vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: 223211 / HA ZA 2018/427 Vonnis van 30 december 2020 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. D.P.M. Buysrogge te Zwolle. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 2 september 2020, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 november 2020, met daaraan gehecht de pleitaantekeningen van de advocaten van partijen. 1.2. Vervolgens heeft de rechtbank vonnis bepaald op heden. 2De feiten Voor een weergave van de feiten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in het tussenvonnis van 2 september 2020 onder 2.1. tot en met 2.11. heeft overwogen. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, na wijziging van eis samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat sprake is van een zodanige toerekenbare tekortkoming dat de koopovereenkomst van partijen direct dient te worden ontbonden; II. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot (terug)betaling aan haar van de koopsom ad € 540.000,- en de overdrachtsbelasting ad € 10.800,-; III. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt tot betaling van de kosten van herstel, onderzoek en rechtsbijstand ad € 19.907,93 en € 3.980,- exclusief BTW (Wareco) en van de contractuele boete ad € 54.000,-; IV. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf 6 november 2017 tot de dag der algehele voldoening; V. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen twee dagen na sommatie/betekening zijn voldaan. 3.2. [gedaagde 1] c.s. voert verweer. 4De verdere beoordeling 4.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 september 2020 vastgesteld dat aan haar niet de vraag voorligt of de koopovereenkomst al rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, maar, gezien de gevorderde verklaring voor recht, of de koopovereenkomst (thans) dient te worden ontbonden. 4.2.1. Op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst is ontbinding ervan mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij die ingebrekestelling dient de wederpartij, in dit geval [gedaagde 1] c.s., een termijn te worden geboden om het geconstateerde gebrek te verhelpen, tenzij deugdelijke nakoming onmogelijk is of de wederpartij te kennen heeft gegeven niet te zullen overgaan tot het gevraagde herstel. Omdat het de rechtbank nog niet duidelijk was hoe en wanneer [eiseres] [gedaagde 1] c.s. op voornoemde wijze in gebreke heeft gesteld óf dat zij meent dat deugdelijke nakoming onmogelijk is óf dat [gedaagde 1] c.s. te kennen heeft gegeven niet tot het gevraagde herstel te zullen overgaan, heeft zij [eiseres] opgedragen zich hierover nader uit te laten. 4.2.2. [eiseres] heeft ter zitting gesteld dat al vóór de levering is gebleken dat er water in de kruipruimte stond en dat er schade in de woonkamer, hal en keuken was als gevolg van vocht. Er is toen afgesproken dat [gedaagde 1] c.s. de gebreken zou herstellen. Vervolgens zijn diverse muren opnieuw gesaust en geschilderd, is stucwerk deels vervangen en zijn er nieuwe plinten aangebracht. Toen echter daarna bleek dat de vochtproblemen terugkeerden, heeft [gedaagde 1] c.s. te kennen gegeven dat de gebreken volgens hen niet aan een normaal gebruik van de woning in de weg stonden en dat zij niets meer wilden doen. Volgens [gedaagde 1] c.s. is er nimmer een formele ingebrekestelling geweest en zijn zij altijd bereid geweest om mee te denken over een oplossing. 4.2.3. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] c.s. met de brief van 10 juli 2017, waarin zij geschreven hebben dat de door [eiseres] geconstateerde zaken voor haar rekening komen en dat zij niet bereid zijn eventuele schade te vergoeden, elke aansprakelijkheid voor eventuele tekortkomingen hebben afgewezen. Uit deze mededeling van [gedaagde 1] c.s. mocht [eiseres] afleiden dat zij niet tot herstel van gebreken zouden overgaan en dus in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst zouden tekortschieten. Op grond hiervan is het verzuim zonder ingebrekestelling ingetreden (artikel 6:83, aanhef en onder c. van het Burgerlijk Wetboek). 4.3. [eiseres] vordert dat de gehele koopovereenkomst met [gedaagde 1] c.s. wordt ontbonden. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 september 2020 als haar voorlopig oordeel overwogen dat de door [eiseres] genoemde gebreken, niet zijnde de vochtproblemen en de daaraan eventueel ten grondslag liggende gebreken, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet tot ontbinding van de gehele koopovereenkomst kunnen leiden. Daarbij is overwogen dat een aantal van de gestelde gebreken voor [eiseres] kenbaar had moeten zijn op grond van de bezichtiging van de woning, zoals de scheur in de gevel, de gebrekkige schakelaars en wandcontactdozen en slecht hang- en sluitwerk aan deuren en kozijnen, althans op grond van een in het kader van de naleving van haar onderzoeksplicht ex artikel 7:17, vijfde lid BW door haar te laten verrichten bouwtechnische keuring, zoals de niet goed gemonteerde nokpannen, de zeer slecht afgewerkte zijwangen van de dakkapellen en het gebrekkige tegelwerk in de badkamer. Had zij een bouwtechnische keuring laten verrichten, dan waren deze gebreken zeker geconstateerd, zoals blijkt uit het rapport van Homekeur. Voorts is erop gewezen dat deze gebreken, gelet op de aard ervan en de geringe omvang van de kosten van herstel, van te geringe betekenis zijn om ontbinding van de hele overeenkomst te rechtvaardigen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de rechters ten overstaan van wie de mondelinge behandeling zou plaatsvinden en door wie dus een nieuwe uitspraak zou worden gewezen, niet gebonden zijn aan de beslissingen die zijn gegeven in het tussenvonnis en dat zij daarvan dus kunnen terugkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] ter zitting geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die de rechtbank aanleiding geven om terug te komen op voormeld voorlopig oordeel. [eiseres] heeft nagenoeg geen opmerkingen gemaakt over de gebreken die hiervoor zijn genoemd, niet gesteld dat deze ook bij nakoming van de onderzoeksplicht niet ontdekt zouden zijn en niet toegelicht waarom die, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, toch van zodanige ernst en omvang zijn dat ontbinding van de hele overeenkomst gerechtvaardigd is. 4.4.1. Ten aanzien van de vochtproblemen heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 2 september 2020 geoordeeld dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat daarvan sprake is. Tevens is overwogen dat Wareco er naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet in is geslaagd om de oorzaak van de vochtproblemen te achterhalen. Wareco komt met twee mogelijke oorzaken, te weten het niet dampdicht zijn van (de doorvoeren
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.