd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [alias 5 verdachte] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] voor de radio zou bevestigen. Op 4 december 2016 is van de rekening van [aangever 31] in totaal € 787,-- overgeboekt naar een rekening van TakeAway, voor een aantal afhaalmaaltijden en blikjes Red Bull. Dezelfde dag is met het telefoonnummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat die van hem was ( [telefoonnummer 7] ) gebeld met [medeverdachte 1] en met de [bedrijf 2] BV (gelieerd aan TakeAway) te Enschede over het ophalen van maaltijden en de blikjes drank. Aangever [aangever 21] is op 8 december 2016 via WhatsApp benaderd door [alias 5 verdachte] . [alias 5 verdachte] heeft hem een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou een zakelijke rekening van [alias 5 verdachte] zijn) gestuurd. [aangever 21] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] (voor een filmcamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 2.500,-- van de bankrekening van [aangever 21] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer 10] ten name van [naam 8] . Dit bedrag is eveneens op 8 december 2016 gepind door [medeverdachte 1] . Vlak voorafgaand aan het moment van pinnen heeft [medeverdachte 1] hierover telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ). Aangever [aangever 12] heeft op 10 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [alias 5 verdachte] , die reageerde op een advertentie van [aangever 12] voor een telescoop. [alias 5 verdachte] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de vrouw van [alias 5 verdachte] zijn) gestuurd. [aangever 12] heeft op aanwijzing van [alias 5 verdachte] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [alias 5 verdachte] (voor de telescoop) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.000,-- van de bankrekening van [aangever 12] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer 11] ten name van [naam 9] . Dit bedrag is eveneens op 10 december 2016 in delen van de rekening van [naam 9] gepind. Ten tijde van het pinnen van die (in totaal) € 5.000,-- heeft er telefonisch contact plaatsgevonden over het pinnen van de geldbedragen tussen het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) en het telefoonnummer dat in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 2] . [naam 10] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [alias 5 verdachte] – in verband met de verkoop van door hem op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam 11] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank acht op grond van de aangifte van [alias 5 verdachte] , de telkens meegestuurde (delen van) bankpassen op naam van [naam 4] / [naam 5] / [aangever 7] , de aangehaalde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . [telefoonnummer 3] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 14 december 2016 tot en met 7 januari 2017 in het contact met elf aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] zich [aangever 33] . Dit betreft de volgende aangevers. Aangever [aangever 14] is op 13 december 2016 via WhatsApp benaderd door [aangever 33] in verband met een advertentie voor blokfluiten die [aangever 14] op Marktplaats had gezet. [aangever 33] heeft een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de zakelijke rekening van [aangever 33] zijn) naar [aangever 14] gestuurd. [aangever 14] heeft op zijn beurt op aanwijzing van [aangever 33] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] (voor een blokfluit) zou bevestigen. Op 14 december 2016 is € 5.000,-- overgeboekt van de rekening van [aangever 14] naar rekening [rekeningnummer 12] ten name van [naam 12] . Deze [naam 12] heeft verklaard dat hij ’s nachts naar huis liep en toen door een groep jongeren is gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Op 14 december 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] net na middernacht in totaal € 5.000,-- gepind van de rekening van [naam 12] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het gepinde geld telkens aan [verdachte] heeft afgegeven en daar dan € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [aangever 18] heeft op 15 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [aangever 33] , die reageerde op een door [aangever 18] op Marktplaats geplaatste advertentie voor een videocamera. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [aangever 33] een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] (dat zou de zakelijke rekening van [aangever 33] zijn) naar [aangever 18] gestuurd. Ook heeft hij een foto van (een deel van) het rijbewijs van [aangever 33] naar [aangever 18] gestuurd. Die heeft op aanwijzing van [aangever 33] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] (voor de videocamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is in totaal € 940,-- van de bankrekening van [aangever 18] overgemaakt naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer 13] . Op 15 december 2016 is met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) naar [aangever 18] gebeld over de betaling van het door [aangever 33] verschuldigde bedrag. In dat gesprek noemde de persoon die belde zich ‘ [aangever 33] ’. Aangever [aangever 22] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met [aangever 33] , die reageerde op een advertentie van [aangever 22] voor een dwarsfluit. Ook hier heeft [aangever 33] een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] naar [aangever 22] gestuurd. Die heeft op zijn beurt op aanwijzing van [aangever 33] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [aangever 33] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 8.000,-- van de rekening van [aangever 22] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 14] ten name van [naam 13] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind bij een pinautomaat. Een bedrag van € 3.500,-- is door de Rabobank teruggestort op de rekening van [aangever 22] . [naam 13] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn bankpas. Deze diefstal zou na 15 december 2016 hebben plaatsgevonden. Aangever [aangever 23] is op 18 december 2016 via WhatsApp benaderd door [aangever 33] . Die heeft ook hier een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] naar [aangever 23] gestuurd. [aangever 23] heeft op aanwijzing van [aangever 33] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] (voor een DVD recorder) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [aangever 23] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 15] ten name van [naam 14] , die verklaard heeft dat zij haar bankpas in goed vertrouwen heeft uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 2] . De € 1.000,-- is op 20 december 2016 gepind door een persoon die door twee verbalisanten herkend is als [medeverdachte 2] . Aangeefster [aangever 25] heeft op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [aangever 33] . Zij heeft een fototas aan hem verkocht. [aangever 33] heeft haar een foto van een bankpas op naam van [aangever 7] toegestuurd. [aangever 25] heeft op verzoek van [aangever 33] een foto van haar bankpas toegestuurd en ter bevestiging van zijn betaling de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is in totaal € 6.000,-- van de rekening van [aangever 25] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 16] ten name van [naam 15] . Van dat bedrag is € 510,-- diezelfde dag nog gepind. [naam 15] heeft verklaard dat hij zijn bankpas heeft uitgeleend aan [naam 16] . Deze [naam 16] heeft op zijn beurt verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 3] de pas van Linde heeft geregeld voor verdachte [verdachte] . [naam 16] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat [verdachte] het geld gepind heeft. Aangever [aangever 24] heeft eveneens op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [aangever 33] . Hij heeft een verrekijker aan hem verkocht. [aangever 33] heeft een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] toegestuurd. Ook heeft hij een foto van het rijbewijs van [aangever 33] naar [aangever 24] gestuurd. [aangever 24] heeft op verzoek van [aangever 33] een foto van zijn bankpas naar [aangever 33] gestuurd en ter bevestiging van zijn betaling de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is € 5.000,-- van de rekening van [aangever 24] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 17] ten name van [naam 17] . Dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de printjes van het pinnen. De bankpas van [naam 17] heeft hij volgens zijn verklaring gekregen van verdachte [verdachte] . Op 31 december 2016 heeft aangever [aangever 20] een WhatsApp-bericht ontvangen van [aangever 33] , die reageerde op een advertentie van [aangever 20] op Marktplaats waarin hij een radio te koop aanbood. Nadat beide partijen een verkoopprijs overeengekomen waren, heeft [aangever 20] op verzoek van [aangever 33] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [aangever 33] doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] zou bevestigen. [aangever 33] heeft op 31 december 2016 meerdere malen naar [aangever 20] gebeld om hem uit te leggen welke codes hij moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [aangever 33] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [aangever 20] is gebeld is het door [verdachte] gebruikte nummer [telefoonnummer 7] . Op 31 december 2016 en 1 januari 2017 is in totaal € 10.250,-- buiten medeweten van [aangever 20] overgeboekt van zijn bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer 18] ten name van [naam 18] . Van dit bedrag is op 31 december 2016 in totaal € 5.000,-- gepind. Aangever [aangever 26] is op 2 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [aangever 33] . Die heeft hem ook hier een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] gestuurd. [aangever 26] heeft op verzoek van [aangever 33] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] (voor een verrekijker) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 4.500,-- van de rekening van [aangever 26] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 19] ten name van [naam 19] . Op 2 januari 2017 zijn er meerdere tapgesprekken geweest tussen het telefoonnummer van deze [naam 19] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ). Deze gesprekken gingen over dat [naam 19] zijn bankrekening ter beschikking zou gaan stellen en de verdeling van het geldbedrag dat op zijn rekening gestort zou gaan worden. Aangeefster [aangever 32] is op 6 januari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zij [aangever 33] noemt en die een foto van zijn rijbewijs naar haar stuurde (de rechtbank begrijpt dat dit het rijbewijs van [aangever 33] is geweest). [aangever 33] heeft een radio van [aangever 32] gekocht en ter bevestiging van het aankoopbedrag heeft zij een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is van de rekening van [aangever 32] een bedrag van € 23.045,38 overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 3] BV, in verband met de aankoop van twee goudstaven. De factuur stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 6 januari 2017 hebben tapgesprekken plaatsgevonden tussen verdachte [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ) en [medeverdachte 1] enerzijds (waarin tegen [medeverdachte 1] gezegd wordt dat ‘hij goud gekocht heeft’) en [medeverdachte 3] anderzijds (over de doorverkoop van het bestelde goud). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ene ‘ [naam 20] ’ de goudstaven op zijn ( [medeverdachte 1] ’
  13. s)naam besteld heeft. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam 20] ’ [verdachte] bedoelde. Aangeefster [aangever 13] is op 7 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [aangever 33] . Die heeft haar een foto van de bankpas op naam van [aangever 7] gestuurd. Zij heeft op verzoek van [aangever 33] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [aangever 33] (voor een trompet) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [aangever 13] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 20] ten name van [naam 21] . Deze [naam 21] heeft verklaard dat hij op verzoek van een persoon die hij van een foto herkende als [medeverdachte 3] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld om een bedrag van € 1.000,-- op te storten. Hij heeft de € 1.000,-- gepind en afgegeven, waarvoor hij een vergoeding van € 150,-- kreeg. Zijn broer [naam 22] was daarbij. [naam 21] heeft verdachte [verdachte] van een foto herkend als een persoon die ook bij het pinnen aanwezig was. Eveneens op 7 januari 2017 is aangever [aangever 28] via WhatsApp benaderd door [aangever 33] . Die stuurt hem een foto van een rijbewijs en bankpas op naam van [aangever 33] . [aangever 28] heeft een diaprojector aan [aangever 33] verkocht. Op verzoek van [aangever 33] heeft [aangever 28] een foto van zijn identiteitsbewijs en bankpas toegestuurd. Ter bevestiging van de ontvangst van het aankoopbedrag heeft hij vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven. Op 9 januari 2017 zijn vervolgens buiten medeweten van [aangever 28] bedragen van € 975,-- en € 1.599,-- overgeboekt van zijn bankrekening naar de rekening van [bedrijf 1] BV, inzake de aankoop van een MacBook en een televisie. De MacBook is op 7 januari 2017 bij het filiaal van [webshop 2] in Hengelo opgehaald door [naam 23] , die verklaard heeft dat zij dit gedaan heeft op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 7 januari 2017 hebben verschillende tapgesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] ( [telefoonnummer 7] ). In die gesprekken kreeg [medeverdachte 1] opdracht om een MacBook bij [webshop 2] in Hengelo op te halen. [aangever 33] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [aangever 33] – in verband met de verkoop van een door hem op marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de ING bank met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De rechtbank acht op basis van de aangiften van [aangever 7] en [aangever 33] , de telkens meegestuurde foto’s van (delen van) de bankpas op naam van [aangever 7] / [aangever 33] , de verklaringen van [medeverdachte 1] , [naam 16] en de broers [naam 22] , en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van (de naam [aangever 33]
  14. en)het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . [telefoonnummer 4] Dit telefoonnummer is gebruikt op 9 januari 2017 in het contact met één aangever, genaamd [aangever 17]. Deze aangever heeft een VHS recorder op Marktplaats te koop aangeboden en kreeg daarop via WhatsApp een reactie van een persoon die zich [naam 24] noemde. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam 25] naar [aangever 17] gestuurd. Ook [aangever 17] heeft, op verzoek van [naam 24] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, ter bevestiging van de ontvangst van de betaling door [naam 24] van de VHS recorder. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.900,-- overgeboekt van de bankrekening van [aangever 17] naar bankrekening [rekeningnummer 21] ten name van [naam 26] en een bedrag van € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer 22] ten name van [naam 27] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 9 januari 2017 (een deel van) dit laatste bedrag gepind. Hij heeft zichzelf herkend van de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [aangever 17] het telefoonnummer [telefoonnummer 4] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [naam 24] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer 5] Ook dit telefoonnummer is in het contact met één aangever gebruikt. Op 20 januari 2017 is aangever [aangever 19] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam 28] noemde en interesse toonde in een door [aangever 19] op Marktplaats te koop aangeboden accordeon. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam 28] naar [aangever 19] gestuurd. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [aangever 19] op aanwijzing [naam 28] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [naam 28] doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door [naam 28] . Vervolgens is op 21 januari 2017 in totaal € 4.578,20 overgeboekt van de rekening van [aangever 19] naar rekening [rekeningnummer 23] ten name van [naam 29] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- voor kreeg. [naam 28] heeft bij de politie melding gemaakt van het feit dat hij in verband met de verkoop van goederen via Marktplaats contact heeft gehad met een persoon die zich [naam 24] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . [naam 28] heeft in verband met de verkoop aan die [aangever 33] een foto van zijn bankpas gestuurd. Vervolgens is [naam 28] benaderd door een vrouw die eveneens contact had gehad met [aangever 33] en van hem een foto van de bankpas van [naam 28] had ontvangen, als zijnde de bankpas van de vrouw van [aangever 33] . De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [aangever 19] het telefoonnummer [telefoonnummer 5] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [naam 28] . Ook hier acht de rechtbank voor dit oordeel, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de melding van H. [naam 28] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer 6] Dit telefoonnummer is in periode van 25 januari 2017 tot en met 4 februari 2017 in het contact met drie aangevers gebruikt. Aangeefster [aangever 29] heeft op 25 januari 2017 een WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [naam 30] noemde. Zij heeft een cassetterecorder aan hem verkocht en ter bevestiging van de betaling door [naam 30] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Een dag later is in totaal € 6.000,-- van de bankrekening van [aangever 29] overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer 24] ten name van [naam 31] . Van dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] dezelfde dag € 5.000,-- gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [aangever 16] is op 1 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zijn naam niet genoemd heeft. Deze persoon reageerde op een Marktplaats advertentie van [aangever 16] voor een fotocamera en heeft een foto van een bankpas op naam van [naam 32] naar hem gestuurd. [aangever 16] heeft op zijn beurt op aanwijzing van die persoon een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door die persoon. Vervolgens is op 2 februari 2017 in totaal € 10.000,-- overgeboekt van de bankrekening van [aangever 16] naar bankrekening [rekeningnummer 25] ten name van [naam 33] en € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer 26] ten name van [naam 34] . Van deze bedragen is dezelfde dag in totaal € 7.200,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij het gepinde geld heeft afgegeven aan [verdachte] . Tot slot is aangever [aangever 39] op 4 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam 30] noemde en hem om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van zijn rijbewijs toestuurde. Ook heeft [naam 30] een foto van de bankpas van [naam 32] toegestuurd (dat zou de bankpas van de vrouw van [naam 30] zijn). [aangever 39] heeft [naam 30] een beamer verkocht. Op verzoek van [naam 30] heeft [aangever 39] een foto van zijn betaalpas naar hem gestuurd. Ter bevestiging van de betaling door [naam 30] heeft [aangever 39] op diens aanwijzingen de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening naar hem gestuurd. Dezelfde dag is € 1.000,-- overgemaakt van de bankrekening van [aangever 39] naar bankrekening [rekeningnummer 27] ten name van [naam 35] . Medeverdachte [medeverdachte 1] had de bankpas op naam van [naam 35] bij zijn aanhouding in zijn bezit. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze bankpas had gekregen van een persoon die hij ‘ [naam 20] ’ noemde. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam 20] ’ [verdachte] bedoelde. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de meegestuurde (delen van) de bankpas van [naam 32] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaken op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. De verklaring van verdachte [verdachte] Verdachte [verdachte] is ten tijde van de inhoudelijke behandeling niet ter terechtzitting verschenen en heeft aldaar dus geen verklaring afgelegd. In zijn verhoren bij de politie heeft hij, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij niet de hoofddader is in dit dossier. Het klopt dat hij pasjes heeft geregeld en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gevraagd heeft of hij pasjes kan regelen. Ook moest hij af en toe pinnen. Dat deed hij allemaal in opdracht van iemand anders, wiens naam hij niet wil noemen. Hij heeft ook geprobeerd om goederen op te halen in winkels. Verder heeft hij niets gedaan. Hij heeft ontkend ooit goederen via marktplaats verkocht te hebben die hij vervolgens niet leverde. Hij heeft ook ontkend telefonisch of anderszins contact met de aangevers te hebben gehad. Hij was van plan om een pizzeria te openen en daarom heeft hij de zakelijke bankrekening [rekeningnummer 1] geopend bij de ING, maar wat hij met die rekening heeft gedaan weet hij niet meer. Volgens verdachte heeft hij deze nooit gebruikt. Als hem afschrijvingen worden getoond begrijpt hij niet hoe dit kan. Hij weet ook niet waarom mensen hun geld naar hem overgeboekt hebben. De rechtbank stelt de verklaring van [verdachte] dat hij in opdracht van iemand anders pasjes heeft geregeld en af en toe gepind heeft, als ongeloofwaardig terzijde. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat hij gehandeld heeft in opdracht van een ander en door [verdachte] weigering om de naam van de opdrachtgever te noemen kan zijn verklaring niet geverifieerd worden. [verdachte] ontkenning dat hij telefonisch contact heeft gehad met de aangevers stelt de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de gebruikte telefoonnummers als kennelijk leugenachtig terzijde. De conclusie met betrekking tot het gebruik van de telefoonnummers De rechtbank acht bewezen dat het telkens verdachte [verdachte] is geweest die met gebruikmaking van de weergegeven telefoonnummers contact heeft gehad met de 32 onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde aangevers. De rechtbank acht derhalve bewezen dat [verdachte] telkens de WhatsApp-berichten heeft verstuurd waar de respectievelijke aangevers melding van maken (en in de meeste gevallen bij hun aangifte overgelegd hebben). Oplichtingsmiddelen De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [verdachte] de aangevers door aanwending van een of meer oplichtingsmiddelen (te weten het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het toepassen van listige kunstgrepen en/of het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (feit 1) en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) van de bankrekening van de aangevers (feit 2). Dit betekent dat de rechtbank moet kunnen vaststellen dat de aangevers zijn overgegaan tot de afgifte van een geldbedrag en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) doordat [verdachte] bij hen – door een specifieke, voldoende ernstige mate van bedrieglijk handelen – een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen teneinde daar misbruik van te maken. Daarbij is de rechtbank gebonden aan de feitelijke omschrijving van de oplichtingsmiddelen die de officieren van justitie in de tenlastelegging hebben opgenomen. Met deze kanttekeningen voor ogen acht de rechtbank met betrekking feit 1 bewezen dat [verdachte] : - zich bij drie aangevers heeft voorgedaan als [alias 1 verdachte] en bij één aangever als [alias 2 verdachte] (en daarmee gebruik heeft gemaakt van een valse, in de zin van onrechtmatig gebruikte, naam); - en daarbij naar twee aangevers een foto van een identiteitsbewijs heeft gestuurd (zijnde een vals, eveneens in de zin van onrechtmatig gebruikt, identiteitsbewijs); - te kennen heeft gegeven het door de vier aangevers gevraagde artikel te kunnen leveren (zijnde een leugen, want [verdachte] was daartoe op dat moment niet in staat); - aan de vier aangevers heeft aangegeven deze artikelen direct na de betaling op te sturen (zijnde een leugen, want [verdachte] was dat niet van zins en kon dat op dat moment ook niet). Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank telkens oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de vier aangevers zijn bewogen tot de overboeking van een geldbedrag. Met betrekking tot feit 2 acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] : - naar 23 van de 28 aangevers een vals identiteitsbewijs of een valse bankpas heeft opgestuurd (vals in de zin van onrechtmatig gebruikt); - aan de aangevers heeft aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening en dat voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van de aangevers (zijnde een leugen, want voor het doen van een zakelijke betaling is een dergelijke toevoeging niet noodzakelijk); - aan de aangevers heeft aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken (zijnde een leugen, want dat heeft [verdachte] niet gedaan); - aan de aangevers berichten heeft verzonden waarin werd uitgelegd dat de betreffende aangever een cijfer- en/of bevestigingscode moest doorgeven ter bevestiging van de betaling (zijnde een leugen, want een dergelijke bevestiging is niet nodig); - naar 21 van de 28 aangevers berichten heeft gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat de betreffende aangever nog een uur moest wachten om de betaling op zijn/haar bankrekening te kunnen zien (ook dit is een leugen, want een dergelijke wachttijd was niet aan de orde). Ook hier gaat het naar het oordeel van de rechtbank telkens om oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en/of en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de aangevers zijn bewogen tot het ter beschikking stellen van de inloggegevens en/of transactie(codes) van hun bankrekening. Feiten 1 en 2: ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 1 en feit 2 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de oplichting van meer aangevers dan de 32 genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Feit 2: medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4.3.1.2 Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde Onder 3 is aan [verdachte] het medeplegen van identiteitsfraude, strafbaar gesteld in artikel 231b Sr, ten laste gelegd. In artikel 231b Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander strafbaar gesteld, indien dat gebruik plaatsvindt met het oogmerk om zijn identiteit te verhullen en/of de identiteit van de ander te verhullen of misbruiken waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Identificerende persoonsgegevens zijn gegevens waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd, zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken. Het nadeel dat uit het gebruik kan ontstaan moet betrekking hebben op degene wiens persoonsgegevens zijn misbruikt. De aan [verdachte] ten laste gelegde identiteitsfraude ziet op het gebruik van de voor- en/of achternamen en afbeeldingen van een identiteitskaart, rijbewijs en/of bankpas met daarop identificerende gegevens van drie personen, te weten [aangever 33] , [aangever 34] en [aangever 7] . Deze namen en afbeeldingen zou [verdachte] in een WhatsApp-bericht telkens naar drie met name genoemde personen hebben gestuurd, met het doel om zijn eigen identiteit voor die personen verborgen te houden. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 Met betrekking tot [aangever 33] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [aangever 33] – in verband met de verkoop van een door hem op marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de ING bank met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [aangever 18] , [aangever 24] en [aangever 20] de naam [aangever 33] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [aangever 18] en [aangever 24] ook een foto van het rijbewijs van [aangever 33] gestuurd. Ook met betrekking tot [aangever 34] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [alias 5 verdachte] – in verband met de verkoop van op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam 11] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [aangever 7] , [aangever 8] en [aangever 9] de naam [alias 5 verdachte] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [aangever 7] ook een foto van de identiteitskaart van [alias 5 verdachte] gestuurd. Zoals hiervoor reeds vastgesteld heeft [aangever 7] een foto van zijn bankpas gestuurd naar de persoon die zich [alias 5 verdachte] noemde, in verband met de betaling door [alias 5 verdachte] van een dwarsfluit. Uit het dossier blijkt dat de bankpas van [aangever 7] nadien naar 21 andere aangevers van internetoplichting is gestuurd. Onder deze aangevers bevonden zich [aangever 18] , [aangever 24] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 13] , [aangever 14] en [aangever 12] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in het contact met [aangever 7] heeft voorgedaan als [alias 5 verdachte] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [aangever 7] , [aangever 8] en [aangever 9] de naam [alias 5 verdachte] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [aangever 7] ook een foto van de identiteitskaart van [alias 5 verdachte] gestuurd. De verklaring van verdachte [verdachte] Verdachte [verdachte] heeft, zakelijk weergegeven, ontkend dat hij telefonisch (via WhatsApp) contact heeft gehad met de aangevers. De rechtbank stelt deze verklaring op grond van het hiervoor overwogene als kennelijk leugenachtig terzijde. heeft de namen van [aangever 33] , [aangever 34] en [aangever 7] en afbeeldingen van hun identiteitskaarten, rijbewijzen en bankpassen met daarop gegevens, zonder hun toestemming gebruikt in het contact met andere aangevers. Deze namen en de gegevens op de afbeeldingen zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken (bankrekeningnummers) zijn identificerende persoonsgegevens. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de genoemde aangevers telkens het idee heeft gegeven dat zij daadwerkelijk te maken hadden met [aangever 33] en [aangever 34] respectievelijk dat zij betaald zouden worden vanaf de bankrekening van [aangever 7] , teneinde te verhullen dat zij in werkelijkheid met hem, verdachte [verdachte] , contact hadden en hij heeft hun identiteit misbruikt. Daarnaast acht de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat hierdoor enig nadeel voor [aangever 33] , [aangever 34] en [aangever 7] is ontstaan. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 3 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de identiteitsfraude met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 3 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4.3.1.3. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde Onder 4 is verdachte [verdachte] het medeplegen van computervredebreuk, als bedoeld in artikel 138ab lid 1 en 2 Sr ten laste gelegd. Hem wordt – kort gezegd – verweten dat hij met behulp van een valse sleutel is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van [aangever 36] en [aangever 37] en vervolgens gegevens die in die bankomgeving worden verwerkt voor zichzelf heeft overgenomen door geldbedragen van de bankrekeningen van de genoemde personen over te boeken naar een andere rekening. De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Aangever [aangever 36] is op 25 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [aangever 38] (adres: [adres 5] ) noemde en reageerde op een advertentie van [aangever 36] op Marktplaats voor een gitaar. Nadat beide partijen tot overeenstemming over de prijs waren gekomen heeft [aangever 38] aan [aangever 36] geappt dat zij via een zakelijke rekening wilde betalen en dat [aangever 36] de betaling moest bevestigen. Op aanwijzing van [aangever 38] heeft [aangever 36] een foto van zijn bankpas aan [aangever 38] doorgestuurd en in goed vertrouwen het mobiel bankieren van de IPhone 6 van [aangever 38] geactiveerd. Ook heeft hij de tancode van zijn ING bankrekening aan haar doorgegeven. Daardoor heeft hij, via mobiel bankieren, de telefoon van [aangever 38] toegang gegeven tot zijn bankrekening. Vervolgens is dezelfde dag in totaal € 755,-- van de rekening van [aangever 36] overgeboekt naar een voor [aangever 36] onbekende bankrekening, te weten bankrekeningnummer [rekeningnummer 28] op naam van [naam 36] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [aangever 38] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting. Zo is aangever [aangever 6] een dag eerder, op 24 april 2016, eveneens benaderd door verdachte [verdachte] , die in dat contact de naam [aangever 38] gebruikte. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de ING bank) van [aangever 36] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [aangever 36] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. [aangever 37] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [aangever 33] noemde en die reageerde op een advertentie van [aangever 37] voor een trompet. Ook [aangever 37] heeft op aanwijzing van [aangever 33] de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [aangever 33] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 1.000,-- van de rekening van [aangever 37] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 29] op naam van ‘Hahaha’. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [aangever 33] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting. Zo zijn de aangevers [aangever 22] en [aangever 23] op dezelfde dag, te weten 18 december 2016, benaderd door [verdachte] , die in dat contact de naam [aangever 33] gebruikte. De verklaring van [verdachte] heeft, zakelijk weergegeven, ontkend dat hij telefonisch (via WhatsApp) contact heeft gehad met de aangevers. Hij heeft geen computervredebreuk gepleegd, maar enkel pasjes geregeld en soms gepind in opdracht voor iemand anders. Hij heeft geen andere handelingen verricht. De rechtbank stelt deze ontkennende verklaring op grond van het hiervoor overwogene als kennelijk leugenachtig terzijde. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de Rabobank) van [aangever 37] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [aangever 37] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 4 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de computervredebreuk met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 4 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4.3.1.4 Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde Feit 5 betreft de deelneming aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 140 Sr. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 5 De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en computervredebreuk met betrekking tot meerdere personen. Uit het dossier kan de volgende werkwijze worden vastgesteld. De verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. [verdachte] reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [verdachte] en de koper een bedrag overeen. [verdachte] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [verdachte] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [verdachte] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [verdachte] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [verdachte] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [verdachte] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [verdachte] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [verdachte] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakt geld. Ook betaalt [verdachte] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de [webshop 1] en [webshop 2] , waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [medeverdachte 1] of een door [medeverdachte 1] of [verdachte] geregelde katvanger. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen. Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats: - contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats; - overhalen/betalen van een katvanger; - regelen van de pas en bijbehorende pincode; - verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder; - overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening; - informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort; - binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of - bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen. Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij verdachte [verdachte] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield. Voor het regelen en van de benodigde bankpasjes en het pinnen van het geld van de rekeningen van de katvangers schakelde [verdachte] zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in. Op verzoek van [verdachte] regelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] tegen een geringe vergoeding een “R-tje” (bankpas Rabobank) van een katvanger. Direct nadat het geld was weggesluisd door [verdachte] gaf hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] een seintje dat zij zich naar de pinautomaat (“R”) moesten begeven. Vervolgens namen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] of een katvanger enkele minuten na de overboeking de bedragen met duizenden (kop) euro’s tegelijk op bij de pinautomaat, waarna zij het gepinde geld aan [verdachte] afgaven. Het bewijs voor deze handelingen wordt op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [verdachte] en anderzijds [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) en door verklaringen van de personen die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld. De verdachten hebben rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen steeds nauw contact met elkaar gehad en zij stemden onderling af hoe te handelen voor en na de oplichtingen. Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een groot aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals eerder overwogen acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 4 bewezen. [verdachte] wist dan ook dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. De verklaring van verdachte [verdachte] Zoals hiervoor bij de feiten 1 en 2 al is gememoreerd heeft [verdachte] verklaard dat hij niet de hoofddader is in dit dossier. Het klopt dat hij pasjes heeft geregeld en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gevraagd heeft of hij pasjes kan regelen. Ook moest hij af en toe pinnen. Dat deed hij allemaal in opdracht van iemand anders, wiens naam hij niet wil noemen. Hij heeft ook geprobeerd om goederen op te halen in winkels. Verder heeft hij niets gedaan. Onder verwijzing naar hetgeen bij de feiten 1 en 2 is overwogen stelt de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij in opdracht van iemand anders pasjes heeft geregeld en af en toe gepind heeft, als ongeloofwaardig terzijde. Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, computervredebreuk, ID-fraude en het witwassen van het daarmee verkregen geld. De rechtbank leidt uit het dossier af dat meer dan 350 personen het slachtoffer zijn geworden van oplichting door de criminele organisatie, waarbij in totaal meer dan € 325.000,-- aan nadeel is vastgesteld. Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 5 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast verdachte [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. De conclusie met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij in de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, - [aangever 1] , - [aangever 2] , - [aangever 3] en - [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte - naar aanleiding van een door die aangevers op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer 1] via 'WhatsApp' contact opgenomen met die aangevers, - zich voorgedaan als [alias 1 verdachte] of [alias 2 verdachte] en/of daarbij een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers verstuurd, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer 1] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] , - [aangever 8] , - [aangever 9] , - [aangever 10] , - [aangever 11] , - [aangever 12] , - [aangever 13] , - [aangever 14] , - [aangever 39] , - [aangever 16] , - [aangever 17] , - [aangever 18] , - [aangever 19] , - [aangever 20] , - [aangever 21] , - [aangever 22] , - [aangever 23] , - [aangever 24] , - [aangever 25] , - [aangever 26] , - [aangever 27] , - [aangever 28] , - [aangever 29] , - [aangever 30] , - [aangever 31] , - [aangever 32] heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de ING bank en/of Rabobank en/of ABN bank aan verdachte immers heeft hij, verdachte - naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde personen verzonden, - aan voornoemde personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - WhatsApp berichten naar voornoemde personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die personen een cijfer- en/of bevestigingscode moesten doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde personen die codes hebben doorgegeven en - vervolgens nog WhatsApp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien; 3. hij in de periode van 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van anderen te weten: - ( een deel van) de voornamen en/of achternamen van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van - [aangever 33] , - [aangever 34] , - [aangever 7] , heeft gebruikt door - ( telkens) (een deel van) de voornamen en/of achternamen van voornoemde [aangever 33] , [aangever 34] of [aangever 7] te vermelden in een WhatsApp-bericht en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen in een Whatsapp-bericht naar - [aangever 18] , - [aangever 24] , - [aangever 20] , - [aangever 8] , - [aangever 7] , - [aangever 9] , - [aangever 13] , - [aangever 14] , - [aangever 12] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij op 25 april 2016 en op 18 december 2016 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van een) geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren app/bankomgeving van de bank (ING bank of Rabobank) van - [aangever 36] en - [aangever 37] is binnengedrongen a. door een technische ingreep, b. met behulp van een valse sleutel en c. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats in verband met een door hen te koop aangeboden artikel, - via WhatsApp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via WhatsApp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [aangever 38] of [aangever 33] waarmee hij, verdachte zich heeft voorgedaan als een bonafide koper van goederen, - via WhatsApp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die valse hoedanigheid, in te loggen op de webserver en/of de mobiel internetbankieren app/bankomgeving van de bank van die [aangever 36] en [aangever 37] en vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf heeft overgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekeningen over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen en één ander misdrijf). De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 138ab, 140, 231b en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feiten 1 en 2 telkens het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd; feit 3 het misdrijf: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken; feit 4 het misdrijf: computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd; feit 5 het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn gelet op bijzondere omstandigheden. De officieren van justitie hebben wel acht geslagen op het lange tijdsverloop sinds de inverzekeringstelling en hebben hier rekening mee gehouden in de strafeis. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de vier aangevers [aangever 8] , [aangever 11] , [aangever 18] en [aangever 20] betreft. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de drie aangevers [aangever 8] , [aangever 18] en [aangever 20] betreft. De raadsman is van mening dat ten aanzien van deze feiten kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. [verdachte] heeft een sturende rol gehad in de criminele organisatie, heeft gedurende een jaar een groot aantal personen opgelicht, identificerende persoonsgegevens misbruikt en computervredebreuk gepleegd. Aan de hand van advertenties op Marktplaats benaderde [verdachte] aangevers waarbij hij zich voordeed als koper of verkoper en op slinkse wijze het vertrouwen wekte van aangevers. Dat deed [verdachte] niet alleen door vertrouwenwekkende teksten via WhatsAppberichten te sturen en foto’s van kinderen als profielfoto te gebruiken, maar ook door het sturen van foto’s van identiteitsbewijzen en bankpassen die van anderen waren. Aangevers kregen daardoor ten onrechte de indruk dat zij met een betrouwbare koper of verkoper te maken hadden, waarna zij op geraffineerde wijze opgelicht werden. Sommige aangevers betaalden voor goederen die zij niet geleverd kregen, maar in verreweg de meeste gevallen deed [verdachte] zich voor als koper, deed hij alsof hij meteen via een zakelijke rekening kon betalen en gaf [verdachte] aangevers instructies waarmee hij hen op sluwe wijze bankcodes ontfutselde. Als geweigerd werd codes af te geven, dreigde [verdachte] vaak met het inschakelen van de [motorclub] , hetgeen door enkele aangevers als zeer bedreigend is ervaren. Na ontvangst van de codes verschafte [verdachte] zichzelf zonder toestemming toegang tot het internetbankieren van aangevers en werd geld overgeschreven op andere bankrekeningen, veelal bankrekeningen van katvangers. Vaak ging het daarbij om forse bedragen. Ook werden goederen door [verdachte] besteld die door hem werden betaald vanaf bankrekeningen van aangevers. Bedragen die werden overgeschreven werden kort na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat. Het geld werd meestal gepind door leden van de criminele organisatie, maar ook door andere personen die zij daarvoor inschakelden. Als anderen pinden waren leden van de criminele organisatie in de regel in de directe nabijheid en moest het geld aan hen worden afgegeven. Voorafgaand aan het pinnen ronselden de leden van de criminele organisatie katvangers die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten zij katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bestelde goederen werden doorgaans door leden van de criminele organisatie opgehaald, soms schakelden zij anderen daarvoor in. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. [verdachte] was daarin de spin in het web. Hij lichtte de mensen op, gaf opdrachten om pinpassen te regelen, te pinnen en bestelde goederen op te halen. Het gepinde geld en opgehaalde goederen moesten bij [verdachte] worden ingeleverd. Ook bepaalde [verdachte] de hoogte van de vergoedingen die de leden van de criminele organisatie en anderen kregen voor hun activiteiten. Op deze wijze zijn meer dan 350 mensen opgelicht voor een bedrag van in totaal ruim € 325.000,--. De rechtbank rekent [verdachte] het gebruik van deze professionele werkwijze in een strak georganiseerd verband zwaar aan. Door zo te handelen heeft [verdachte] niet alleen op grove wijze het vertrouwen geschaad dat aangevers in hem als koper of verkoper hadden, maar ook het vertrouwen van mensen in websites zoals Marktplaats waar zij elkaar digitaal ontmoeten om zaken te doen. Digitale oplichtingspraktijken hebben bovendien tot gevolg dat mensen minder vertrouwen hebben in elektronisch bankieren. Met de voorzienbare gevolgen voor aangevers en de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden, heeft [verdachte] geen rekening gehouden. Een aantal aangevers heeft de overgeschreven bedragen niet vergoed gekregen van hun bank en heeft daardoor schade geleden. Dikwijls hadden aangevers gevoelens van schaamte omdat zij zich op hebben laten lichten. Aangevers van wie persoonsgegevens bij de oplichtingen zijn misbruikt, zijn door andere aangevers benaderd en onheus bejegend omdat zij ten onrechte werden aangezien voor oplichters. De rekeningen van de vele katvangers werden door de bank geblokkeerd waarna vaak de bankrelatie door de bank werd opgezegd. Kortom, [verdachte] liet door zijn handelen een spoor van ellende achter en hij heeft enkel oog gehad voor zijn eigen gewin. De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van [verdachte] van 6 oktober 2020, waaruit blijkt dat hij recent niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit het uittreksel blijkt tevens dat sprake is van openstaande zaken die zien op oplichtingen en deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2019. De rechtbank neemt ook in aanmerking de inhoud van het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport van 10 november 2017 en het voortgangsverslag toezicht van de reclassering van 26 september 2019. Hieruit blijkt dat [verdachte] in het buitenland zou verblijven omdat hij niet vast wilde zitten. Het reclasseringstoezicht dat door de rechtbank is opgelegd in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis is niet van de grond gekomen en het is daarom niet mogelijk geweest voor de reclassering om het gedrag van [verdachte] te veranderen om zo het risico op herhaling te verminderen. Gezien de ernst en de omvang van de feiten zoals hiervoor geschetst, is de rechtbank van oordeel dat de enige passende sanctie een gevangenisstraf is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf betrekt de rechtbank de straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken. Omdat [verdachte] recent niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten en om hem ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten, zal de rechtbank een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De redelijke termijn De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 februari 2017, de dag dat [verdachte] in verzekering is gesteld. Op 23 mei 2017 heeft een pro forma zitting plaatsgevonden en op 10 december 2019 een regiezitting. Op 27 oktober 2020 is de inhoudelijke behandeling aangevangen en de rechtbank doet uitspraak op 17 december 2020. De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt dus ruim drie jaren en tien maanden. Een deel van deze tijdsduur, door de rechtbank begroot op tien maanden, is toe te schrijven aan de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris. De redelijke termijn is dan ook met één jaar overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat door de op te leggen gevangenisstraf te verminderen met 10%. In beginsel acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden passend en geboden, maar de rechtbank zal, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn een strafvermindering van vier maanden en twee weken toepassen en [verdachte] veroordelen tot een gevangenisstraf van 40 maanden en twee weken, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het door [verdachte] gerealiseerde voordeel De officieren van justitie hebben niet – op grond van artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – bij requisitoir kenbaar gemaakt dat het voornemen bestaat een vordering bedoeld in artikel 36e Sr (ontnemingsvordering) tegen [verdachte] aanhangig te maken. De rechtbank is niet bekend dat [verdachte] eerder van een dergelijk voornemen op de hoogte is gebracht. Op grond van deze overwegingen gaat de rechtbank er van uit dat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering zal indienen, teneinde het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Als gevolg daarvan zou [verdachte] het geld, dat hij verkregen heeft door de bewezenverklaarde strafbare feiten, kunnen behouden en aldus blijvend financieel beter worden van die feiten. De rechtbank acht dit een ongewenste situatie. Teneinde [verdachte] financieel in dezelfde positie te brengen als vóór het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten zal de rechtbank als bijkomende straf het netto voordeel dat hij uit die feiten verkregen heeft, verbeurd verklaren. Daarbij leidt de rechtbank uit het dossier af dat [verdachte] uitsluitend kosten heeft gemaakt voor het regelen van de benodigde bankrekeningen/bankpassen en pinners en dat het na aftrek van die kosten resterende voordeel geheel aan [verdachte] is toegekomen. De rechtbank berekent dit voordeel – in geschatte en afgeronde bedragen – als volgt: - bruto voordeel, behaald met feit 5 (deelneming aan een criminele organisatie) € 325.000,-- toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen € 100.000,-- -/- kosten voor regelen van bankrekeningen/pasjes en pinners € 50.000,-- -/- - netto voordeel € 175.000,--. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, nu: a. [verdachte] veroordeeld wordt voor een strafbaar feit (artikel 33 Sr), en b. het berekende geldbedrag een voorwerp betreft dat aan [verdachte] toebehoort en dat hij door middel van of uit de baten van het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit heeft verkregen (artikel 33a, eerste lid, letter a Sr). Het geldbedrag is aldus vatbaar voor verbeurdverklaring. 8De schade van benadeelden 8.1 De vordering van de benadeelde partijen Feit 1 [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. De benadeelde heeft geld overgeboekt naar een bankrekening maar geen product geleverd gekregen. [aangever 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 100,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. De benadeelde heeft geld overgeboekt naar een bankrekening maar geen product geleverd gekregen. Feit 2 De Rabobank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 90.088,87, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Een bedrag van € 70.408,87 heeft de Rabobank aangewend om de schade van slachtoffers van fraude te vergoeden. Bij de vordering is een overzicht gevoegd waarop is te zien welk bedrag de bank aan welk slachtoffer heeft vergoed. Een bedrag van € 19.680,-- heeft de Rabobank besteed aan onderzoek. De ING heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 720,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. De ING heeft dit bedrag besteed aan onderzoek. [aangever 6] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 727,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Een bedrag van € 700,-- is afgeschreven van de bankrekening als gevolg van oplichting. Een bedrag van € 27,24 wordt gevorderd als verlofuren. [aangever 8] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bankrekening als gevolg van oplichting. [aangever 18] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 940,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bankrekening als gevolg van oplichting. [aangever 19] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.578,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bank-rekening als gevolg van oplichting. [aangever 23] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 450,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. [aangever 27] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 679,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bank-rekening als gevolg van oplichting. [aangever 28] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 969,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bankrekening als gevolg van oplichting. [aangever 29] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 940,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Een bedrag van € 40,-- is aangewend als telefoonkosten. Een bedrag van € 850,-- is aangewend als advocaatkosten en een bedrag van € 50,-- is aangewend als verlofuren. In een toelichting heeft de benadeelde partij aangevoerd dat zij drie dagen verlof heeft moeten opnemen in plaats van de gevorderde halve dag. Feit 4 [aangever 36] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 755,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, afschrijving van de bank-rekening als gevolg van oplichting. 8.2 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben verzocht om de vordering van de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk te verklaren nu zij door de Rabobank schadeloos is gesteld. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 29] onvoldoende onderbouwd is. De officieren van justitie verzoeken de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Uit de aanvulling per e-mail volgt dat [aangever 29] drie dagen verlof heeft moeten opnemen. Zij verzoeken de rechtbank aansluiting te zoeken bij de uurvergoeding van € 6,81 per uur uit het Besluit Tarief in Strafzaken, artikel 8, lid 1 onder d. De officieren van justitie verzoeken een vergoeding van € 163,44 toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officieren van justitie hebben ook verzocht om de vordering van de Rabobank voor een bedrag van € 19.680,-- toe te wijzen. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officieren van justitie hebben voorts verzocht om de vorderingen van [aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 6] , [aangever 18] , [aangever 19] , [aangever 23] , [aangever 27] , [aangever 28] , ING en [aangever 36] in zijn geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officieren van justitie hebben tot slot verzocht om ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 28] en [aangever 19] te bepalen dat verdachte voor die schade hoofdelijk aansprakelijk is, samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] . 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 18] niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering niet is ondertekend. De raadsman heeft tot slot verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen ING en Rabobank niet-ontvankelijk te verklaren omdat geen sprake is van rechtstreekse schade. 8.4 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 [aangever 1] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 3] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 100,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Ten aanzien van feit 2 Rabobank en ING Bank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de schade die de ING bank en de Rabobank vorderen voor vergoeding in aanmerking komt. Vooropgesteld moet worden dat een benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding kan indienen als er sprake is van schade die rechtstreeks aan haar is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dat volgt uit artikel 361 en 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raadblijkt dat deze eis niet te strikt moet worden uitgelegd. Er moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de vraag of het slachtoffer is geraakt in het belang dat de geschonden norm beschermt, niet doorslaggevend is. Niet uitgesloten is dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat – gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte – de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in voornoemde wetsartikelen. Gelet op de concrete omstandigheden in deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig nauw verband tussen de schade die de banken hebben geleden en de door verdachte gepleegde feiten. Verdachte is schuldig bevonden aan oplichting, waarbij geldbedragen van rekeninghouders van de banken zijn overgeboekt naar rekeningen van katvangers. Voor zover de Rabobank haar klanten heeft gecompenseerd voor de schade is dat in het maatschappelijke verkeer een voorzienbare reactie en het rechtstreekse gevolg van een fraude die zich richt op klanten van de Rabobank. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde bedragen die door de Rabobank aan hun klanten zijn uitgekeerd dan ook toewijzen. Ook zal de rechtbank de gevorderde onderzoekskosten die door de Rabobank en ING zijn gemaakt toewijzen. De rechtbank zal het gevorderde door de Rabobank toewijzen tot een bedrag van € 90.088,87, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal het gevorderde door de ING Bank toewijzen tot een bedrag van € 720,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 6] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 727,24, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 8] De door de benadeelde partij opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de schade reeds is vergoed door de Rabobank. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. [aangever 18] De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering niet is ondertekend. De rechtbank heeft echter geen reden om eraan te twijfelen dat de handgeschreven vordering van aangever [aangever 18] afkomstig is, mede gezien de bij de vordering gevoegde bijlage. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 940,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 19] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 4.578,20,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 23] De door de benadeelde partij onder immateriële schade opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Aantasting van de persoon of geestelijk letsel is niet vastgesteld, zij het dat het handelen van [verdachte] (veel) overlast en ellende heeft veroorzaakt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. [aangever 27] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 679,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 28] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 969,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. [aangever 29] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten ‘telefoonkosten’ en ‘advocaatkosten’ zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze posten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Met betrekking tot de schadepost ‘verlofuren’ is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Met betrekking tot de schadepost ‘verlofuren’ begroot de rechtbank, gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, de schade op € 163,44. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de uurvergoeding van € 6,81 per uur uit het Besluit Tarief in Strafzaken, artikel 8, lid 1 onder d. Gerekend met een gemiddelde werkdag van 8 uren x 3 dagen levert dit een vergoeding op van € 163,44. De rechtbank zal de vordering tot zover toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Ten aanzien van feit 4 [aangever 36] Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 755,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. 8.5 De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. Aan de schadevergoedingsmaatregel wordt gijzeling verbonden. Voor de bepaling van de omvang van de gijzeling is het bepaalde in artikel 36f, vijfde lid, juncto artikel 24c, derde lid, Sr van toepassing. Hieruit volgt dat de gijzeling ten hoogste een jaar mag belopen. Indien de gijzeling van al de toegewezen vorderingen bij elkaar wordt opgeteld, zou de gijzeling de maximaal toegestane duur van een jaar ruimschoots overschrijden. Gelet hierop zal de rechtbank ten aanzien van de vordering van de Rabobank, de hoogste vordering, de gijzeling van de overige vorderingen in mindering brengen, zodat de maximaal toegestane duur niet wordt overschreden. 9De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 34 en 57 Sr. 10De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feiten 1 en 2 telkens het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd; feit 3 het misdrijf: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken; feit 4 het misdrijf: computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd; feit 5 het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden en 2 (twee) weken; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien ve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.