← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2021:2553

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-770353-17 (P) Datum vonnis: 24 juni 2021 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Birma/Myanmar), wonende aan [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2021. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een hennepkwekerij heeft gehad aan [adres 2] in Hardenberg, dan wel medeplichtig is geweest aan het hebben van een hennepkwekerij aldaar. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1 Primair hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, in een pand aan of nabij [adres 2] , 3524 (vijfendertighonderdvierentwintig) hennepplanten(waarvan ongeveer 2900 (negenentwintighonderd) hennepstekken), althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; Subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, in een pand aan of nabij [adres 2] te Hardenberg, 3524 (vijfendertighonderdvierentwintig) hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door -voornoemd pand (aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen voor de hennepkwekerij; 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden, omdat verdachte zijn woning beschikbaar heeft gesteld aan medeverdachte [medeverdachte 3] voor het telen van hennep. De officier van justitie vindt mede overtuiging van dit feit in de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 3] al jaren bevriend zijn, samen als politiek gevangene in India gevangen hebben gezeten en dat zij nu opnieuw samen wonen. Bovendien hebben [medeverdachte 3] en verdachte samen hun excuses aangeboden aan de buurvrouw voor de hennepkwekerij. Het kan daarom niet zo zijn dat verdachte niet wist van de kwekerij in zijn woning. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gemotiveerd vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken en overweegt daartoe het volgende. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte op 4 april 2017 huurder was van het pand aan [adres 2] in Hardenberg. Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat de verdachte ook degene is geweest die aldaar die hennepkwekerij heeft opgezet, heeft onderhouden of daarbij anderszins zodanig betrokken is geweest dat hij als (mede)dader van de tenlastegelegde gedragingen met betrekking tot hennep kan worden aangemerkt. Voor het bewijs van medeplichtigheid aan hennepteelt, door de woning ter beschikking te stellen aan een derde, is opzet vereist op het bevorderen of vergemakkelijken van dat misdrijf en tevens dat het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het door die derde gepleegde feit. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte opzet had op het aanwezig hebben van hennep. Verdachte heeft verklaard dat hij lange tijd niets af wist van de planten. Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten voor het tegendeel. Verdachte wilde de planten, na ontdekking daarvan, niet in zijn woning en heeft dit tot uitdrukking gebracht door [medeverdachte 3] een korte termijn te geven om de planten te verwijderen, omdat hij anders de politie zou bellen. De hennepkwekerij is kort daarna ontmanteld. Verdachte heeft deze verklaring in het bijzijn van [medeverdachte 3] , met wie hij een woning deelt, ter terechtzitting herhaald. De rechtbank ziet aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte, met het ter beschikking stellen van zijn woning aan [medeverdachte 3] , opzet had op het door [medeverdachte 3] gepleegde feit. 5De beslissing De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.