RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer : 8880093 \ CV EXPL 20-3241 Vonnis van 20 juli 2021 in de zaak van [eiseres] ,wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiseres] , gemachtigde: mr. C.S.M. van Dijk, tegen [gedaagde] ,wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.P.A. Feijen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 februari 2021, - de mondelinge behandeling gehouden via Skype op 22 april 2021, waarbij [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.M. van Dijk, en waarbij [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.A. Feijen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, - de akte van [gedaagde] van 25 mei 2021, - de akte van [eiseres] van 22 juni
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] drijft een eenmanszaak onder de naam Fa. Urker Vishandel. 2.
- [eiseres] werkt sinds 13 februari 2003 bij Fa. Urker Vishandel. 3Het geschil De vordering 3.
- [eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat zij vanaf 2007 ingedeeld dient te zijn in de hoogste trede van functiegroep II van de cao voor de Visdetailhandel en dienovereenkomstig betaald dient te worden; voor recht verklaart dat haar salaris vanaf 15 mei 2019 € 10,96 per uur bedraagt; [gedaagde] veroordeelt om aan haar een bedrag van € 4.638,38 bruto aan achterstallig loon te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling; [gedaagde] veroordeelt om aan haar het verschil aan toekomstig achterstallig loon te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling; [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.
- [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat ze al gedurende langere tijd niet op de juiste wijze wordt ingeschaald. [eiseres] stelt dat zij onder functiegroep II valt zoals beschreven in artikel 4 van de cao Visdetailhandel en dat haar uurloon € 10,96 bedraagt. [eiseres] stelt dat zij al jaren te weinig loon heeft ontvangen en dat zij vanaf november 2014 een loonvordering van € 4.648,38 op [gedaagde] heeft. Het verweer 3.
- [gedaagde] erkent dat [eiseres] onder functiegroep II valt zoals beschreven in artikel 4 van de cao Visdetailhandel, maar voert verweer tegen de hoogte van de loonvordering. Volgens [gedaagde] is er slechts een bedrag van € 1.397,18 te weinig betaald. Daarnaast is in november 2018 een bedrag van € 394,93 nabetaald, omdat de nieuwe geïndexeerde loonschalen pas laat bekend werden. Dit bedrag dient volgens [gedaagde] in mindering te komen op de vordering. Hij erkent dan ook een vordering van € 1.002,25 bruto. Voor het overige is hij van mening dat er geen vorderingen meer openstaan. 4De beoordeling 4.
- Bij akte van 25 mei 2021 brengt [gedaagde] overzichten in van de tussen 2014 en 2020 volgens de cao voor de Visdetailhandel geldende lonen. [gedaagde] stelt dat in de conclusie van antwoord foutief benoemde bruto uurlonen staan en dat de uurlonen moeten zijn: van 17 mei 2014 tot 1 mei 2015: € 9,73 van 1 mei 2017 tot 1 juni 2018: € 9,86 van 1 juni 2018 tot 1 november 2018: € 10,28 van 1 november 2018 tot 1 januari 2019: € 10,40 van 1 juli 2019 tot 1 juli 2020: € 10,72 van 1 juli 2020 tot 1 juli 2021: € 10,96 4.
- Volgens de (nieuwe) berekeningen van [gedaagde] heeft [eiseres] een bedrag van € 1.900,47 te weinig ontvangen aan reguliere loonbetalingen. Hij stelt echter dat [eiseres] gedurende de gehele periode waarop de vordering betrekking heeft, een maandelijkse persoonlijke toeslag heeft ontvangen van € 53,59 bruto per maand. Volgens [gedaagde] is deze toeslag geïntroduceerd om het verschil tussen het basisloon dat [eiseres] ontving en het basisloon dat zij had moeten ontvangen, te compenseren. [gedaagde] stelt dat deze toeslag meegewogen moet worden en dat [eiseres] in dat geval een bedrag van € 1.314,93 bruto te véél aan loon heeft ontvangen. 4.
- Bij akte van 22 juni 2021 voert [eiseres] aan dat de in de akte van [gedaagde] genoemde bedragen (zoals opgenomen onder 4.1) niet volledig corresponderen met de cao-overzichten die hij overlegt. De juiste uurlonen zijn volgens [eiseres] : van 17 mei 2014 tot en met 31 december 2014: € 9,78 van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015: € 9,91 van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016: € 10,06 van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017: € 10,26 van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018: € 10,38 van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019: € 10,72 van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020: € 10,96 van 1 januari 2021 tot en met heden: … (in te vullen na afronding uitgestelde cao-onderhandelingen). 4.
- [eiseres] stelt dat zij op grond van deze bedragen tot en met 31 december 2020 in totaal € 2.478,46 bruto te weinig aan loon heeft ontvangen. Daarnaast wenst [eiseres] de loonsverhoging over 2021 met terugwerkende kracht te ontvangen zodra deze bekend is, aangezien zij nog steeds een foutief uurloon van € 10,92 ontvangt. 4.
- [eiseres] voert aan dat de door [gedaagde] genoemde persoonlijke toeslag geen cao-compensatie is, maar dat dit de afkoop van haar ATV-rechten betreft. Volgens [eiseres] gebeurt dit bij al haar collega’s op dezelfde wijze en bestaat hier geen persoonlijke keuze in. Zij houdt dan ook vast aan haar loonvordering. 4.
- [gedaagde] heeft nog geen gelegenheid gehad om op de genoemde stellingen en verweren van [eiseres] te reageren. De kantonrechter zal [gedaagde] hiertoe in de gelegenheid stellen. De kantonrechter houdt iedere verder beslissing aan. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- stelt [gedaagde] ter rolzitting van 17 augustus 2021 in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de stellingen en verweren van [eiseres] in haar akte van 22 juni 2021 met betrekking tot de hoogte van de uurlonen en met betrekking tot de persoonlijke toeslag, 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.