vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo Vonnis van 24 februari 2021 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/08/249580 / HA ZA 20-237 van 1 [eiser 1] ,
(2018); o aangifte tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , mr. [C] en de betrokken journalist van EenVandaag ( [X] ) wegens smaad en laster (9 februari 2018) en na sepot, de start van een artikel 12 Wetboek van Strafvordering procedure; o een kort gedingprocedure tegen het echtpaar [A] , waarbij [eiser 1] tevens beslag heeft laten leggen op hun uitkering en heeft aangedrongen op een taxatie van hun woning (2019-2020); o een nieuwe klacht tegen EenVandaag bij de Raad voor de Journalistiek naar aanleiding van een reactie op een artikel van [eiser 1] in het Tijdschrift Conflicthantering (september 2020). - het is inmiddels twee jaar geleden dat [gedaagde 1] c.s. voor het laatst een tweet hebben geplaatst. Nadat het OM de aangifte van [eiser 1] van smaad en laster door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft geseponeerd, stelt [eiser 1] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 21 augustus 2019 civielrechtelijk aansprakelijk. Hierbij wijst hij op bepaalde tweets van [gedaagde 2] (productie 37). Zonder enige erkenning van aansprakelijkheid verwijderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze tweets en vragen zij [eiser 1] tegen welke andere specifieke tweets hij bezwaar heeft (productie 38). Hierop komt geen reactie. Eén jaar later worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alsnog gedagvaard in deze zaak en komt [eiser 1] met nieuwe tweets waartegen hij bezwaar heeft. Overigens hebben [gedaagde 1] c.s. inmiddels ook de tweets zoals benoemd in de dagvaarding van hun Twitter-account verwijderd. Daarnaast zijn beide accounts afgeschermd en niet langer openbaar toegankelijk; - bij de beoordeling of de uitlatingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als onrechtmatig moeten worden bestempeld dient de rechter elke uiting afzonderlijk te beoordelen en te wegen. Daarbij speelt de context van elke specifieke uiting een belangrijke rol, alsmede het bericht waarop door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt gereageerd en wat er ten tijde van dit bericht precies speelde. Een dergelijke beoordeling is in casu niet mogelijk omdat [eiser 1] de context, de achtergrond en de reacties van derden weglaat. [eiser 1] gooit bewust alles op één hoop. In de dagvaarding wordt een enkele uitlating specifiek maar zonder verdere onderbouwing genoemd en wordt voor het overige verwezen naar een boekwerk van honderden pagina’s zonder context en achtergrond. Hetzelfde geldt voor de zogenaamd ‘hetze’. Ook hier ontbreekt elke context en achtergrond. Reacties van derde partijen worden zonder enige uitleg gekoppeld aan [gedaagde 1] . Hiermee wordt de indruk gewekt als zou er tussen al die partijen voortdurend contact zijn (geweest). In werkelijkheid is hier geen sprake van geweest; - er dient ook een afweging van de wederzijdse belangen plaats te vinden. Hier het recht op bescherming van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam van [eiser 1] anderzijds. Nu het hier de zakelijke reputatie van [eiser 1] en Trickster betreft is het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM niet van toepassing, maar dient men terug te vallen op de ‘rechten van derden’ zoals bepaald in artikel 10 lid 2 EVRM, waarvan nog niet is uitgemaakt of dit een grondrecht betreft. Uit de jurisprudentie van het EHRM komt duidelijk naar voren dat kritiek op zakelijk handelen eerder toelaatbaar is en een beperking van de uitingsvrijheid dus minder snel is gerechtvaardigd; - elke vorm van causaliteit ontbreekt. Er wordt op geen enkele wijze onderbouwd/ inzichtelijk gemaakt welke schade het gevolg is van bepaalde specifieke berichten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Er wordt hierbij ook geen onderscheid gemaakt tussen de schade als gevolg van berichten van derden zoals de uitzending en twitterberichten van EenVandaag, [A] en/of andere derden en die van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zo erkent [eiser 1] in zijn aangifte van 9 februari 2018 (productie 29, pagina 4) dat de uitzending van EenVandaag specifieke schade tot gevolg heeft gehad; - met bepaling 7.6. van het mediationreglement worden enkel de belangen van partijen beschermd en niet die van de mediator. Daarnaast is onduidelijk welke schade [eiser 1] specifiek heeft geleden als gevolg van de beweerdelijke schending van de geheimhoudingsplicht door [gedaagde 1] . [eiser 1] maakt immers niet duidelijk wat hiervan voor hem de gevolgen zijn geweest; - de gevorderde dwangsomveroordelingen zijn (dus) onterecht en bovendien disproportioneel; - bij onverhoopte toewijzing van een vordering van [eiser 1] c.s. wordt verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege te laten. De overige standpunten van partijen 19. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De beoordeling van het geschil inleiding 20. Door [eiser 1] c.s. is gesteld dat de door hen geleden schade alleen is veroorzaakt door de hetze, waarbij [gedaagde 1] c.s. naar zeggen van [eiser 1] c.s. hebben getracht “ zijn brood te ontnemen en hem het leven zuur te maken.”. Naast het verkrijgen van een schadevergoeding is het doel van dit geding om met de gevraagde verboden/dwangsomveroordelingen definitief een eind te maken aan die door [eiser 1] c.s. gestelde hetze. 21. Indachtig de gemotiveerde tegenspraak van [gedaagde 1] c.s. betreft de kern van het geschil dan ook de beoordeling of sprake is geweest van de door [eiser 1] c.s. gestelde hetze. 22. Blijkens het daartoe door [eiser 1] in de dagvaarding onder 63. e.v. gestelde is deze hetze aangevangen op 17 juli 2017, en is vervolgens sprake geweest van een “jarenlange publieke hetze die gestart werd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2]”, waarbij door hen ook “derden in hun hetze tegen [eiser 1]” zijn betrokken. Zij zochten daarbij – naar zeggen van [eiser 1] c.s. – de sociale media op en gaven opdracht tot het maken van de uitzending in EenVandaag. Hun acties hebben ervoor gezorgd dat vele onbekenden [eiser 1] ook aan de publieke schandpaal hebben genageld. Het bewijs van een en ander is naar eigen zeggen door [eiser 1] verzameld en veiliggesteld in het door [eiser 1] in het geding gebrachte boekwerk “Today’s Poison”. Meer en ander bewijs wordt door [eiser 1] c.s. niet aangeboden. de aan te leggen beoordelingsmaatstaven 23. Bij een beoordeling of uitlatingen als onrechtmatig moeten worden bestempeld heeft de rechter elke gewraakte uitlating afzonderlijk te beoordelen, waarbij de context van elke specifieke uiting een belangrijke rol speelt evenals het bericht waarop wordt gereageerd en wat er op dat moment aan de orde was. Binnen een actueel maatschappelijk debat komen uitlatingen via social media een bijzondere betekenis toe, waarbij mening en opinies moeten kunnen worden gedeeld. Daarbij moet een grote mate van vrijheid worden aangenomen (ECLI:NL:RBAMS:2014: 8364, r.o. 4.5.). Dit ook omdat specifiek van Twitter mag worden aangenomen dat het een “vluchtig medium” is waarbij in hoofdzaak op het moment van plaatsen sprake is van de kennisname van uitlatingen. 24. Ook iemand die meent dat hem een slechte behandeling ten deel is gevallen is vrij om die onvrede publiekelijk te uiten. 25. De rechtbank heeft voorts bij haar beoordeling belangen af te wegen, waaronder het belang van [eiser 1] c.s. op bescherming van eer en goede naam tegenover het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds op bescherming van de vrijheid van meningsuiting. In dit kader is terecht door [gedaagde 1] aangevoerd dat het in beginsel de zakelijke reputatie van [eiser 1] c.s. en Trickster betreft (en daarom niet het recht op privacy zoals dat is vastgelegd in artikel 8 EVRM). Kritiek op zakelijk handelen is eerder toelaatbaar en daarbij is een beperking van de uitingsvrijheid minder snel gerechtvaardigd (EHRM 19 juli 2011, nr.23954/10 (Uj/Hongarije), r.o. 22; EHRM 2 september 2004, nr 32783/08 (Firma EDV für Sie/Duitsland). 26. Welk belang zwaarder weegt moet worden beoordeeld op basis van een weging van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Is sprake van onrechtmatig handelen? 27. De rechtbank heeft indachtig voormelde aan te leggen maatstaven en gelet op de desbetreffende gemotiveerde tegenspraak van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen onrechtmatig handelen in de door [eiser 1] c.s. gestelde zin kunnen vaststellen. Dit oordeel behoeft de volgende toelichting. 28. De rechtbank beoordeelt het gevoerde publieke debat over deze kwestie, onder andere blijkend uit bestudering van boekwerk “Today’s Poison”, als volgt: - anders dan de in de dagvaarding (onder elkaar) aangehaalde tweets, zijn de hierin opgenomen tweets wel in belangrijke mate te plaatsen in de relevante context waarbij ook berichten van derden zijn weergegeven waarin op [gedaagde 1] of [gedaagde 2] wordt gereageerd of waarop [gedaagde 1] of [gedaagde 2] hebben gereageerd/geantwoord; de berichten die [eiser 1] in zijn dagvaarding noemt, zijn (op 2
- na)juist de berichten die in Today’s Poison niet in context zijn geplaatst maar op pagina 3 – 5 worden opgesomd; - in het bijzonder is opgevallen dat [gedaagde 1] of [gedaagde 2] in hoofdzaak reageren op berichten van derden. Uit zichzelf worden niet of nauwelijks berichten geplaatst. Ook de berichten die [eiser 1] specifiek in zijn dagvaarding citeert en die in Today’s Poison op pagina 3 -5 zijn genoemd zonder context, zijn reacties op tweets of replies van anderen; - in hun reacties geven [gedaagde 1] of [gedaagde 2] uitsluitend hun ervaringen met de mislukte mediation; de naam van [eiser 1] wordt daar vaak niet bij genoemd. Bijvoorbeeld (van [gedaagde 1] ): “Moet je wel een goed en eerlijke mediator hebben” (17 juli 2017), “Praat me niet over mediators. Zeer slechte ervaring” (30 juli 2017) “Ja maar dan moet je wel onpartijdig en binnen de wet blijven” (2 augustus 2017), “Niet alle mediators zijn onafhankelijk” (21 augustus 2017) “Moet het wel een goede mediator zijn. Want ook daar zitten erbij die het voor jullie beroepsgroep verpesten” (31 augustus 2017) “Zeker. Ik had de verkeerde. Er zijn zeker heel veel goede mediators. Jammer ook dat deze persoon jullie beroepsgroep besmeurd heeft” (8 februari 2018) “En uitkijken welke mediator je neemt als je er toch voor kiest. Voor mij nooit weer” (20 december 2018), “Nou dat heb ik gemerkt hoe onafhankelijk de mediator in mijn zaak was” (20 januari 2019) En van [gedaagde 2] : “Kennelijk is mediation niet zo’n goed idee als er achter de rug om geviespeukt wordt men beroept zich op de geheimhouding. Ik zou het niemand aanraden” (25 januari 2018) “Dat mag toch want het gebeurt in de caucus kun je lekker snode plannen smeden want er zit geheimhouding op en kun je geen klacht indienen wel slim toch” (10 juli 2018) Hiervoor is reeds duidelijk gemaakt dat [gedaagde 1] c.s. hierbij de vrijheid toekomt om stevige bewoordingen te gebruiken. Dat veel van deze uitlatingen in de ogen van [eiser 1] onwelgevallig of vervelend zijn, maakt ze dus nog niet onrechtmatig; - de reacties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in sterk overwegende mate bondig en weinig prikkelend voor [eiser 1] ; vaak wordt daarin verwezen naar eerder door hen ingenomen standpunten/reacties. De toonaard van hun reacties is bepaald niet die van het voeren en blijven voeren van een hetze tegen [eiser 1] c.s. en hun onderneming (zie de voorbeelden hierboven). Dat [eiser 1] daar een ander hem steeds persoonlijk treffend gevoel bij heeft gehad, maakt dit niet anders. Kennelijk is het [gedaagde 1] c.s. daar niet of niet in de gestelde mate om te doen geweest; - veelvuldig wordt door [gedaagde 1] / [gedaagde 2] “kaal” geretweet zonder toevoeging van eigen commentaar. Als zodanig kan de rechtbank dit - indachtig de hier aan te leggen maatstaven - niet als onrechtmatig aanmerken. [eiser 1] moet toegegeven worden dat dit als vervelend voor hem kan worden aangemerkt omdat daardoor publieke discussies soms gaan herleven/opleven omdat ze ook in de tijdlijn van een ander (in dit geval [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) zichtbaar worden. Onrechtmatigheid is ook hier niet komen vast te staan nu uit de feiten /omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde 1] / [gedaagde 2] aldus gericht en met opzet doende zijn geweest [eiser 1] herhaald en bij voortduring zwart te (blijven) maken door van derden afkomstige aantijgingen te laten herleven/herhalen. Het zijn juist derden die kennelijk zonder toedoen van [gedaagde 1] c.s. steeds de draad van het publieke debat weer oppakken; het zijn aldus beschouwd geen “zelfstandige” reacties van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ; - in de door [eiser 1] in dit kader zo relevant gevonden tweet van [gedaagde 1] van 18 september 2017 (pagina 52 van Today’s Poison) wordt de naam van [eiser 1] door haar zelfs niet genoemd. Dat gebeurt in het artikel in Tubantia over de strafzaak van [gedaagde 1] waar de tweet naar verwijst. Het stond [gedaagde 1] vrij in die tweet naar die bron van informatie te verwijzen; - ook [eiser 1] heeft zich bediend van social media waaronder het twitteraccount, de facebookpagina en de website timetofactcheck.nl. Ook daarbij wordt veelvuldig de naam van [gedaagde 1] genoemd en wordt ook verwezen naar haar Twitter account. Ook [eiser 1] bedient zich daarbij herhaald van stevige bewoordingen. Ter zitting is door [eiser 1] c.s. duidelijk gemaakt dat [eiser 1] ten einde uit diens toenmalige depressie te geraken, welbewust heeft gekozen voor de aanpak die [eiser 1] c.s. door hulpverlening was geadviseerd. [eiser 1] verklaarde: “verdedig je. Ik heb onderzoek gedaan naar hoe dat het beste kan, en ik kwam tot de conclusie dat je het beste dezelfde kanalen kunt gebruiken. Dat is de reden dat wij de facebook-pagina Timetofactcheck en dat twitter-account hebben opgericht. Om op dezelfde manier, namelijk via aandacht op social media, ons eigen verhaal te doen.”; - over de mediation in het geschil van [gedaagde 1] en de politie heeft [eiser 1] een artikel gepubliceerd in Tijdschrift Conflicthantering (productie 36); - ook reageert [eiser 1] herhaald op derden die zich kritisch over hem uitlaten. [X] en ook enkele individuele mediators worden door hem publiekelijk aangesproken en worden “hetzers” genoemd; - kennelijk is aldus gedurende langere tijd sprake geweest van een zogenaamd publiek debat, waaraan naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook [eiser 1] heeft deelgenomen; - wat betreft dit publiek debat weegt de rechtbank mee dat ook overigens in de maatschappij en de media aandacht bestond voor de wijze waarop de politieorganisatie soms met haar zieke werknemers omgaat. In verschillende media-uitlatingen en ook bijvoorbeeld in de Tweede Kamer is aandacht geweest voor dit op dat moment bestaand probleem bij de politieorganisatie. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als productie 13 tot en met 17 verschillende krantenberichten en Tweede Kamerstukken overgelegd die over dit onderwerp gaan; - de door [eiser 1] c.s. in deze zaak tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde hetze kan in termen van toerekening naar redelijkheid/causaliteit niet ook inhoud worden gegeven met de civiele procedure gevoerd tegen [A] , de uitzending van EenVandaag, de publicaties in Tubantia en reacties van derden na het gehoord hebben van (delen van) de meergenoemde opname van het gesprek van [eiser 1] met de werkgeversvertegenwoordigers. Niet is genoegzaam gebleken dat juist [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarbij een regisserende/aansturende rol hebben vervuld in die zin dat zij (herhaald en bij voortduring) hebben aangezet [eiser 1] c.s. daarbij/daarin zwart te maken. [eiser 1] c.s. laten ook na hier adequate feiten/omstandigheden te stellen, zodat er geen reden is hen hier nog met bewijs te belasten. Ambtshalve zal de rechtbank daartoe niet beslissen; - zonder nadere tekst en uitleg is niet in te zien dat het enkele retweeten van berichten door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] op zich als onrechtmatig jegens [eiser 1] is te duiden. De (steeds) door [eiser 1] c.s. bestreden uitlatingen zijn immers afkomstig van derden, en niet van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . In elk geval is niet sprake van een zodanige omvang van “kaal” retweeten (met het weer oprakelen en zichtbaar maken van door anderen gevoerd debat) dat daaruit het bestaan van de door [eiser 1] c.s. gestelde hetze (mede) kan worden afgeleid. 29. De slotsom luidt dan ook dat de door [eiser 1] c.s. gestelde schadeveroorzakende hetze door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in rechte is komen vast te staan. 30. Op die grondslag kan dan ook niet de desbetreffende onder A verzochte verklaring voor recht worden toegewezen, en kan dus ook geen schadevergoeding, zoals gevorderd onder C, worden toegekend. Ook de gevorderde geboden/verboden zoals gevorderd onder D, E en F en bedoeld om aan die hetze een eind te maken, lenen zich niet voor toewijzing. de grondslag van niet-nakoming van de geheimhoudingsplicht uit de mediation-overeenkomst. 31. De rechtbank stelt vast dat [eiser 1] c.s. op deze (subsidiair bedoelde) grondslag vergoeding van dezelfde schade vorderen als is gevorderd op de hiervoor beoordeelde grond van onrechtmatig handelen wegens – kort gezegd – het voeren van een hetze tegen [eiser 1] c.s.. Andere schade (of de mogelijkheid daarvan) wordt niet gesteld/geclaimd. In het bijzonder wordt niet uiteengezet/gesteld of de gestelde niet-nakoming zelfstandig bij [eiser 1] c.s. schade heeft berokkend. Door [gedaagde 1] c.s. is hier terecht een punt van gemaakt: de ook hier vereiste causaliteit is gesteld noch gebleken. 32. Dit betekent dat, nu de gestelde hetze door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in rechte is komen vast te staan (als schadeveroorzakend(
- e)feit(en)), diezelfde juist daardoor (gestelde) ontstane schade ook niet toegewezen kan worden op een andere grondslag, als gevolg daarvan. 33. Schade (of de aannemelijkheid daarvan) laat zich overigens ook niet in redelijkheid toerekenen aan (alleen) de gestelde niet-nakoming van de geheimhoudingsplicht door [gedaagde 1] . Door [eiser 1] c.s. is immers nagelaten om te onderbouwen welke schade zij naar eigen zeggen specifiek hebben geleden door de gestelde niet-nakoming van het geheimhoudingsbeding. Ook hier is van de zijde van [gedaagde 1] c.s. terecht op gewezen bij wijze van verweer. 34. Dit maakt dat de verdere beoordeling van deze grondslag buiten beschouwing moet blijven (en daarmee dus ook de vraag of het [gedaagde 1] is geweest die de opname van het caucusgesprek heeft gemaakt), omdat [eiser 1] c.s. daarbij geen in rechte te honoreren belang hebben. Dit raakt ook de desbetreffende onder B verzochte verklaring voor recht, omdat een toewijzing daarvan een civielrechtelijk op geld te waarderen belang vereist, wat hier dus ontbreekt. Slotsom 35. De slotsom luidt dan ook dat de vorderingen van [eiser 1] c.s. moeten worden afgewezen. en dat [eiser 1] c.s. gezamenlijk als de in het ongelijk gestelde partij moet worden verwezen in de kosten die in dit geding aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk zijn gevallen. 36. De omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet ter zitting zijn verschenen, is geen reden voor de rechtbank om daar de gevolgtrekking op te baseren dat anders moet worden overwogen en beslist dan hier is weergegeven. De rechtbank treedt dus niet in het desbetreffende ter zitting uitdrukkelijk gedane verzoek van [eiser 1] c.s. om uit die niet verschijning “de gevolgen te trekken die u geraden acht”. Proceskosten 37. Als de in het ongelijk gestelde partij, zullen [eiser 1] c.s. worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten worden tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt berekend: salaris van de advocaat: € 1.442,00 (twee procespunten x € 721,00 (tarief III) verschotten: € 937,00 (griffierecht) € 2.379,00 De gevorderde nakosten zullen als in het dictum weergegeven worden toegewezen. De beslissing De rechtbank: I. Wijst af het gevorderde. II. Veroordeelt [eiser 1] c.s. gezamenlijk tot betaling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk van de aan die zijde in dit geding gevallen proceskosten, welke worden begroot op in totaal € 2.379,00 (te weten € 937,00 voor griffierecht en € 1.442,00 voor advocaatkosten, te vermeerderen met de nakosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan deze veroordeling wordt voldaan. III. Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de mrs. H. Bottenberg – van Ommeren, M.L.J. Koopmans en D.L. Westendorp en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2021.