RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummers: 08/910064-19 en 08/952188-20 (P) Datum vonnis: 4 juni 2021 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] , nu gedetineerd in de PI Zutphen. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 september 2020, 12 november 2020, 28 januari 2021, 20 april 2021, 21 april 2021, 22 april 2021 en 21 mei 2021. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Veen en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten van de zaak met parketnummer 08/910064-19 als feiten 1, 2, 3 en 4 en de feiten van de zaak met parketnummer 08/952188-20 als feiten 5, 6, 7 en 8. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 21 april 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen: feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te vermoorden; feit 2: met geweld goederen van [slachtoffer 3] heeft gestolen dan wel hem opzettelijk en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd; feit 3: heeft geprobeerd om [naam 1] en/of een of meer ander(
- en)te bewegen tot het plegen van een moord op [slachtoffer 4] ; feit 4: ter voorbereiding van het misdrijf moord opzettelijk een vuurwapen en baken bestemd tot het begaan van dat bedrijf heeft aangeschaft; feit 5: heeft geprobeerd [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te vermoorden; feit 6: in cocaïne heeft gehandeld dan wel dit aanwezig heeft gehad; feit 7: een Audi S7 met kenteken [kenteken 1] heeft gestolen van [slachtoffer 3] ; feit 8: een Mercedes C63 AMG met kenteken [kenteken 2] , toebehorend aan [slachtoffer 6] , heeft verduisterd. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: Onderzoek Filmer 1. hij op of omstreeks 09 april 2016 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] op de openbare weg met een (automatisch) vuurwapen heeft beschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] en of die [slachtoffer 2] werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Onderzoek Luik 2 primair hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 1 juli 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Keyless wave kast (kleur grijs/wit) en/of kleren en/of een telefoon en/of een hoeveelheid geld en/of huissleutels, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s): - die [slachtoffer 3] met een smoes heeft/hebben meegenomen/meegelokt in een auto en/of - (vervolgens) die auto heeft/hebben laten stoppen (door de weg te blokkeren) en/of - (nadat die [slachtoffer 3] probeerde te vluchten) achter die [slachtoffer 3] is/zijn aangerend en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) naar de grond heeft/hebben gewerkt en/of - die [slachtoffer 3] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of elders op het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) door middel van duwen/slaan heeft/hebben gedwongen om in een (andere) auto plaats te nemen en/of - met die [slachtoffer 3] naar een woning is/zijn gereden alwaar hij binnen op een stoel moest gaan zitten en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) meerdere malen met een scherp mes heeft/hebben geprikt in diens arm(
- en)en/of be(e)n(
- en)en/of - opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)diens broertje, ouders en kinderen iets aan zou(den) doen en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) gedurende meerdere uren heeft/hebben bedreigd, vernederd en/of gefilmd en/of - (vervolgens) tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij zich uit moest kleden en zich moest gaan douchen en/of - (nadat die [slachtoffer 3] had gedoucht en een korte broek en T-shirt had gekregen) (vervolgens) met die [slachtoffer 3] naar een bos zijn gereden en/of - (vervolgens) een vuurwapen met geluiddemper op die [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of - tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat er al een graf voor hem was gegraven en dat hij/zij hem dood zou(den) schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)30.000 euro van hem wilde(
- n)hebben, waarna verdachte en/of zijn mededader(
- s)die [slachtoffer 3] (wederom) hebben meegenomen in een auto en hem (vervolgens) ergens hebben afgezet; 2 subsidiair hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 1 juli 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, welke wederrechtelijke vrijheidsberoving hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)- die [slachtoffer 3] met een smoes heeft/hebben meegenomen/meegelokt in een auto en/of - (vervolgens) die auto heeft/hebben laten stoppen (door de weg te blokkeren) en/of - (nadat die [slachtoffer 3] probeerde te vluchten) achter die [slachtoffer 3] is/zijn aangerend en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) naar de grond heeft/hebben gewerkt en/of - die [slachtoffer 3] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of elders op het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) door middel van duwen/slaan heeft/hebben gedwongen om in een (andere) auto plaats te nemen en/of - met die [slachtoffer 3] naar een woning is/zijn gereden alwaar hij binnen op een stoel moest gaan zitten en/of - die [slachtoffer 3] (vervolgens) gedurende meerdere uren heeft/hebben bedreigd, vernederd en/of gefilmd en/of - (vervolgens) met die [slachtoffer 3] naar een bos zijn gereden en/of - (vervolgens) een vuurwapen met geluiddemper op die [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of - tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat er al een graf voor hem was gegraven en dat hij/zij hem dood zou(den) schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waarna verdachte en/of zijn mededader(
- s)die [slachtoffer 3] (wederom) hebben meegenomen in een auto en hem (vervolgens) ergens hebben afgezet; Onderzoek Karlsbad 3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2019 tot en met 15 oktober 2019 in de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [naam 1] en/of een of meer ander(
- en)door een gift en/of een belofte en/of misbruik van gezag en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer 4] , en met dat opzet - aan [naam 1] en/of een of meer ander(
- en)de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 4] van het leven te beroven, en/of - aan voornoemde [naam 1] en/of een of meer ander(
- en)daartoe een geldbedrag van 5000 euro heeft beloofd/in het vooruitzicht heeft gesteld en/of - aan voornoemde [naam 1] en/of een of meer ander(
- en)een (automatisch) wapen heeft gegeven/verstrekt en/of - door een of meer ander(
- en)een plaatsbepalend baken onder de auto van die [slachtoffer 4] heeft laten aanbrengen; 4. hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2019 tot en met 15 oktober 2019 in de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf moord, in elk geval van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een automatisch vuurwapen en/of een plaatsbepalend baken, bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; Onderzoek Mexico 5. hij op of omstreeks 26 oktober 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] op de openbare weg met een (automatisch) vuurwapen heeft/hebben beschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Onderzoek Košice 6. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 26 oktober 2019, in de gemeente Zwolle, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Onderzoek Luik 7. hij op of omstreeks 12 maart 2019, althans in de periode van november 2018 tot en met 12 maart 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk Audi S7, kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Onderzoek Bilbao 8. hij in of omstreeks de periode van 10 december 2018 tot en met 12 december 2018 in de gemeente(
- n)Utrecht en/of Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een (personen)auto (merk Mercedes C63 AMG, kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder van deze (personen)auto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat feit 3 op de dagvaarding ter zake van het onderdeel “- door een of meer ander(
- en)een plaatsbepalend baken onder de auto van die [slachtoffer 4] heeft laten aanbrengen”, partieel nietig dient te worden verklaard, vanwege een innerlijke tegenstrijdigheid. Dit onderdeel is volgens hem niet zonder meer een logische uitlokkingshandeling, nu [naam 1] niets met het baken te maken heeft gehad. Daarnaast wordt door het Openbaar Ministerie enkel gesproken over voorbereidingshandelingen en onder dat feit staat het plaatsbepalend baken ook genoemd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het, door die innerlijke tegenstrijdigheid, voor verdachte niet duidelijk was waartegen hij zich moest verdedigen. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie sluit zich aan bij het standpunt van de verdediging. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het voor verdachte voldoende duidelijk is waar hij zich tegen moet verdedigen. Uit de tenlastelegging valt volgens de rechtbank op te maken dat verdachte ervan wordt verdacht gepoogd te hebben [naam 1] uit te lokken tot het plegen van een moord op [slachtoffer 4] , door onder meer een of meer anderen (niet zijnde [naam 1] ) een plaatsbepalend baken onder de auto van die [slachtoffer 4] te laten aanbrengen. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de dagvaarding geldig is. 3.2 De overige voorvragen De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Leeswijzer De rechtbank zal ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsoverweging als volgt indelen. Allereerst zal de rechtbank een samenvatting geven van de onderzoeken die aan verdachte zijn ten laste gelegd. De rechtbank bespreekt de onderzoeken in chronologische volgorde. Gelet op de door de raadsman gevoerde verweren zullen daarna algemene overwegingen van de rechtbank volgen, die betrekking hebben op alle onderzoeken. Deze omvatten oordelen over de betrouwbaarheid van getuigen. Tot slot zal de rechtbank per onderzoek oordelen of er al dan niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Bij dit onderdeel komen tevens de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aan de orde. In het geval van een bewezenverklaring, zijn de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen opgenomen in de ‘bijlage bewijsmiddelen’. 4.2 Samenvatting van de onderzoeken Het onderzoek Filmer, feit 1, ziet op een gebeurtenis waarbij de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vanuit een rijdend voertuig zijn beschoten. Dit voorval heeft plaatsgevonden op 9 april 2016 op de Wijheseweg in Zwolle. Als gevolg van deze schietpartij hebben beide broers één of meerdere schietwond(
- en)opgelopen in hun bovenlichaam. Het onderzoek Košice, feit 6, draait om de handel in harddrugs in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 oktober 2019 in Zwolle en omgeving. Het dealernetwerk dat zich daarmee bezighield was voor afnemers bereikbaar via een zogenoemde ‘deallijn’, genaamd Ali 24/7. Via het telefoonnummer van die lijn konden bestellingen worden geplaatst en werd een locatie afgesproken voor de overdracht van de drugs. Het onderzoek Bilbao, feit 8, heeft betrekking op een vermeende verduistering van een Mercedes C63 AMG. Het voertuig werd op 9 december 2018 voor twee dagen gehuurd bij een verhuurbedrijf in Utrecht, maar is nooit teruggebracht. Het onderzoek Luik, feiten 2 en 7, ziet op de gebeurtenis waarbij met geweld goederen (te weten een Keyless wave kast, kleding, een telefoon, geld en sleutels) van [slachtoffer 3] zijn gestolen, dan wel dat [slachtoffer 3] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 3] een gebroken neus opgelopen. Eveneens ziet dit onderzoek op de diefstal van een personenauto Audi S7 met kenteken [kenteken 1] , toebehorende aan [slachtoffer 3] . Eén en ander heeft plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2019 tot en met 1 juli 2019. Het onderzoek Karlsbad, feiten 3 en 4, heeft betrekking op de poging tot uitlokking van een liquidatie op [slachtoffer 4] en de voorbereiding van deze liquidatie door het verwerven en voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en een plaatsbepalend baken. De poging tot uitlokking en de voorbereidingshandelingen hebben zich voorgedaan in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 15 oktober 2019. Het onderzoek Mexico, feit 5, borduurt voort op het onderzoek Karlsbad. [slachtoffer 4] is namelijk op 26 oktober 2019 in Zwolle daadwerkelijk beschoten in zijn voertuig, waar zich op dat moment ook [slachtoffer 5] bevond. Als gevolg daarvan is [slachtoffer 4] gewond geraakt aan zijn schouder. Dit onderzoek ziet op deze pogingen tot moord. 4.3 Betrouwbaarheid van getuigen In deze strafzaak zijn door een aantal medeverdachten en getuigen verklaringen afgelegd bij de politie en/of de rechter-commissaris. Deze verklaringen hebben als gemeenschappelijke deler dat zij voor één of meer verdachten in het onderzoek belastend zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de hierna te noemen getuigen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu volgens hem op diverse onderdelen geconcludeerd kan worden dat zij inconsistent, tegenstrijdig en in strijd met de waarheid hebben verklaard. De rechtbank overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de getuigen het volgende. Algemeen toetsingskader Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring is een aantal factoren en omstandigheden van belang. In de eerste plaats is bij de vraag naar de betrouwbaarheid van een verklaring van belang of die verklaring overeenkomt met of steun vindt in andere bewijsmiddelen. Hoe meer de verklaring wordt gesteund door objectieve feiten of omstandigheden of verklaringen van anderen, hoe meer waarde aan die verklaring kan worden gehecht. Daarnaast is van belang of de getuige die belastend verklaart over anderen ook zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. In dat geval wint die verklaring aan betrouwbaarheid. Een andere belangrijke factor is het tijdsverloop. Aangenomen wordt dat de kans op een waarheidsgetrouwe verklaring groter is als deze is afgelegd kort na het voorval dan in het geval het verhoor plaatsvindt geruime tijd na het gebeuren. Dat ziet enerzijds op het feit dat herinneringen kunnen vervagen, zeker bij complexe of repeterende (strafbare) feiten, en anderzijds op het feit dat bij een ruim tijdsverloop er meer gelegenheid is voor, al dan niet vrijwillig, contact met anderen waardoor een getuige gemotiveerd kan raken om anders dan de waarheid te verklaren. Verder is van belang of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van wat uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Tot slot kan bij de vraag naar de betrouwbaarheid ook van belang zijn de positie van degene ten overstaan van wie de verklaring is afgelegd. Een verklaring afgelegd tegenover een onafhankelijk rechterlijk ambtenaar onder ede kan de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring ten goede komen. Toetsing per getuige [slachtoffer 3] heeft in het onderzoek Filmer (feit 1) als getuige meerdere uitgebreide verklaringen afgelegd, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. Dit zijn belastende verklaringen ten aanzien van verdachte. Deze houden kort en zakelijk weergegeven in dat verdachte op 9 april 2016 heeft geschoten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Als reden van wetenschap noemt [slachtoffer 3] dat hij dit heeft gehoord van zowel verdachte, als van diens broer [medeverdachte 1] , als ook van [medeverdachte 2] .. De rechtbank zal aan de hand van het algemene toetsingskader beoordelen of deze verklaringen betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 3] niet op alle punten consistent heeft verklaard. De door hem afgelegde verklaringen zijn echter in hoofdlijnen en op essentiële punten consistent. Daarbij komt dat [slachtoffer 3] authentieke elementen noemt in zijn verklaringen. Zo benoemt hij onder meer ten aanzien van [medeverdachte 1] specifiek wanneer hij de informatie ontving, namelijk tijdens hun detentie in België, waar zij in november 2018 samen een cel deelden. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank ten goede aan de geloofwaardigheid. Ergens in 2019 is er een conflict ontstaan tussen [slachtoffer 3] en (de groepering van) verdachte. Aan de omgang is toen een einde gekomen. Dit maakt enerzijds het tijdsverloop tussen de schietpartij en de beschuldiging jegens verdachte verklaarbaar. Anderzijds kan deze breuk bij [slachtoffer 3] tot een mogelijk motief hebben geleid om leugenachtig over verdachte te verklaren. Dat [slachtoffer 3] in strijd verklaart met de waarheid acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Daarnaast vinden die punten – zoals hieronder bij de bespreking van het ten laste gelegde zal blijken – steun in overige (objectieve) bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank doelt hierbij met name op de wetenschap van het baken onder het voertuig van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , de afspraak die zij eerder op die avond hadden en het gebruikte voertuig bij de schietpartij. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaringen in (zijn geheel) uit te sluiten van het bewijs. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het betrouwbaarheidsverweer. [slachtoffer 2] heeft in het onderzoek Filmer (feit 1) meerdere belastende verklaringen afgelegd over verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. Deze houden kort en zakelijk weergegeven in dat hij verdachte heeft herkend als schutter van de schietpartij op 9 april 2016. De rechtbank zal aan de hand van het algemene toetsingskader beoordelen of deze verklaring betrouwbaar is. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] niet op alle punten consistent heeft verklaard. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het volgende echter niet in de weg aan de betrouwbaarheid van deze getuige. De rechtbank stelt vast dat het eerste verhoor van [slachtoffer 2] enkele uren na de schietpartij is afgenomen, namelijk diezelfde dag rond 08.10 uur. Op dat moment gaf hij al aan dat de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] achter de schietpartij zaten. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 24 februari 2021 wijst [slachtoffer 2] specifiek verdachte aan als de schutter. Het is juist dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, uit dat verhoor kan worden afgeleid dat er overleg is gevoerd met zijn broer [slachtoffer 1] . Dit omdat [slachtoffer 2] tegenover de rechter-commissaris zegt dat hij er eerst van overtuigd was dat [medeverdachte 1] de schutter was, maar dat [slachtoffer 1] hem zei dat het verdachte was. Dit overleg duidt er echter naar het oordeel van de rechtbank niet op dat er sprake is van een vooropgezet plan om verdachte een hak te zetten. Dat past ook niet bij het feit dat hij zijn twijfels over de schutter eerlijk benoemt. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt juist dat niet het gesprek met zijn broer hem op andere gedachten heeft gebracht, maar het feit dat hij [medeverdachte 1] een aantal maanden later tegenkwam op straat. Op dat moment kwam [slachtoffer 2] tot het besef kwam dat niet [medeverdachte 1] , maar verdachte, de schutter is geweest. Dit omdat zijn gezichtsvorm smaller is en, zo begrijpt de rechtbank, beter bij het signalement van de schutter past. Nog afgezien daarvan is het niet onbegrijpelijk dat er tussen de [broers (slachtoffers 1 en 2)] (regelmatig) is gesproken over de mogelijke daders van de schietpartij. Dit ligt, gelet op de ernst van het feit, ook voor de hand. Daarbij verklaart [slachtoffer 2] dat hij niet heeft gezien wie het voertuig van de schutter bestuurde. Als hij al leugenachtig over de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] zou hebben willen verklaren, zoals door de raadsman gesteld, dan zou het in de rede hebben gelegen dat hij ook een bestuurder had genoemd. Nu hij dat heeft nagelaten, komt dit ten goede aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaringen in (zijn geheel) uit te sluiten van het bewijs. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging. [getuige 1] heeft in diverse onderzoeken meerdere belastende verklaringen afgelegd over verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. De rechtbank zal de verklaringen allereerst kort en zakelijk weergeven. Vervolgens zal de rechtbank aan de hand van het algemene toetsingskader beoordelen of deze verklaringen betrouwbaar zijn. In het onderzoek Košice (feit 6) heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij de handel in drugs. Uit de door hem afgelegde verklaringen volgt dat verdachte de drugs inkocht, de verkoopprijzen bepaalde, de financiën beheerde, bezorgers benaderde en vervoer voor hen regelde. Als reden van wetenschap noemt [getuige 1] dat hij gedurende twee maanden drugs heeft gedeald voor verdachte. Dit eindigde op 13 oktober 2019, toen hij samen met [medeverdachte 3] werd aangehouden in Baarn. De rechtbank overweegt dat [getuige 1] niet alleen belastend verklaart over (de groepering van) verdachte, maar ook zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt. Hierdoor wint zijn verklaring aan betrouwbaarheid. Tegelijkertijd maakt zijn betrokkenheid bij de drugshandel het ook mogelijk dat [getuige 1] uit eigen wetenschap verklaart. Het is immers aannemelijk dat hij door zijn werkzaamheden voor verdachte op de hoogte was van het reilen en zeilen binnen het Ali 24/7 netwerk. De verklaring is daarmee uit zichzelf afgelegd. Bovendien vindt de verklaring van [getuige 1] over de betrokkenheid van verdachte op diverse elementen steun in andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals de verklaring van [naam 1] (die ook een periode in drugs heeft gehandeld voor verdachte), een notitie die in zijn telefoon is aangetroffen en de processen-verbaal over de staande houding van [medeverdachte 3] . In het onderzoek Luik (feiten 2 en 7) heeft [getuige 1] verklaard dat hij van verdachte heeft gehoord dat ze [slachtoffer 3] hebben mishandeld. Verdachte heeft hiervan aan [getuige 1] ook filmpjes laten zien. De beschrijving van hetgeen [getuige 1] op de filmpjes heeft gezien komt overeen met hetgeen [slachtoffer 3] zelf heeft verklaard over wat hem is aangedaan. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank ten goede aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen. Zo beschrijft [getuige 1] dat op het eerste filmpje te zien is dat [slachtoffer 3] met een bloedend gezicht op de grond ligt en een stoot in zijn gezicht krijgt van [medeverdachte 1] . Deze beschrijving van het geweld past bij het letsel (een gebroken neus) dat op 8 juni 2019 door de kno-arts is vastgesteld bij [slachtoffer 3] . Op het tweede filmpje staat [slachtoffer 3] naakt onder de douche in het huis van [medeverdachte 3] . Hij spoelt het bloed van zijn lichaam en gezicht af. In het derde filmpje is te zien dat [slachtoffer 3] zijn laatste wens mag doen. [getuige 1] verklaart op alle drie de filmpjes de stemmen van verdachte en [medeverdachte 1] te herkennen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [getuige 1] gelet hierop voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat de beschrijvingen van de filmpjes door [getuige 1] , [naam 1] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 4] grotendeels, maar niet tot in detail overeenkomen, maakt dat de verklaring van [getuige 1] authentiek is en ‘uit zichzelf’ is afgelegd. In het onderzoek Karlsbad (feiten 3 en 4) heeft [getuige 1] verklaard dat er een ontmoeting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2019 tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [naam 1] en hemzelf, op het kamp aan de [straat 1] te Zwolle. Hier werd gesproken over het feit dat [naam 1] [slachtoffer 4] moest liquideren voor grof geld. Verdachte heeft [naam 1] hiervoor een wapen verschaft. De rechtbank stelt vast dat in diverse zaaksdossiers in de verschillende onderzoeken naar voren komt dat [getuige 1] , verdachte en [medeverdachte 1] met elkaar omgingen. Dat hij in hun omgeving waarnemingen heeft gedaan, waarover hij vervolgens heeft verklaard, is dan ook niet onaannemelijk. Daarnaast komt de verklaring van [getuige 1] overeen met hetgeen [naam 1] over de nacht van 4 augustus 2019 heeft verklaard en vindt deze steun in objectieve bewijsmiddelen, te weten zowel in de historische verkeersgegevens van zijn eigen telefoon alsook in die van de telefoon van [naam 1] . [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij op 5 oktober 2019 door verdachte en/of [verdachte] gevraagd is een GPS-tracker op te halen bij de [winkel] in Breda. Deze GPS-tracker is later ook onder het voertuig van [slachtoffer 4] aangetroffen. De verklaring van [getuige 1] hierover wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 4] en [getuige 2] . [getuige 2] verklaart daarbij nota bene dat zij op dat moment bij hem in de auto zat. Tevens vindt zijn verklaring steun in het proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2019 nu hieruit blijkt dat er in het systeem van de [winkel] te zien is dat daar op 5 oktober 2019 twee GPS-trackers zijn aangeschaft en contant zijn afgerekend. Bovendien is op de GPS-tracker, welke onder het voertuig van [slachtoffer 4] is aangebracht, DNA van een medewerker van de [winkel] aangetroffen. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [getuige 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard. Zij betrekt daarbij in haar overweging dat [getuige 1] specifieke elementen in zijn verklaring noemt, die overeenkomen met louter technisch bewijs, waaruit hoe dan ook vaststaande gegevens volgen. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaring in (zijn geheel) uit te sluiten van het bewijs. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging. [naam 1] heeft in meerdere onderzoeken belastende verklaringen afgelegd over verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. De rechtbank zal de verklaringen allereerst kort en zakelijk weergeven. Vervolgens zal de rechtbank aan de hand van het algemene toetsingskader beoordelen of deze verklaringen betrouwbaar zijn. In het onderzoek Košice (feit 6) heeft [naam 1] verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij de handel in drugs. Als reden van wetenschap noemt [naam 1] dat hij in 2019 gedurende twee weken in drugs heeft gehandeld voor verdachte. Hij was eerder door verdachte benaderd voor dit werk, maar had toen geweigerd. Toen [naam 1] later geldproblemen kreeg, had hij verdachte zelf benaderd. [naam 1] en verdachte hebben afgesproken dat hij 10% van de dagopbrengst zou krijgen. Het verdiende geld bracht hij naar verdachte en [medeverdachte 3] , die voor verdachte werkte. De rechtbank overweegt dat [naam 1] niet alleen belastend verklaart over (de groepering van) verdachte, maar ook zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt. Bovendien vindt de verklaring van [naam 1] over de betrokkenheid van verdachte op diverse punten steun in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van [getuige 1] (die ook een periode in drugs heeft gehandeld voor verdachte), een notitie die in de telefoon van [getuige 1] is aangetroffen en de processen-verbaal over de staande houding van [medeverdachte 3] . In het onderzoek Luik (feiten 2 en feit 7) heeft [naam 1] verklaard dat verdachte hem filmpjes heeft getoond van de ontvoering van [slachtoffer 3] . Hij verklaart tevens dat hij van verdachte heeft gehoord dat hij, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] [slachtoffer 3] hebben ontvoerd. De beschrijving van hetgeen [naam 1] op de filmpjes heeft gezien komt overeen met dat wat [slachtoffer 3] zelf heeft verklaard over wat hem is aangedaan. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank ten goede aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen. Ten aanzien van het eerste filmpje verklaart hij dat hij ziet dat [slachtoffer 3] bloedde en huilend ging bidden. Hij had een bloedlip, zijn neus was kapot en zijn gezicht zat onder het bloed. Deze verklaring vindt steun in hetgeen de kno-arts heeft vastgesteld op 8 juni 2019, te weten een gebroken neus. Daarnaast vindt het steun in de screenshots van het filmpje, welke zijn aangetroffen op de inbeslaggenomen iPhone die in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [slachtoffer 3] kijkt hierop angstig uit zijn ogen en heeft een bebloede dikke neus. Ook [medeverdachte 4] verklaart dit filmpje te hebben gezien. Op het tweede filmpje is volgens [naam 1] te zien dat [slachtoffer 3] naakt stond te douchen. Deze verklaring komt in hoofdlijnen overeen met de verklaringen van [getuige 1] en [slachtoffer 4] over dit filmpje. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat [naam 1] in strijd met de werkelijkheid heeft verklaard, nu [getuige 1] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 4] eveneens verklaren over de aan hen getoonde filmpjes en hun verklaringen op hoofdlijnen overeenkomen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [naam 1] gelet hierop voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat de beschrijvingen van de filmpjes door [naam 1] , [getuige 1] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 4] grotendeels, maar niet tot in detail overeenkomen, maakt dat de verklaring van [naam 1] authentiek is en ‘uit zichzelf’ is afgelegd. In het onderzoek Karlsbad (feiten 3 en 4) verklaart [naam 1] dat verdachte hem de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 4] te liquideren. Deze opdracht zou, in het bijzijn van verdachte en [getuige 1] , aan hem zijn gegeven in de nacht van 4 augustus 2019 op het kamp aan de [straat 1] te Zwolle. Dit wordt ondersteund door zowel de verklaring van [getuige 1] alsook de historische telefoongegevens van de telefoon van [naam 1] en de telefoon van [getuige 1] . Het feit dat de verklaring van [naam 1] onder andere steun vindt in meerdere louter technische bewijsmiddelen komt naar het oordeel van de rechtbank ten goede aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen. [naam 1] verklaart verder dat verdachte hem voor de moord een bedrag van € 5.000,- heeft beloofd en een automatisch vuurwapen heeft verschaft. [naam 1] verklaart verder dat hij diezelfde nacht het wapen in het bos heeft getest met verdachte. Daarnaast verklaart hij dat het wapen en de kogels op het kamp zijn schoongemaakt met WD40 olie. Hierna is [naam 1] met het automatisch vuurwapen in een tas vertrokken met een taxi vanaf het kamp. Deze verklaring van [naam 1] sluit naadloos aan op de verklaring van [getuige 1] . Bovendien verklaart [getuige 1] aanvullend in lijn hiermee dat hij in opdracht van verdachte WD40 olie is gaan ophalen. Hij heeft hierover via WhatsApp contact gehad met zijn vader. Het tijdstip van dit WhatsApp-contact komt overeen met het tijdstip van de ontmoeting op het kamp aan de [straat 1] . De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [naam 1] in strijd met de werkelijkheid heeft verklaard. Zij betrekt daarbij met name in haar overweging dat [naam 1] specifieke elementen in zijn verklaring noemt, die overeenkomen met de inhoud van technisch bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaringen in (zijn geheel) uit te sluiten van het bewijs. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging. [slachtoffer 4] heeft in meerdere onderzoeken belastende verklaringen afgelegd over verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. De rechtbank zal de verklaringen allereerst kort en zakelijk weergeven. Vervolgens zal de rechtbank aan de hand van het algemene toetsingskader beoordelen of deze verklaringen betrouwbaar zijn. In het onderzoek Luik (feiten 2 en 7) heeft [slachtoffer 4] verklaard dat hij van [slachtoffer 3] , maar ook van anderen, heeft gehoord wat hem is overkomen. Er zijn filmpjes gemaakt, waarop te zien is dat [slachtoffer 3] bloedend onder de douche staat en verdachte schreeuwt tegen [slachtoffer 3] dat hij maar moet gaan bidden voor zijn ouders omdat ze hem dood gaan maken. De beschrijving van hetgeen [slachtoffer 4] heeft gezien op de filmpjes komt overeen met dat wat [slachtoffer 3] zelf heeft verklaard over wat hem is aangedaan. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank ten goede aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 4] ondersteund door de verklaringen van [naam 1] en [getuige 1] . De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 4] in strijd met de werkelijkheid heeft verklaard, nu [getuige 1] en [naam 1] eveneens verklaren over de aan hen getoonde filmpjes en uit hun verklaringen overeenkomstige informatie met betrekking hiertoe naar voren komt. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 4] gelet hierop voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat de beschrijvingen van de filmpjes door [slachtoffer 4] , [naam 1] en [getuige 1] grotendeels, maar niet tot in detail overeenkomen, maakt dat de verklaring van [slachtoffer 4] authentiek is en ‘uit zichzelf’ is afgelegd. In het onderzoek Karlsbad (feiten 3 en 4) heeft [slachtoffer 4] verklaard dat [naam 1] naar hem toe is gekomen en heeft gezegd dat verdachte en [medeverdachte 1] hem de opdracht hadden gegeven om [slachtoffer 4] te vermoorden. [naam 1] had toen het wapen bij zich. De [broers (verdachte en medeverdachte 1)] hebben [naam 1] hiervoor € 5.000,- beloofd. Een voorschot hiervan, te weten twee keer € 200,- had [naam 1] al bij zich volgens [slachtoffer 4] . Deze verklaring van [slachtoffer 4] vindt ondersteuning in hetgeen [naam 1] heeft verklaard. Uit deze verklaring volgt onder meer dat [naam 1] enkel de moordopdracht heeft aangenomen, zodat deze niet aan een ander werd gegeven en hij (zijn oud buurjongen) [slachtoffer 4] op deze manier kon beschermen. [naam 1] verklaart dat hij dezelfde dag als dat hij de moordopdracht en het wapen kreeg naar [slachtoffer 4] toe is gegaan, om hem te vertellen over de moordplannen. De verklaring van [naam 1] in zijn geheel en daarmee ook de verklaring van [slachtoffer 4] , vindt op zichzelf weer steun in de verklaring van [getuige 1] en de historische verkeersgegevens van de telefoons van zowel [getuige 1] alsook [naam 1] . Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 4] gelet hierop voldoende steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 4] in strijd met de waarheid heeft verklaard. Zij betrekt daarbij in haar overweging dat [slachtoffer 4] ook over zijn eigen aandeel aan de ruzie met [medeverdachte 1] verklaart, die voorafging aan de moordopdracht. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaringen in (zijn geheel) uit te sluiten van het bewijs. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging. 4.4 Overwegingen per onderzoek Onderzoek Filmer (feit 1) Op 9 april 2016 rond 01.47 uur ontvangt de politie een melding dat op de Wijheseweg in Zwolle twee personen zijn beschoten. De inzittenden van het beschoten voertuig, een Mercedes met het kenteken [kenteken 3] , blijken [slachtoffer 2] (chauffeur), [slachtoffer 1] (bijzitter) en [slachtoffer 7] (zich bevindende in de laadruimte) te zijn. Zij reden vanuit Zutphen naar Zwolle en werden op de Wijheseweg ingehaald door een auto, die vervolgens naast hun voertuig bleef rijden. Vanuit dit voertuig werden door de bijrijder schoten gelost, waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gewond zijn geraakt. Volgens de geneeskundige verklaringen is het bij hen toegebrachte letsel als potentieel dodelijk aan te merken. De vraag is of verdachte betrokken is geweest bij dit delict en, zo ja, hoe deze betrokkenheid strafrechtelijk kan worden geduid. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich met een ander heeft schuldig gemaakt aan de poging tot liquidatie. Verdachte ontkent dat hij de dader is. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Zij legt daaraan primair ten grondslag dat, na uitsluiting van de onbetrouwbare getuigenverklaringen, enkel de eerste verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] overblijven, waaruit blijkt dat zij de schutter niet hebben herkend. Subsidiair geldt dat slechts sprake is van de auditu-verklaringen, die te herleiden zijn tot dezelfde bron, namelijk de [broers (slachtoffers 1 en 2)] . Bovendien hebben, volgens de raadsman, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] personen benaderd om tegen betaling een nepverklaring af te leggen tegen verdachte. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat [slachtoffer 2] op 9 april 2016 om 08.10 uur al aangeeft dat verdachte en [medeverdachte 1] ‘het’ hebben gedaan. Bij de rechter-commissaris wijst [slachtoffer 2] verdachte aan als de persoon die hen heeft beschoten. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 3] . De rechtbank merkt op dat het verweer van de raadsman, dat alles te herleiden is tot dezelfde bron, namelijk de [broers (slachtoffers 1 en 2)] , niet opgaat. [slachtoffer 3] heeft immers verklaard dat hij van verdachte, van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 2] heeft gehoord dat verdachte de schutter is geweest. De rechtbank acht deze verklaring – zoals eerder overwogen – geloofwaardig, onder meer omdat deze elementen bevat die steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zo verklaart hij dat ‘ze’ een baken hadden geplakt onder de auto van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , een zilverkleurige Mercedes. Zij werden gevolgd nadat zij die avond met meisjes hadden afgesproken. Ook heeft hij gehoord dat bij de schietpartij gebruik werd gemaakt van een donkerblauwe gestolen BMW 1-serie met een vals kenteken. Dit vindt steun in verklaringen van getuigen, die vlak voor de schietpartij in de buurt van de plaats delict een donkere BMW zagen rijden. Volgens [slachtoffer 3] ging het voertuig naast de Mercedes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] rijden en werd er geschoten met een handvuurwapen. Over dit laatste punt verklaart hij specifiek, namelijk dat verdachte met een AK 47 wilde schieten, maar dat niet heeft gedaan omdat hem dat werd afgeraden door [medeverdachte 1] . Tot slot noemt [slachtoffer 3] een motief. Volgens hem is de aanleiding van de schietpartij namelijk een ruzie, die ongeveer een maand tot anderhalve maand eerder had plaatsgevonden tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] enerzijds en [medeverdachte 1] en [naam 2] anderzijds. De rechtbank overweegt dat er meer stukken in het dossier zitten die deze ruzie bevestigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 9 april 2016 in Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een vuurwapen heeft beschoten, als gevolg waarvan zij werden geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te kwalificeren als een poging tot moord. Zij vindt daarvoor met name het voorafgaand plaatsen van een baken onder het voertuig indicatief. Het plaatsen van het baken is onder deze omstandigheden, gericht op het lokaliseren van degenen die beschoten moeten gaan worden. Dit duidt op een vooropgezet plan, omdat met behulp van dat baken de positie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is bepaald. Dit impliceert dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij heeft gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Onderzoek Košice (feit 6) Op 22 maart 2019 wordt [naam 3] aangehouden op verdenking van bezit van en handel in verdovende middelen. In zijn nektasje worden zeventien ponypacks met wit poeder, naar later blijkt cocaïne, en elf pillen, naar later blijkt xtc, aangetroffen. De telefoon van [naam 3] wordt in beslag genomen en onderzocht. Hierin worden onder meer chatgesprekken aangetroffen tussen [naam 3] en ene ‘ [naam 4] ’. Dit contact maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat te linken is aan de deallijn Ali 24/7. De appberichten zijn verstuurd in de periode van 23 februari 2019 tot en met 22 maart 2019. In de chats verstuurt [naam 4] een groot aantal adressen/locaties in Zwolle en omgeving, in totaal 174, naar [naam 3] . Hier moet hij langsgaan met SOS, SNOEP, KIP, 3MC en hasj. Uit nader onderzoek blijkt dat het codewoorden zijn voor cocaïne, xtc pillen en 3MMC. Ook wordt er gesproken over papier, wat volgens de politie papiergeld betekent. Op 23 mei 2019 wordt [medeverdachte 3] in een voertuig, een Mercedes C 220, met het kenteken [kenteken 4] , staande gehouden in Zwolle. Zij appt naar ‘ [bijnaam verdachte] ’, van wie de rechtbank heeft vastgesteld dat het de bijnaam van verdachte betreft, dat zij is stopgezet door de politie en dat haar auto wordt doorzocht. Hierop vraagt [bijnaam verdachte] waar het papier is, waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat het in de auto ligt, onder de stoel. Ze vraagt vervolgens aan [bijnaam verdachte] om hoeveel geld het precies gaat en krijgt als antwoord ‘23625’. De politie treft onder de bestuurdersstoel een plastic tas aan waarin een contact geldbedrag zit van € 23.625,-. Het dossier bevat meerdere getuigenverklaringen dat dit geld afkomstig is uit de drugshandel. Op 22 september 2019 meldt [naam 1] zich op het politiebureau in Zwolle. Hij verklaart daar onder meer dat hij in april 2019 gedurende twee weken dagelijks drugs heeft rondgebracht voor verdachte. Het geld dat hij verdiende bracht hij naar verdachte of naar een meisje dat voor hen werkt, genaamd [medeverdachte 3] . Dit meisje rijdt in een Mercedes C klasse en op een bruine scooter. Zij was ook degene die hem bevoorraadde. [naam 1] was na die twee weken gestopt, omdat hij nog een gevangenisstraf moest uitzitten. Kort na zijn vrijlating, nam [medeverdachte 3] contact met hem op via de ‘Ali lijn’. Op 13 oktober 2019 maakt een bewoner melding van een verdachte situatie in Blaricum. Dit leidt tot een politieachtervolging van het voertuig waarvan de verdachten gebruik maken, zijnde een Ford Ka, met het kenteken [kenteken 5] . Uiteindelijk worden twee van de drie verdachten aangehouden in Baarn, namelijk [medeverdachte 3] en [getuige 1] . De derde verdachte weet te ontkomen aan de politie. In de kofferbak van de Ford Ka wordt onder meer een Apple iPhone 6S aangetroffen, met het IMEI-nummer [nummer 1] . Uit onderzoek naar de telefoon blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] wordt gebruikt voor WhatsApp. Hiermee worden drugsgerelateerde chats gevoerd met klanten, in die zin dat er bestellingen worden geplaatst en een locatie wordt afgesproken voor de overdracht. Vervolgens worden er bezorgers aangestuurd om die drugs op de afgesproken plek af te leveren. Op de telefoon zijn useraccounts aangetroffen die de politie linkt aan verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Op 28 oktober 2019 worden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in een voertuig, een Peugeot 307, met het kenteken [kenteken 6] staande gehouden bij de BP in Zwolle. Zij hebben een hond bij zich. Een verbalisant ziet dat [medeverdachte 3] op dat moment een champagnekleurige iPhone in haar hand heeft. Tijdens de controle laat [medeverdachte 3] de hond uit rondom het tankstation. Nadat de controle is afgerond, controleren de verbalisanten de route die zij heeft gelopen in verband met het mogelijk verstoppen van bewijsmateriaal. Een verbalisant vindt onder een esdoornhaag twee geldrollen en een champagnekleurige iPhone, met het IMEI-nummer [nummer 2] (hierna aangeduid als: ‘de moddertelefoon’), die deels in de ondergrond zijn weggedrukt. Uit onderzoek naar de telefoon blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] wordt gebruikt voor WhatsApp. Hiermee worden drugsgerelateerde chats gevoerd met klanten, in die zin dat er bestellingen worden geplaatst en een locatie wordt afgesproken voor de overdracht. Vervolgens worden er bezorgers aangestuurd om die drugs op de afgesproken plek af te leveren. Op de telefoon zijn useraccounts aangetroffen die de politie linkt aan verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Bovenstaande gebeurtenissen leiden tot de start van het strafrechtelijk onderzoek Košice. De vraag is of verdachte een strafbare rol heeft gespeeld in de drugshandel die daarin centraal wordt gesteld. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Verdachte ontkent echter zijn betrokkenheid daarbij. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde. Zij voert daartoe aan dat er geen enkel bewijsmiddel is dat leidt tot de conclusie dat verdachte heeft gehandeld in drugs. Er zijn geen afnemers die verklaren dat zij van verdachte drugs hebben gekocht. Dat er in een telefoon een notitie wordt aangetroffen waarin staat ‘ [bijnaam verdachte] weet bedrag niet’ is onvoldoende voor een veroordeling, wat ook geldt voor de omstandigheid dat verdachte op de hoogte zou zijn van een geldbedrag dat [medeverdachte 3] bij zich zou hebben gehad. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij, naar eigen zeggen in de zomer van 2019 gedurende twee maanden voor de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] heeft gehandeld in drugs. Hij verklaart dat verdachte en [medeverdachte 1] in het begin wel zelf drugs verkochten, maar vaak door de politie werden gecontroleerd en daarom mensen aannamen om dit voor hen te doen. Volgens [getuige 1] was [medeverdachte 3] de rechterhand van verdachte en [medeverdachte 1] , in die zin dat zij hun drugs en geld beheerde. Zij bevoorraadde de bezorgers met drugs die zij kreeg van verdachte en van [medeverdachte 1] . Deze werden ingekocht in het westen van het land. De bezorgers, door [getuige 1] ‘loopjongens’ genoemd, kwamen via verdachte bij [medeverdachte 3] terecht. Verdachte was degene die deze jongens ronselde of bij wie de jongens zich meldden voor werk. De loopjongens maakten gebruik van vervoer dat verdachte en [medeverdachte 1] voor hen regelden. [getuige 1] verklaart dat hij 10% van de dagopbrengst zou verdienen en dat hij de rest van het geld moest afdragen aan [medeverdachte 3] en verdachte. De prijzen van de drugs waren vooraf bepaald door verdachte en [medeverdachte 1] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] , dat hij geld moest afstaan aan verdachte, steun vindt in een notitie die is aangetroffen op een telefoon die te linken is aan [getuige 1] . Deze notitie is gemaakt tussen 3 augustus 2019 en 18 augustus 2019 en bevat onder andere de tekst: “2x papier gegeven [bijnaam verdachte] weet bedrag niett”. De rechtbank merkt hierbij op dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat “ [bijnaam verdachte] ” een bijnaam is van verdachte. Zijn verklaring dat [medeverdachte 3] het geld van de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] beheerde, past ook bij haar staande houding op 23 mei 2019. Zij kan dan uit eigen wetenschap niet zeggen hoeveel geld er precies in de plastic tas zit en wendt zich daarom tot verdachte, die precies het juiste geldbedrag noemt. Ook [naam 1] zegt dat hij voor verdachte en [medeverdachte 3] heeft gehandeld in drugs in april 2019. Bovendien benoemt [naam 1] , net als [getuige 1] , dat hij 10% van de dagopbrengst zou verdienen. De rest van het geld droeg hij af aan verdachte of aan [medeverdachte 3] . Daarnaast verklaart ook [medeverdachte 4] voor de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] in drugs gehandeld te hebben vanaf het voorjaar van 2019. Eveneens verklaart zijn broer [naam 5] dat hij in drugs heeft gehandeld voor de Ali 24/7 lijn waarvan hij heeft gehoord dat verdachte en [medeverdachte 1] eigenaren zijn. Uit bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte een coördinerende rol had in het Ali 24/7 netwerk waarmee een zeer groot aantal afnemers werd bediend. Hij kocht de drugs in, bepaalde de verkoopprijzen, beheerde de financiën, benaderde bezorgers en regelde vervoer voor hen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen voldoende zijn om te kunnen spreken van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking. Voornoemde gedragingen van verdachte zijn van zodanige aard dat daarin ook het opzet op het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne ligt besloten. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 6 ten laste gelegde feit. Uit de verklaring van afnemer [naam 6] blijkt dat de Ali 24/7 lijn, waaraan verdachte was verbonden, reeds actief was in november 2017. De einddatum van de pleegperiode is bepaald nabij de datum van aanhouding van verdachte in Gronau, op 28 oktober 2019. Onderzoek Bilbao (feit 8) Op 13 december 2018 doet [slachtoffer 6] , eigenaar van een autoverhuurbedrijf in Utrecht, aangifte van verduistering van een Mercedes C63 AMG, met het kenteken [kenteken 2] . Hij had dit voertuig voor de periode van 9 december 2018 tot en met 11 december 2018 verhuurd aan een persoon, genaamd [naam 7] . Deze huurder heeft [slachtoffer 6] op de retourdatum medegedeeld dat de auto was gestolen. Op 12 december 2018 heeft [naam 7] aangifte gedaan van die diefstal, gepleegd aan de [straat 2] in Emmeloord. Dit is tevens de laatst bekende GPS locatie die de verhuurder kon achterhalen. Omdat de auto daar niet werd aangetroffen, rees het vermoeden dat de GPS tracker van het voertuig was verwijderd. Hierop heeft de verhuurder samen met twee vrienden verhaal gehaald bij [naam 7] . Nadat de politie wordt ingeschakeld, verklaart [naam 7] dat hij de auto onder dwang heeft afgegeven aan verdachte, die hem daarna via WhatsApp heeft opgedragen om een valse aangifte van diefstal te doen. De vraag is of verdachte betrokken is geweest bij dit delict. Volgens de officier van justitie bevat het dossier daartoe voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging bepleit echter vrijspraak van het onder 8 ten laste gelegde feit. Verdachte betwist de juistheid van de verklaring van [naam 7] over zijn betrokkenheid. Ook als de rechtbank vaststelt dat het telefoonnummer waarmee [naam 7] contact heeft gehad aan verdachte toebehoort, bewijst dat nog niet dat verdachte die auto ook heeft verduisterd, aldus de verdediging. De belastende informatie rondom [naam 8] kan daarbij ook niet als bewijs worden gebruikt, nu de verdediging hem niet heeft mogen horen. De rechtbank overweegt dat er onderzoek is gedaan aan de telefoon van [naam 7] . Hierin staat een contact, opgeslagen als [verdachte] , met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Het eerste WhatsAppcontact vindt plaats op 8 december 2018 om 15.09 uur. In die chat wordt gesproken over het huren van een auto en het betalen van borg. Ook krijgt [naam 7] instructies voor het doen van aangifte. Zo zegt het contact onder de naam [verdachte] dat de auto aan de [straat 2] in Emmeloord stond en dat [naam 7] dat moet zeggen. De politie doet vervolgens onderzoek naar de historische printgegevens van het eerder genoemde telefoonnummer over de periode 8 december 2018 tot en met 12 december 2018. Hieruit blijkt onder meer dat de simkaart in dat tijdsbestek onder andere in een Apple iPhone XS, met het IMEI-nummer [nummer 3] , heeft gezeten. Deze telefoon heeft op 10 december 2018 om 22.34 uur een mast aangestraald aan de Industrieweg 1 in Emmeloord. Deze mast is ongeveer 360 meter verwijderd van de [straat 2] in Emmeloord, waar het gehuurde voertuig zou zijn weggenomen. Om te achterhalen wie op dat moment de gebruiker was van de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , is gekeken naar de contacten in de onderzochte periode. Het valt de verbalisanten op dat een aantal contacten te linken is aan verdachte, zoals het kantoor van zijn voorkeursraadsman en zijn schoonzus. Ook werd er op internet gezocht naar het landnummer van Afghanistan, het land waar verdachte is geboren, en is er gebeld met de Afghaanse ambassade. Tot slot is het bewuste toestel op 8 maart 2019 onder verdachte in beslag genomen. De rechtbank is, gelet voorgaande, van oordeel dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ten tijde van het feit bij verdachte in gebruik was. Nu hieruit volgt dat verdachte [naam 7] heeft aangestuurd om de auto te huren, instructies heeft gegeven over het doen van valse aangifte en hem heeft gedwongen de auto af te geven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij zich in de periode van 10 december 2018 tot en met 12 december 2018 in Zwolle tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan het verduisteren van een Mercedes C63 AMG, met het kenteken [kenteken 2] . De rechtbank gaat uit van de pleegplaats Zwolle, omdat het voertuig daar is toegeëigend door middel van het indienen van een valse aangifte door [naam 7] . De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde feit. Onderzoek Luik (feiten 2 en 7) Op 30 oktober 2019 doet [slachtoffer 3] aangifte bij de politie van mishandeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal van zijn Audi S7. Hij verklaart dat hij naar Stadshagen is gelokt en aldaar in elkaar is geslagen. Als gevolg van het tegen hem gepleegde geweld heeft [slachtoffer 3] een gebroken neus opgelopen. Vervolgens is [slachtoffer 3] meegenomen naar een woning, alwaar hij is bedreigd, vernederd en er met een mes in zijn benen en armen is geprikt. Er is € 30.000,- van hem geëist en hij moest zijn kleren uitdoen en zich in het bijzijn van de daders douchen. Voornoemde geweldshandelingen en bedreigingen zijn (deels) gefilmd. Zijn telefoon, kleding, sleutels en geld heeft hij nooit meer teruggezien. Tevens hebben de daders zich via zijn Snapchat-account voorgedaan als zijnde [slachtoffer 3] en hebben contact gezocht met [naam 9] , om vervolgens – zogenaamd in opdracht van [slachtoffer 3] – zijn Keyless wave kast bij [naam 9] op te halen. Na dit alles is [slachtoffer 3] vervoerd naar het Marsbos, waar hij zijn laatste wens mocht doen, terwijl er van dichtbij een vuurwapen met geluidsdemper op hem werd gericht. Uiteindelijk is [slachtoffer 3] op enig moment ergens afgezet. De vraag is of verdachte betrokken is geweest bij de hem in dit onderzoek ten laste gelegde feiten en zo ja, hoe deze betrokkenheid strafrechtelijk kan worden geduid. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Daarnaast heeft verdachte zich volgens de officier van justitie schuldig gemaakt aan diefstal van een Audi S7 met het kenteken [kenteken 1] . Verdachte ontkent beide ten laste gelegde feiten te hebben begaan. De verdediging bepleit dan ook integrale vrijspraak van het onder 2 en 7 ten laste gelegde en beroept zich hiertoe op de bewijsminimumregels van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Verdachte kan niet enkel op basis van de verklaringen van [slachtoffer 3] worden veroordeeld. Voor een veroordeling dient er minimaal een tweede van de aangever onafhankelijke bewijsgrond te zijn. Dit geldt temeer nu uit hetgeen de verdediging heeft besproken, is gebleken dat [slachtoffer 3] bereid is om niet de waarheid tegen de politie te spreken. De verdediging stelt zich op het standpunt dat steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 3] ontbreekt, omdat in het dossier slechts sprake is van de auditu-verklaringen die te herleiden zijn tot dezelfde bron, namelijk [slachtoffer 3] . Diefstal met geweld (feit 2) De rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer 3] van 30 oktober 2019 als uitgangspunt en toetst of deze steun vindt in andere bewijsmiddelen. [slachtoffer 3] verklaart dat hij door [medeverdachte 5] is opgehaald en naar Stadshagen is gebracht. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 3] , die heeft gezien dat [slachtoffer 3] op 6 juni 2019 ‘s avonds werd opgehaald bij hun huis door [medeverdachte 5] . Zij verklaart daarbij dat [medeverdachte 5] die avond bang en gespannen keek. [slachtoffer 3] verklaart verder dat, eenmaal aangekomen in Stadshagen, verdachte en [medeverdachte 1] hen op de weg stonden op te wachten. [medeverdachte 5] stopte het voertuig en haalde de autosleutel uit het stopcontact. [slachtoffer 3] werd vervolgens door beide mannen in elkaar geslagen. Verdachte en [medeverdachte 1] schopten op [slachtoffer 3] in, terwijl hij op de grond lag en hij werd door [medeverdachte 1] van achteren op zijn hoofd geslagen. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Hij verklaart dat verdachte hem filmpjes liet zien op zijn telefoon van de mishandeling van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] lag daarbij op de grond met een bloedend gezicht en kreeg vervolgens nog een stoot van [medeverdachte 1] in zijn gezicht. [slachtoffer 3] bloedde hevig uit zijn neus, aldus [getuige 1] . Hij verklaart verder dat dit volgens verdachte gebeurde bij de Milligerplas. Voorts blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 3] dat [medeverdachte 3] vervolgens komt aanrijden in een witte Volkswagen Polo. Hij moest instappen en werd meegenomen naar haar woning. Hij verklaart daar vervolgens te zijn bedreigd, vernederd en door verdachte met een mes in zijn benen en armen te zijn geprikt. Verdachte eiste € 30.000,- van [slachtoffer 3] en ook zijn Keyless wave kast. [slachtoffer 3] geeft in zijn aangifte aan dat [medeverdachte 5] dakloos was en bij hem in woonde. Hij wist alles van hem en dus ook dat hij een Keyless wave kast in zijn bezit had, die [naam 9] op dat moment voor hem bewaarde. [medeverdachte 5] heeft vervolgens met de telefoon van [slachtoffer 3] – als zijnde hem – via Snapchat contact gezocht met [naam 9] en heeft toen samen met [medeverdachte 1] – zogenaamd in opdracht van [slachtoffer 3] – bij hem de Keyless wave kast opgehaald. [slachtoffer 3] moest volgens zijn aangifte ondertussen in de woning van [medeverdachte 3] onder bedreiging van een vuurwapen zijn kleren uittrekken en douchen. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 1] en [slachtoffer 4] . Zij verklaren dat zij op beelden hebben gezien dat [slachtoffer 3] bloedend onder de douche staat en verdachte tegen hem schreeuwt “dat hij maar moet bidden voor zijn ouders, omdat ze hem dood gaan maken”. Daarnaast verklaart [naam 1] dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat [slachtoffer 3] moest douchen, omdat dan het bewijs weg zou zijn. [getuige 1] verklaart hierover dat verdachte hem heeft verteld dat ze [slachtoffer 3] hebben mishandeld. Verdachte heeft hem drie filmpjes hiervan laten zien. Op één filmpje staat [slachtoffer 3] naakt onder de douche in de woning van [medeverdachte 3] . Hij spoelt het bloed van zijn gezicht en lichaam. [getuige 1] verklaart de stemmen van verdachte en [medeverdachte 1] te herkennen op de filmpjes. Bovendien verklaart [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] hem een filmpje heeft laten zien, waarop te zien is dat [slachtoffer 3] in elkaar wordt geslagen en onder bedreiging van een vuurwapen zijn kleren uit moet trekken. Hij had dit eerder ook al gehoord van verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en zij waren hier allen bij betrokken. [slachtoffer 3] heeft verder verklaard dat hij na het douchen een korte broek en een T-shirt met de opdruk ‘Queen 01’ aankreeg. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 3] . Zij verklaart dat zij een paar dagen later in de was een T-shirt tegenkwam dat voor haar onbekend was en zij vroeg [slachtoffer 3] ernaar. [slachtoffer 3] verklaart hierover dat het een T-shirt van [medeverdachte 3] betreft en dat hij deze heeft gekregen na de ontvoering en mishandeling, nadat hij zich had gedoucht. Hij is in dit T-shirt naar huis gegaan. Zijn eigen kleding, sleutels, geld en telefoon verklaart [slachtoffer 3] nooit meer terug te hebben gezien. Tot slot verklaart [slachtoffer 3] dat hij met [medeverdachte 1] mee moest rijden in de Volkswagen Polo naar het Marsbos. Daar richtte verdachte van dichtbij (ongeveer een meter afstand) een vuurwapen met geluidsdemper op hem, meer specifiek op zijn gezicht. Verdachte zei tegen [slachtoffer 3] “ik heb al een graf voor je gegraven en ik zal je dood schieten”. Dit vindt steun in de verklaring van [getuige 1] , waaruit blijkt dat hij op het filmpje dat verdachte hem toonde zag dat [slachtoffer 3] zijn laatste wens mocht doen, omdat ze hem gingen vermoorden. Zoals eerder aangehaald, herkent [getuige 1] ook de stem van verdachte op dit filmpje. Dat de diefstal is voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door geweld wordt bevestigd door de medische gegevens. Hieruit blijkt dat [slachtoffer 3] het ziekenhuis heeft bezocht op 8 juni 2019, alwaar een gebroken neus bij hem is vastgesteld. Daarnaast zitten er screenshots van een filmpje in het dossier, waarop te zien is dat [slachtoffer 3] angstig uit zijn ogen kijkt, een bebloede dikke neus heeft en zijn handen constant in de buurt van zijn hoofd houdt. Op enig moment is op het filmpje zelf te zien dat [slachtoffer 3] naar achteren valt en zijn hoofd beschermt. Dit wordt gevolgd door een harde dreun. Bovendien verklaart [getuige 3] dat zij op 8 juni 2019 heeft gezien dat [slachtoffer 3] een dikke neus en lip had. Ook had hij allemaal plekken in zijn gezicht. Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] wél voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zoals in het voorgaande uiteengezet. De rechtbank overweegt verder in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, dat het handelen zoals hiervoor is beschreven, te weten het met vervalste toestemming ophalen van een Keyless wave kast, gekwalificeerd kan worden als het wegnemen van een goed dat toebehoort aan een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Dat de Keyless wavekast toebehoorde aan [slachtoffer 3] , volgt uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin [slachtoffer 3] de kast herkent als de zijne aan de gele garantiestickers en de stickers van het merk Apple. Daarbij verklaart ook [naam 9] dat er stickers met het logo van Apple op de kast waren geplakt. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde handelingen van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm voldoende zijn om te kunnen spreken van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking. Er is overduidelijk sprake van een vooropgezet gezamenlijk plan en eveneens van een gezamenlijke daadwerkelijke uitvoering. Verdachte heeft willens en wetens met zijn mededaders samengewerkt, met het oog op het verrichten van de diefstal met geweld. De gedragingen van verdachte zijn daarnaast van zodanige aard dat daarin ook het opzet op de diefstal met geweld ligt besloten. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 6 juni 2019 tot en met 7 juni 2019, tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van kleding, een telefoon, geld, huissleutels en een Keyless wave kast voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door geweld. De rechtbank komt, gelet op het hiervoor overwogene, anders dan door de verdediging bepleit, tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde. Diefstal Audi S7 (feit 7) De rechtbank overweegt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is op basis waarvan vastgesteld kan worden dat verdachte de Audi S7 van [slachtoffer 3] heeft gestolen. Wel blijkt uit het dossier dat het motorblok uit de Audi S7 van [slachtoffer 3] is aangetroffen in het voertuig van verdachte met kenteken [kenteken 7] . Echter, dit motorblok is hierin pas enige tijd na de diefstal aangetroffen. Verdachte verklaart dit voertuig gekocht te hebben van [medeverdachte 3] . Niet is uit het dossier gebleken op welk moment verdachte kentekenhouder is geworden van voornoemd voertuig en dus ook niet of dit vóór of ná de diefstal is geweest. Bovendien is het motorblok volgens een brief met een al dan niet vervalste dan wel gedwongen handtekening verkocht aan [medeverdachte 3] . Hierdoor heeft verdachte het motorblok (mogelijk) te goeder trouw verkregen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit bovengenoemde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat verdachte de Audi S7 van [slachtoffer 3] heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, zodat de rechtbank verdachte van het onder 7 ten laste gelegde zal vrijspreken. Onderzoek Karlsbad (feiten 3 en 4) Op 22 september 2019 rond 18.00 uur meldt [naam 1] zich op het politiebureau. [naam 1] verklaart dat hij begin augustus 2019 van verdachte en [medeverdachte 1] de opdracht heeft gekregen om [slachtoffer 4] te vermoorden. [slachtoffer 4] moest om het leven worden gebracht, omdat hij diezelfde dag gevochten had met [medeverdachte 1] , met wie hij al jaren ruzie heeft. [naam 1] wordt € 5.000,- beloofd voor het plegen van de moord en hem wordt een automatisch vuurwapen verschaft. Dit automatisch vuurwapen en de bijbehorende kogels worden ’s nachts schoongemaakt en getest. Na afloop hiervan vertrekt [naam 1] met het automatisch vuurwapen in een tas met de taxi. Het blijkt dat [naam 1] juist bevriend is met [slachtoffer 4] , een oud buurjongen van hem, zodat hij helemaal niet van plan is hem van het leven te beroven. [naam 1] heeft de opdracht aangenomen, om te voorkomen dat iemand anders [slachtoffer 4] zou liquideren. [naam 1] is na het krijgen van de moordopdracht en het vuurwapen naar [slachtoffer 4] toegegaan en heeft hem over de moordplannen verteld. [naam 1] heeft de opdrachtgevers na die tijd zo’n anderhalve maand aan het lijntje gehouden. Na verloop van tijd raakte het geduld op en werd het idee geopperd om een GPS-tracker onder het voertuig van [slachtoffer 4] aan te brengen, zodat ze zijn plaats konden bepalen en hem in zijn woning konden vermoorden. Het plaatsen van het baken zou zijn gebeurd op 7 oktober 2019. [slachtoffer 4] heeft een dag later onder zijn voertuig ook daadwerkelijk een GPS-tracker aangetroffen en hiervan melding gemaakt bij de politie. De vraag is of verdachte betrokken is geweest bij de hem in dit onderzoek ten laste gelegde feiten en zo ja, hoe deze betrokkenheid strafrechtelijk kan worden geduid. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte in vereniging met anderen heeft gepoogd de liquidatie van [slachtoffer 4] uit te lokken, door hiertoe opdracht te geven aan [naam 1] en voornoemde hiervoor een geldbedrag van € 5.000,- te beloven en een automatisch vuurwapen te verschaffen. Verdachte is volgens de officier van justitie eveneens schuldig aan het in vereniging met anderen voorbereiden van de liquidatie van [slachtoffer 4] , door het verwerven en voorhanden hebben van voornoemd automatisch vuurwapen en een plaatsbepalend baken. Verdachte ontkent beide ten laste gelegde feiten te hebben begaan. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 3 legt zij daaraan primair ten grondslag dat, na uitsluiting van de onbetrouwbare getuigenverklaringen, geen steunbewijs in het dossier aanwezig is voor het geven van de opdracht tot liquidatie van [slachtoffer 4] aan [naam 1] , het daartoe beloofde geldbedrag en het verschaffen van het wapen. Subsidiair doet de verdediging een beroep op de bewijsminimumregels van artikel 342 lid 2 Sv. Verdachte kan niet worden veroordeeld enkel op basis van de verklaringen van [naam 1] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat steunbewijs voor de verklaringen van [naam 1] in zijn geheel ontbreekt, dan wel dat in het dossier slechts sprake is van de auditu-verklaringen die te herleiden zijn tot dezelfde bron, namelijk [naam 1] . Ten aanzien van feit 4 stelt de verdediging primair dat niet bewezen kan worden dat verdachte op enig moment een plaatsbepalend baken en/of een automatisch vuurwapen heeft verworven, dan wel voorhanden heeft gehad. Subsidiair is er volgens de verdediging onvoldoende bewijs voor het voorhanden hebben van het plaatsbepalend baken, met als doel iemand om het leven te brengen. Poging uitlokking moord (feit 3) In artikel 46a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gaat het om tot een ander gerichte gedragingen die niet ertoe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf (in dit geval moord), waarop die gedragingen waren gericht. Voorts verdient opmerking dat artikel 46b Sr, voor zover nu van belang, ziet op een van de in artikel 46a Sr voorziene situaties, te weten dat, nadat de ander daadwerkelijk is bewogen, het door toedoen van de aanstichter, niet tot een begin van uitvoering komt. Uit deze overwegingen valt af te leiden dat artikel 46a Sr ook ziet op de situatie dat de ander daadwerkelijk wordt bewogen, maar het toch niet tot een begin van uitvoering komt. Ook de zonder gevolg gebleven uitlokking valt dus volgens de Hoge Raad onder het bereik van artikel 46a Sr. De rechtbank acht, zoals eerder overwogen, de verklaring van [naam 1] betrouwbaar en zij stelt in haar overwegingen zijn verklaring centraal. [naam 1] meldt zich op 22 september 2019 bij de politie en verklaart dat hij begin augustus 2019 van verdachte de opdracht heeft gekregen om [slachtoffer 4] te vermoorden. [naam 1] verklaart van verdachte een bericht te hebben ontvangen met het verzoek om naar hem toe te komen. [naam 1] heeft verdachte vervolgens ontmoet op het kamp aan de [straat 1] in Zwolle Zuid. Na een half uur kwamen verdachte en [getuige 1] ook ter plaatse. Verdachte liet [naam 1] een foto zien van [slachtoffer 4] en zei “hij moet weg”. Hij zei ook letterlijk dat [slachtoffer 4] vermoord moest worden. [naam 1] verklaart verder dat verdachte hem € 5.000,- heeft beloofd voor het uitvoeren van de moord en hem hiervoor een automatisch vuurwapen heeft verschaft. Dit vuurwapen hebben [naam 1] en verdachte samen opgehaald uit een bos in Zwolle Zuid. Verdachte heeft het wapen en de bijbehorende kogels vervolgens schoongemaakt met WD40 olie en [naam 1] , [getuige 1] en verdachte hebben het wapen die nacht getest. Na afloop hiervan is [naam 1] met het wapen in een tas vertrokken vanaf het kamp met een taxi. De vraag is of de verklaring van [naam 1] over het daderschap van verdachte steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en baseert dat op het volgende. De verklaring van [naam 1] komt overeen met de verklaring van [getuige 1] . Hij bevestigt dat er op het kamp voor de woonwagen door verdachte werd gesproken over het feit dat [naam 1] , [slachtoffer 4] moest liquideren voor grof geld. [getuige 1] zelf en [medeverdachte 1] waren hier ook bij, aldus de verklaring van [getuige 1] . Verdachte vertelde hoe [naam 1] dat moest doen. Vervolgens gaf verdachte volgens [getuige 1] aan [naam 1] een wapen. Het was volgens [getuige 1] een wapen lijkend op een MP 40. De rechtbank overweegt dat [getuige 1] het voorgaande naar eigen zeggen kan verklaren, nu [naam 1] verklaart dat [getuige 1] erbij was en uit de historische verkeersgegevens van de telefoon met het IMEI-nummer [nummer 4] , toebehorende aan [getuige 1] , is gebleken dat dit nummer op 4 augustus 2019 om 02:22 uur gebruik maakt van een mast aan de Energieweg 30 te Zwolle met Cell ID 1789729. Op basis hiervan is het aannemelijk dat voornoemd toestel zich op dat moment in de buurt van de [straat 1] in Zwolle bevond, wat in het dekkingsgebied ligt van de Cell ID 1789729. Verder is uit de historische verkeersgegevens en de gegevens uit de telefoon van [naam 1] is gebleken dat er inderdaad sprake kan zijn geweest van een ontmoeting van verdachte, [medeverdachte 1] , [naam 1] en [getuige 1] in de omgeving van de [straat 1] . Bij het uitlezen is gebleken dat de ‘GPS locatiegegevens’ van het toestel van [naam 1] aan stonden. Op 4 augustus 2019 om 02:25:00 uur gaf het toestel een locatie aan in de buurt van de [straat 1] te Zwolle. De telefoons van verdachte en [medeverdachte 1] registreren deze locatie ook, in elk geval tot 03.18 uur. Bovendien is het wapen door verdachte schoongemaakt met WD40 olie. [getuige 1] verklaart dat verdachte hem had gevraagd deze WD40 olie te regelen. Hij heeft dit opgehaald bij zijn vader. Zijn vader verklaart hierover dat WD40 olie is tegen roest. Hij heeft dit in huis en herinnert zich dat [getuige 1] hiernaar heeft gevraagd. De volgende dag lag de olie er niet meer. Van deze conversatie zijn ook ondersteunende chatgesprekken aanwezig in het dossier gedateerd 4 augustus 2019 tussen 01.17.42 uur en 01.23.09 uur. Verder zijn er op het telefoontoestel van [naam 1] twee filmpjes aangetroffen. Op het ene filmpje wordt door een persoon een automatisch vuurwapen getoond en op het andere filmpje wordt er geschoten met het automatische vuurwapen. Deze filmpjes zijn beide gemaakt op 4 augustus 2019, de dag waarop de moordopdracht is gegeven en het wapen is verschaft door verdachte. Tot slot vindt de verklaring van [naam 1] met betrekking tot de opdracht tot liquidatie steun in de verklaring van [slachtoffer 4] . Hieruit volgt dat [naam 1] naar hem toe is gekomen met een wapen en de mededeling dat hij de opdracht heeft gekregen van verdachte en [medeverdachte 1] om hem om het leven te brengen. Dat deze ontmoeting heeft plaatsgevonden wordt bevestigd in de historische verkeersgegevens van de telefoons van [naam 1] en [slachtoffer 4] . Ten aanzien van deze in de tenlastelegging als laatst geformuleerde uitlokkingshandeling, te weten het door een ander laten aanbrengen van een plaatsbepalend baken onder het voertuig van [slachtoffer 4] , overweegt de rechtbank dat de verklaring van [medeverdachte 4] hier als uitgangspunt geldt, mede omdat hij zijn eigen rol hierin gedetailleerd beschrijft. Hij verklaart dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat er een GPS-tracker geplaatst moest worden onder het voertuig van [slachtoffer 4] , zodat ze konden zien wanneer [slachtoffer 4] er weer aan zou komen. [getuige 1] heeft die GPS-tracker opgehaald in opdracht van de [broers (verdachte en medeverdachte 1)] . Vervolgens verklaart [medeverdachte 4] gebeld te zijn door [medeverdachte 3] , met de mededeling dat hij ‘wat’ moest doen. Zij heeft hem op de scooter opgehaald en liet hem de auto zien waaronder hij een GPS-tracker moest aanbrengen. [medeverdachte 3] zette hem af in de omgeving van de woning van [slachtoffer 4] en gaf hem instructies over hoe de GPS-tracker geplakt en aangezet moest worden. [medeverdachte 4] heeft de GPS-tracker uiteindelijk onder het voertuig geplaatst. In eerste instantie had hij de GPS-tracker per ongeluk uitgezet, maar nadat dit door iemand werd doorgegeven aan [medeverdachte 3] , heeft hij de GPS-tracker alsnog aangezet. De verklaring van [medeverdachte 4] vindt steun in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] verklaart dat verdachte op het kamp vertelde dat [naam 1] [slachtoffer 4] eerst moest observeren, alvorens hij hem zou liquideren. Daarnaast blijkt uit zijn verklaring dat hij door verdachte en/of [medeverdachte 1] is gevraagd om een GPS-tracker op te halen. Hij kreeg van verdachte een adres van de [winkel] in Breda. Hier heeft hij op 5 oktober 2019 samen met [getuige 2] de GPS-tracker opgehaald. Dit wordt door haar bevestigd en komt overeen met de historische verkeersgegevens van de telefoon met het IMEI-nummer [nummer 5] , toebehorende aan [getuige 2] en van de telefoon met het IMEI-nummer [nummer 6] , toebehorende aan [getuige 1] , waarop op dat moment een reisbeweging te zien is naar Breda. [getuige 1] verklaart achteraf gehoord te hebben dat ze deze GPS-tracker onder de auto van [slachtoffer 4] wilden plakken. De [broers (verdachte en medeverdachte 1)] hebben hem gevraagd dit te doen, maar dat heeft hij geweigerd. Bovendien volgt uit de chatgesprekken die [getuige 1] op 5 oktober 2019 heeft met de Ali 24/7 telefoon, dat hij de GPS-tracker in opdracht van verdachte moest ophalen. Degene die op dat moment de lijn gebruikt, volgens [getuige 1] is dat [medeverdachte 3] , vraagt of ze al in Breda zijn. [getuige 1] vraagt vervolgens het adres en krijgt het antwoord dat zij dit aan ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ moet navragen. [bijnaam 2 verdachte] betreft een van de bijnamen van verdachte. Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2019 dat in het systeem van de [winkel] Breda te zien is dat op 5 oktober 2019 twee GPS-trackers zijn aangeschaft en contant zijn afgerekend in de winkel. Bovendien is op de GPS-tracker die onder het voertuig van [slachtoffer 4] is aangebracht DNA van een medewerker van de [winkel] Breda aangetroffen. Daarnaast zijn er op de telefoon van verdachte ná 5 oktober 2019 meerdere handelingen te zien die te herleiden zijn naar het bezoeken van de site “trackitt.nl” en het aanschaffen van de GPS-tracker. Zo is in de telefoon met IMEI-nummer [nummer 7] , die in beslag is genomen in de woning van verdachte, een foto aangetroffen van een papiertje met het opschrift: “Trackitt Inloggegevens”, gedateerd 5 oktober 2019 en stralen de telefoon van verdachte en de GPS-tracker gelijktijdig dezelfde zendmasten aan. Dit sluit aan bij de verklaring van [getuige 1] dat verdachte de GPS-tracker heeft getest en toen (mogelijk) constateerde, zoals blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 4] , dat de GPS-tracker nog uit stond. Uit de gebruikersaccounts en de inhoud zoals foto’s, chats en documenten van de telefoon is op te maken dat het zeer aannemelijk is dat de telefoon in gebruik is geweest bij verdachte. Er is onder andere een gebruikersaccount aangetroffen onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit zijn bijnaam is. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft bepleit, overweegt de rechtbank dat het plaatsen van een plaatsbepalend baken door een ander wel degelijk gekwalificeerd kan worden als een uitlokkingshandeling, nu dit de moord in zoverre heeft vergemakkelijkt. Dit verweer wordt daarom gepasseerd. Op basis van bovenstaande stelt de rechtbank dan ook vast dat verdachte samen met [medeverdachte 1] de opdrachtgever is geweest en een coördinerende rol heeft gehad met betrekking tot de poging tot uitlokking van de liquidatie van [slachtoffer 4] . Verdachte had samen met zijn broer een vooropgezet plan en gaf de moordopdracht, leverde en testte het wapen, maakte het wapen en de bijbehorende kogels schoon en gaf de opdracht tot het aanschaffen van een GPS-tracker om [slachtoffer 4] te observeren, alvorens hij geliquideerd zou worden. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen naar haar uiterlijke verschijningsvorm voldoende zijn om te kunnen spreken van een – voor medeplegen vereiste – nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank komt, gelet op het hiervoor overwogene, anders dan door de verdediging bepleit, tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde. Voorbereidingshandelingen moord (feit 4) De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde en overweegt dat er enige overlap zit in de bewijsmiddelen van het onder 3 en 4 ten laste gelegde, zodat zij verwijst naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen. Aanvullend overweegt de rechtbank als volgt. Wil sprake zijn van een voorbereidingshandeling, dan moet het gebruikte voorwerp zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, te weten in dit geval moord. In onderhavige zaak overweegt de rechtbank dat zowel het automatisch vuurwapen alsook het plaatsbepalend baken bestemd is voor het plegen van de moord. Met behulp van een plaatsbepalend baken konden verdachte en zijn mededaders de locatie van [slachtoffer 4] bepalen en lokaliseren. Het automatisch vuurwapen diende als moordwapen. Dat verdachte een automatisch vuurwapen heeft verworven en voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] , volgt uit de verklaringen van [naam 1] en [getuige 1] , zoals uitgebreid uiteengezet onder feit 3. Het verwerven en voorhanden hebben van het plaatsbepalend baken vindt zijn bevestiging in de verklaringen van [medeverdachte 4] en [getuige 1] én de gegevens uit de telefoon met het IMEI-nummer [nummer 7] , toebehorende aan verdachte. De rechtbank komt, gelet op het hiervoor overwogene, eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde. Onderzoek Mexico (feit 5) Op 26 oktober 2019 rond 02.15 uur ontvangt de politie een 112-melding van een schietincident aan de [straat 3] in Zwolle. In de woning bij de plaats delict treffen de verbalisanten [slachtoffer 4] aan, die vertelt dat hij is beschoten. De verbalisanten horen en zien dat hij een schaafwond heeft op zijn linkerschouder. Later die dag doet [slachtoffer 4] aangifte. Hij verklaart dat hij ten tijde van de schietpartij met een vriend, naar later blijkt [slachtoffer 5] , in zijn auto zat te chillen. Op enig moment reed er een rode Renault Clio langs met twee inzittenden. Datzelfde voertuig kwam drie tot vier minuten later nog een keer aanrijden. De auto stopte naast de zijne en enkele seconden later zag [slachtoffer 4] dat er opeens een wapen afging. Over de afstand tussen de auto’s verklaart [slachtoffer 5] dat de Renault Clio letterlijk naast het voertuig van [slachtoffer 4] ging staan, zo dicht dat de deur waarschijnlijk niet meer geopend kon worden. De ramen zaten naast elkaar, alsof je wat aan elkaar wil vragen. Vervolgens hoorde [slachtoffer 5] een harde knal en zag hij vuurvonkjes. Hij denkt dat het vuurwapen van de schutter is vastgelopen. Volgens [slachtoffer 5] zaten er twee personen in de Renault Clio. Hij zag namelijk twee handen aan het stuur toen er op hen werd geschoten. Later die dag, rond 06.00 uur, ziet een voorbijganger een uitgebrande auto staan op de IJsselcentraleweg in Zwolle. Het blijkt een rode Renault Clio te zijn, voorzien van valse kentekenplaten, namelijk [kenteken 8] . De vraag is of verdachte betrokken is geweest bij dit delict en zo ja, hoe deze betrokkenheid strafrechtelijk kan worden geduid. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot liquidatie. Verdachte ontkent dat hij de dader is. De verdediging bepleit dan ook vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde. Zij legt daaraan ten grondslag dat de verklaringen van [medeverdachte 4] geen steun vinden in ander objectief bewijsmateriaal. Sterker nog, zijn verklaringen zijn op meerdere punten strijdig met andere bewijsmiddelen in het dossier. Er kan niet vastgesteld worden dat de telefoon, met het IMEI-nummer [nummer 7] , waarop mogelijk belastend materiaal is aangetroffen in gebruik is geweest bij verdachte. De verklaring van [naam 5] , dat hij verdachte heeft gezien bij de woning van [naam 10] , kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt, omdat hij dit pas voor het eerst heeft aangevoerd bij de rechter-commissaris. De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 4] uitvoerig heeft verklaard. In zijn verklaring wijst hij niet alleen verdachte aan als de schutter, maar verklaart hij ook uitgebreid en belastend over zijn eigen aandeel in het geheel. Over zijn eigen rol verklaart hij dat hij de bestuurder is geweest van de Renault Clio van waaruit is geschoten en dat hij die eerder die avond in opdracht van en samen met [medeverdachte 1] had opgehaald in Den Haag. [medeverdachte 4] verklaart verder dat zij tijdens de schietpartij met zijn tweeën in de auto zaten. Verdachte heeft hem een bivakmuts gegeven en haalde een automatisch wapen uit zijn tas. Hij kreeg aanwijzingen en opdrachten van verdachte over de te rijden route en hij moest de auto op een gegeven moment parkeren bij een wit busje, dat naast de woning van [slachtoffer 4] stond. Verdachte deed zijn raam open en zei hem dat zijn raam naast dat van het witte busje moest staan. Toen [medeverdachte 4] stopte, zag hij dat verdachte zijn wapen richtte op degene die in het voertuig zat. Hij hoorde één knal en verdachte zei hem dat het wapen blokkeerde en dat hij moest doorrijden. Tijdens de vluchtroute vertelde verdachte hem dat hij ‘hem’ had geraakt. Na afloop van de schietpartij heeft [medeverdachte 4] in opdracht van verdachte de Renault Clio in brand gestoken. De vraag is of de verklaring van [medeverdachte 4] over het daderschap van verdachte steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Kort na de schietpartij wordt de Duitse politie verzocht om bij de woning van verdachte te surveilleren. Een Duitse verbalisant constateert op 26 oktober 2019 rond 04.40 uur dat er door de bestuurder van een donkerkleurige Volkswagen Polo met een Nederlands kenteken een persoon wordt afgezet en dat die persoon het huis van verdachte betreedt. Hoewel de Duitse politie geen herkenningen heeft kunnen doen, zijn er sterke aanwijzingen dat verdachte een dag eerder is opgehaald en op dat moment weer is afgezet door de beheerder van de moddertelefoon. Dit toestel bevindt zich namelijk op 25 oktober 2019, een dag voor de schietpartij, tussen ongeveer 15.00 en 16.00 uur in de omgeving van Enschede. Rond 17.00 uur maakt het toestel gebruik van zendmasten in Zwolle en blijft daar onder verschillende masten. Aangezien verdachte in Duitsland woont, vlak over de grens bij Enschede, kan dit erop duiden dat er is afgereisd naar zijn woning. De moddertelefoon maakt op 26 oktober 2019 van 04.43 tot en met 05.10 uur, kort na de schietpartij, wederom gebruik van zendmasten in de omgeving van Enschede. Om 04.58 uur ontvangt de gebruiker van de moddertelefoon een SMS bericht met ‘Welkom in Duitsland’. Opvallend is dat [getuige 2] in die periode drugs heeft gedeald voor Ali 24/7. Zo ook die dag. Zij appt om 04.20 uur naar het telefoonnummer van de Ali 24/7 lijn (de moddertelefoon) dat zij nog naar huis gebracht moet worden. Om 04.21 uur reageert de beheerder van Ali 24/7 dat hij/zij met een uurtje in Zwolle is. De reistijd van Enschede naar Zwolle bedraagt volgens Google Maps ongeveer 55 minuten. Om 06.18 uur straalt de moddertelefoon een zendmast aan in Zwolle. Daarna straalt de moddertelefoon dezelfde masten aan als de telefoon van [getuige 2] . Volgens [getuige 2] is zij thuis gebracht door [medeverdachte 3] , die op dat moment in een Polo reed. Gelet hierop, is het aannemelijk dat [medeverdachte 3] verdachte in elk geval naar huis heeft gebracht. Daarnaast is op 12 november 2019 de woning aan de [straat 4] in Zwolle, waar [medeverdachte 1] stond ingeschreven, doorzocht. Hierbij is een telefoon in beslag genomen die volgens zijn vriendin van [medeverdachte 1] was. Op dit toestel zijn belastende berichten gevonden tussen ‘CLS63 AMG’ (de gebruiker van het toestel) en ‘Miauww’. In het onder [medeverdachte 1] in beslag genomen toestel staan twee contacten, genaamd ‘Miauww’ en ‘Miauww2’. Het contact ‘Miauww2’ maakt gebruik van een Duits telefoonnummer, namelijk [telefoonnummer 3] . Verdachte heeft op 14 augustus 2019 een abonnement afgesloten met T-Mobile, voor de duur van twee jaren, en heeft dit telefoonnummer toen toegewezen gekregen. Het contact ‘Miauww’ maakt gebruik van een Nederlands telefoonnummer, namelijk [telefoonnummer 4] . Het lijkt de politie aannemelijk dat, nu uit onderzoek is gebleken dat verdachte dagelijks in Zwolle is, maar ’s nachts in zijn woning in Duitsland verblijft, beide nummers in gebruik zijn bij verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte ontkent dat hij ‘Miauww
(2)’ is. Het feit is en blijft echter dat er ten behoeve van het Duitse telefoonnummer een T-Mobile overeenkomst is afgesloten op zijn naam. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat ‘Miauww’ verdachte is. Op 27 oktober 2019 tussen 00.34 uur en 00.36 uur vindt een conversatie plaats tussen verdachte en ‘CLS63 AMG’. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van ‘CLS63 AMG’. De rechtbank overweegt dat, nu een andere uitleg van verdachte daarover ontbreekt, in het gesprek wordt gesproken over de mislukte liquidatie op [slachtoffer 4] . Blijkbaar oppert verdachte om het die week nogmaals te proberen, maar weerhoudt [medeverdachte 1] hem daarvan omdat de politie alert is. Tot slot is in de handtas van [medeverdachte 3] een iPhone S aangetroffen en in beslag genomen. Bij het uitlezen daarvan valt het volgende chatgesprek op, dat plaatsvindt op 28 oktober 2019 tussen de gebruiker van die iPhone en ‘ [bijnaam getuige 1] ’, van wie de politie denkt dat het [getuige 1] is. Gebruiker ‘ [bijnaam getuige 1] ’ meldt dat hij op het nieuws ziet dat er een inval is bij [bijnaam verdachte] , dat [bijnaam verdachte] naar binnen is (de rechtbank begrijpt: is opgepakt) en dat [medeverdachte 4] nog buiten is (de rechtbank begrijpt: nog niet is aangehouden). De rechtbank heeft al eerder vastgesteld dat [bijnaam verdachte] verdachte betreft. Nu tevens wordt benoemd dat ‘ [medeverdachte 4] ’, wat vermoedelijk staat voor [medeverdachte 4] , nog buiten is, heeft het er alle schijn van dat er tussen hen een samenwerkingsverband heeft bestaan. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 4] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Op basis van bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte de schutter is geweest bij de schietpartij op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Zij acht het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, dat [medeverdachte 4] de schutter was, onaannemelijk. [slachtoffer 5] heeft namelijk verklaard dat de bestuurder twee handen aan het stuur had toen er op hen werd geschoten. Het andere scenario, dat [getuige 1] de schutter is geweest, is door de verdediging niet onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vindt dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 oktober 2019 in Zwolle tezamen en in vereniging met anderen hen met een vuurwapen heeft beschoten, als gevolg waarvan [slachtoffer 4] werd geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te kwalificeren als een poging tot moord. Zij vindt daarvoor met name het voorafgaand plaatsen van een baken onder het voertuig en aanschaffen van een wapen indicatief. Dat geldt ook voor het gegeven dat er eerder aan [naam 1] de opdracht was gegeven om [slachtoffer 4] te vermoorden. Deze handelingen impliceren namelijk dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij heeft gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat verdachte op zo een korte afstand heeft geschoten, dat hij bijna niet kon missen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het enkel bij een poging is gebleven omdat het wapen blokkeerde. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde feit. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: Onderzoek Filmer
- hij op 9 april 2016 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] op de openbare weg met een vuurwapen heeft beschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en of die [slachtoffer 2] werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Onderzoek Luik 2 primair hij in de periode van 6 juni 2019 tot en met 7 juni 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Keyless wave kast (kleur grijs/wit) en kleren en een telefoon en een hoeveelheid geld en huissleutels, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders: die [slachtoffer 3] hebben meegenomen in een auto en; (vervolgens) die auto hebben laten stoppen (door de weg te blokkeren) en; (nadat die [slachtoffer 3] probeerde te vluchten) achter die [slachtoffer 3] zijn aangerend en; die [slachtoffer 3] (vervolgens) naar de grond hebben gewerkt en; die [slachtoffer 3] meerdere malen (met kracht)in het gezicht en elders op het lichaam hebben geschopt/getrapt en geslagen/gestompt en; die [slachtoffer 3] (vervolgens) door middel van duwen/slaan hebben gedwongen om in een (andere) auto plaats te nemen en; met die [slachtoffer 3] naar een woning zijn gereden alwaar hij binnen op een stoel moest gaan zitten en; die [slachtoffer 3] (vervolgens) meerdere malen met een scherp mes hebben geprikt in diens armen en benen en; opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij, verdachte en zijn mededaders, diens broertje, ouders en kinderen iets aan zouden doen en; die [slachtoffer 3] (vervolgens) gedurende meerdere uren hebben bedreigd, vernederd en gefilmd en; (vervolgens) tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij zich uit moest kleden en zich moest gaan douchen en; (nadat die [slachtoffer 3] had gedoucht en een korte broek en T-shirt had gekregen) (vervolgens) met die [slachtoffer 3] naar een bos zijn gereden en; (vervolgens) een vuurwapen met geluidsdemper op die [slachtoffer 3] hebben gericht en gericht gehouden en; tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat er al een graf voor hem was gegraven en dat zij hem dood zouden schieten en; tegen die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij, verdachte en zijn mededaders, 30.000 euro van hem wilden hebben, waarna verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer 3] (wederom) hebben meegenomen in een auto en hem (vervolgens) ergens hebben afgezet; Onderzoek Karlsbad
- hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 15 oktober 2019 in de gemeente Zwolle en elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft gepoogd om [naam 1] door een belofte en het verschaffen van middelen of inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer 4] , en met dat opzet: aan [naam 1] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 4] van het leven te beroven en; aan voornoemde [naam 1] daartoe een geldbedrag van 5000 euro heeft beloofd/in het vooruitzicht heeft gesteld en; aan voornoemde een automatisch wapen heeft gegeven/verstrekt en; door een of meer anderen een plaatsbepalend baken onder de auto van die [slachtoffer 4] heeft laten aanbrengen;
- hij in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 15 oktober 2019 in de gemeente Zwolle en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf moord, opzettelijk een automatisch vuurwapen en een plaatsbepalend baken, bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad; Onderzoek Mexico
- hij op 26 oktober 2019 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] op de openbare weg met een (automatisch) vuurwapen heeft beschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Onderzoek Košice
- hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 oktober 2019, in de gemeente Zwolle, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; Onderzoek Bilbao
- hij in de periode van 10 december 2018 tot en met 12 december 2018 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een personenauto, merk Mercedes C63 AMG, kenteken [kenteken 2] , toebehorende aan [slachtoffer 6] , welk goed verdachte en zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder van deze personenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 46, 46a, 47, 289, 312 en 321 Sr en artikel 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feiten 1 en 5 telkens het misdrijf: medeplegen van een poging tot moord; feit 2 primair het misdrijf: diefstal voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3 het misdrijf: medeplegen van een poging om een ander door beloften en door het verschaffen van middelen te bewegen een moord te begaan; feit 4 het misdrijf: medeplegen van een voorbereiding van moord; feit 6 het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; feit 8 het misdrijf: medeplegen van verduistering. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het onder verdachte in beslag genomen goed (Audi) moet worden verbeurd verklaard. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging voert geen strafmaatverweer. Zij verzoekt enkel de teruggave te gelasten van het onder verdachte in beslag genomen goed (Audi). 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Verdachte begeeft zich in het criminele circuit waarbij hij betrokken is geraakt in een zogenoemde drugsoorlog. Als gevolg daarvan heeft hij zich onder meer tweemaal schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Bij de schietpartij in 2016 heeft hij vanuit een rijdend voertuig geschoten op het voertuig van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Beide broers zijn daarbij gewond geraakt. Volgens de arts heeft [slachtoffer 2] ‘ongelofelijk veel geluk gehad’, omdat de kogelbanen zijn hart en lichaamsslagader op slechts één centimeter na hebben gemist. Zou de kogel deze lichaamsdelen wel hebben geraakt, dan zou [slachtoffer 2] acuut binnen enkele minuten inwendig dood zijn gebloed. Bij de schietpartij in 2019 heeft verdachte wederom vanuit een voertuig geschoten. Ditmaal op het voertuig van [slachtoffer 4] , waarin [slachtoffer 5] zich op dat moment ook bevond. [slachtoffer 4] is als gevolg daarvan gewond geraakt aan zijn schouder. De gelukkige omstandigheid dat hij niet dodelijk is geraakt, is niet aan verdachte te danken, maar aan het feit dat het vuurwapen is blijven steken. De zogenaamde ‘modus operandi’ is bij beide schietpartijen identiek. De aanleiding is telkens een conflict tussen ‘het cluster [broers (verdachte en medeverdachte 1)] ’ en de slachtoffers. Er wordt een baken geplaatst onder het voertuig van de beoogde slachtoffers om hen te lokaliseren en vervolgens van het leven te kunnen beroven. Dit tekent de planmatigheid en koelbloedigheid waarmee verdachte te werk is gegaan, waarbij hij geen enkel respect heeft voor een mensenleven. Bovendien heeft verdachte voorafgaand aan de schietpartij geprobeerd om [naam 1] te bewegen de moord op hem te plegen door hem een geldbedrag van € 5.000,- te beloven en hem een vuurwapen te verstrekken. De rechtbank overweegt dat verdachte met zijn handelen niet alleen de slachtoffers, maar ook de samenleving als geheel heeft geschokt. De schietpartij in 2019 vond nota bene plaats in een woonwijk. Omwonenden hebben de geloste schoten gehoord of zijn zelfs met de gevolgen daarvan geconfronteerd. Het handelen van verdachte zal bij hen, maar ook bij anderen die op andere wijze daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een schietpartij – ook als deze geen dodelijke afloop kent – voor het grote publiek dat gevoel van onveiligheid met zich. Daarnaast heeft verdachte met geweld goederen gestolen van [slachtoffer 3] . Hierbij heeft [slachtoffer 3] onder meer een gebroken neus opgelopen. Uit het dossier blijkt dat een deel van de mishandeling is gefilmd met een telefoon. Het moet voor [slachtoffer 3] zeer vernederend zijn geweest dat deze beelden zijn gemaakt en dat meerdere personen hiervan kennis hebben genomen. Ook is [slachtoffer 3] onder dwang meegenomen naar een bos, waar hem, terwijl op korte afstand een vuurwapen op hem was gericht, werd gezegd dat zijn graf was gegraven en dat hij een laatste wens mocht doen. Het is invoelbaar dat [slachtoffer 3] doodsangsten heeft uitgestaan, zeker gezien het feit dat hij wist waar de groepering van verdachte toe in staat is. Verder heeft verdachte [naam 7] aangestuurd om een Mercedes C63 AMG te huren bij een autoverhuurbedrijf. Dit voertuig moest [naam 7] onder bedreiging van een vuurwapen aan verdachte afstaan. Verdachte heeft hem daarna geïnstrueerd om valse aangifte te doen van diefstal van de auto. De rechtbank vindt het strafverzwarend dat verdachte misbruik heeft gemaakt van [naam 7] , vooral als wordt bedacht dat daarmee de pakkans van verdachte voor een belangrijk deel naar hem is overgeheveld. Tot slot heeft verdachte onderdeel uitgemaakt van het zogenoemde Ali 24/7 netwerk. In dat verband hield hij zich op grote schaal bezig met de handel in cocaïne, xtc pillen en 3-MMC. Uit verklaringen van afnemers volgt dat er meerdere bezorgers in dienst waren bij de Ali 24/7 deallijn. Zij leverden dag en nacht op bestelling drugs af. De rechtbank acht verdachte daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen bij gebruikers veroorzaakt. Dit zijn stoffen die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Ook gaat het dealen van drugs op straat veelal gepaard met overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft kennelijk slechts gehandeld uit eigen winstbejag. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer zwaar aan. Ten aanzien van alle feiten die verdachte samen met anderen heeft gepleegd, is het verdachte die naast zijn broer aangemerkt kan worden als ‘leider’ en ‘opdrachtgever’. Uit de vele verklaringen blijkt dat ook ‘medewerkers’ bang voor hem zijn. Dat rekent de rechtbank hem aan en ook het feit dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde ernstige feiten. Van alle bewezen verklaarde feiten heeft de wetgever aan een poging tot moord het hoogste strafmaximum toegekend, namelijk een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. De achterliggende gedachte hiervan is dat door dit misdrijf niet alleen van iemand het recht op leven wordt ontnomen, maar dat dit ook gebeurt middels een van tevoren daartoe beraamd plan. De rechtbank overweegt dat binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten bestaan voor (een poging tot) moord. Gelet hierop zal de rechtbank het eerdergenoemde wettelijke strafmaximum als algemeen vertrekpunt nemen bij de bepaling van de strafmaat in onderhavige zaak. Verder is de rechtbank op grond van de samenloopregeling uit artikel 57 Sr gebonden aan een strafmaximum. Dit is niet meer dan een derde boven het hoogste maximum van de tijdelijke gevangenisstraf, waarmee de ter berechting voorliggende misdrijven zijn bedreigd. In dit geval dus niet meer dan een derde boven het strafmaximum behorende bij een poging tot moord. De rechtbank heeft kennisgenomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart
- Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, vuurwapenbezit en overtreding van de Opiumwet. Kennelijk hebben de eerder aan verdachte opgelegde straffen hem niet de ernst van zijn gedrag kunnen doen inzien en is hij blijven kiezen voor een leven in het criminele milieu. Dit beschouwt de rechtbank als een strafverzwarende omstandigheid. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 19 december
- Hieruit blijkt dat de reclassering, vanwege het ontbreken van hulpvragen en de ontkennende proceshouding van verdachte geen mogelijkheden ziet tot gedragsbeïnvloeding. De reclassering kan met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn. De rechtbank overweegt dat slechts de strafdoelen generale preventie en vergelding kunnen worden nagestreefd. Naar het oordeel van de rechtbank doet enkel een zeer lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht aan de aard en ernst van de feiten. De rechtbank wil met de strafoplegging ook duidelijk maken dat dit soort gedrag niet worden getolereerd en hierop een stevige reactie volgt, zodat anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Daarnaast weegt het belang van beveiliging van de samenleving zwaar mee. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negentien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hoeveel het gaat om een dubbele poging tot moord en het strafmaximum met de eis van de officier van justitie niet wordt gehaald, ziet de rechtbank geen aanleiding om een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist, terwijl de ernst van de feiten en de strafdoelen dit wel zouden kunnen rechtvaardigen. 7.4 De inbeslaggenomen voorwerpen De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde goed (Audi), aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. 8De schade van de benadeelde 8.1 De vordering van de benadeelde partij Onderzoek Luik (feiten 2 en 7) [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure tegen verdachte. Aanvankelijk werd een schadevergoeding gevorderd van € 106.079,-. De raadsman heeft de hoogte van de vordering van de benadeelde partij meermalen naar beneden bijgesteld, voor het laatst op 18 mei
- Namens de benadeelde partij wordt uiteindelijk gevorderd verdachte hoofdelijk te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 71.864,
- De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - Keyless wave kast € 18.000,- - Kleding € 350,- - iPhone 7 € 980,- - Contant geld € 50,- - Huissleutels € 50,- - Eigen risico zorgverzekering € 363,33 - Audi S7 (incl. motorblok) € 38.172,40 - Kosten rechtsbijstand € 3.899,- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,- gevorderd. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 40.615,
- De officier van justitie laat de Keyless wave kast buiten beschouwing, omdat dit vanwege het criminele karakter daarvan vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, en hij schat de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,-. 8.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De verdediging verwijst daartoe primair naar de bepleite vrijspraak. Het tijdstip van indiening betreft de subsidiaire grondslag. Aanhouding van de zaak, voor een juiste beoordeling van de vordering benadeelde partij, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. 8.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal allereerst ingaan op het verweer van de raadsman dat [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, vanwege het tijdstip van indiening daarvan (één dag voor de zitting, zijnde geen werkdag). De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding zelfs op de zitting nog kan worden ingediend. Zij is van oordeel dat het een overzichtelijke vordering betreft die voldoende is toegelicht. Van een onevenredige belasting van het strafproces is geen sprake. De rechtbank constateert dat de verdediging zich heeft verzet tegen voeging van de door mr. Starmans ingediende stukken van 18 mei
- Zij legt daaraan ten grondslag dat deze stukken te laat zijn ingediend. Na het laatste woord heeft mr. Starmans de rechtbank nog stukken toegestuurd en de vordering verhoogd naar € 90.624,
- De rechtbank is van oordeel dat met het laatste woord alles gezegd en behandeld is en dat latere stukken tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting zou moeten leiden. Dit is een onevenredige belasting van het strafproces en daarom worden de stukken niet aan het dossier toegevoegd. Dit houdt ook in dat de rechtbank de aanbetaling van de Audi S7 bij het bepalen van de omvang van de materiële schade buiten beschouwing zal laten. Materiële schade Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De vraag is wat de precieze omvang van die schade is. De rechtbank stelt vast dat het eigen risico van de zorgverzekering is onderbouwd. Zij acht het ook aannemelijk dat [slachtoffer 3] deze kosten heeft gemaakt als gevolg van de geweldshandelingen die verdachte heeft gepleegd. De rechtbank zal deze gevorderde schade dan ook toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente. De rechtbank overweegt dat de opgevoerde schade die betrekking heeft op de kleding, iPhone, huissleutels en het contante geld onvoldoende is komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van facturen. De onoverzichtelijke wijze waarop deze schadeposten zijn gepresenteerd en de onduidelijkheid over de actuele waarde van die goederen maakt schatting ondoenlijk. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De rechtbank is ten aanzien van de Keyless wave kast van oordeel dat dit goed vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, nu dit apparaat in het criminele circuit wordt gebruikt om signalen van autosleutels te onderscheppen en zo een diefstal te vergemakkelijken. [slachtoffer 3] benoemt dit ook in zijn aangifte. Het vergoeden van de schade die hij als gevolg van het verlies van dit apparaat heeft geleden is in strijd met de wet of openbare orde. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen. De rechtbank stelt vast dat de schade die verband houdt met de Audi S7 inclusief motorblok en de aanbetaling hiervan betrekking heeft op het onder 7 ten laste gelegde. Verdachte is van dit feit vrijgesproken en aan hem wordt geen maatregel opgelegd. Op grond daarvan zal de rechtbank [slachtoffer 3] op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De rechtbank stelt ten overvloede vast dat bovendien onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade het gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte. De rechtbank stelt daartussen geen rechtstreeks verband vast. Ook om die reden kan [slachtoffer 3] in zoverre niet in de vordering worden ontvangen. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Immateriële schade Met betrekking tot de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de begroting van de omvang daarvan is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid schatten. Zij zal daarbij in het bijzonder letten op de aard en de ernst van de normschending, zoals het uitgeoefende geweld en het als gevolg daarvan opgelopen letsel. Dat dit deels is gefilmd moet extra vernederend zijn geweest. De rechtbank vindt het ook bijzonder kwalijk dat [slachtoffer 3] wapens zijn getoond en is gezegd dat zijn graf was gegraven en dat hij zijn laatste wens mocht doen. Het is invoelbaar dat hij doodsangsten heeft uitgestaan, zeker gezien het feit dat hij wist waar de groepering van verdachte toe in staat is. Ook is de benadeelde partij langere tijd van zijn vrijheid beroofd gehouden. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank de vordering voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Hoofdelijkheid De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk toe, namelijk tot een totaalbedrag van € 5.363,
- De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, nu verdachte mede aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Kosten rechtsbijstand Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand overweegt de rechtbank als volgt. De raadsman van de benadeelde partij heeft aanvankelijk een vordering ter hoogte van € 106.079,- ingediend. Tot twee keer toe is deze vordering aangepast. In de gewijzigde vorderingen is zelfs een aantal goederen (auto-onderdelen en een telefoon) uit de vordering