vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer / rolnummer: C/08/266675 / KG ZA 21-133 Vonnis in kort geding van 9 juli 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. N.S. Commijs te Zwolle. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in kort geding de mondelinge behandeling op 18 juni 2021 via Skype, waarbij ook het verzoekschrift van de man tot het leggen van (aanvullend) conservatoir beslag van 17 juni 2021 is behandeld (zaaknummer 267543 / KG RK 21-284) de pleitnota van de man de pleitnota van de vrouw de aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen, waarna de man heeft bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. Op het verzoekschrift wordt vandaag in een afzonderlijke beschikking een beslissing genomen. 2De beoordeling Waar dit kort geding over gaat 2.
- Partijen zijn getrouwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. Ze zijn gescheiden per 3 september
- In maatschapsverband hadden zij een agrarisch bedrijf (hierna: het bedrijf). 2.
- Partijen hebben tijdens een arbitrageprocedure een akte van dading gesloten op 6 maart
- Daarin is onder andere opgenomen dat de man per 1 januari 2019 uit de maatschap treedt en dat de vrouw het bedrijf per die datum voor eigen rekening en risico voortzet. De vrouw moet verder de volgende bedragen aan de man betalen: - op uiterlijk 1 juni 2020: € 2.000,- - op uiterlijk 1 juli 2020: € 2.000,- - op uiterlijk 1 augustus 2020: € 271.000,- - op uiterlijk 1 juni 2023: € 50.000,- - op uiterlijk 1 juni 2025: € 75.000,- Daarnaast moet de vrouw in geval van liquidatie van het bedrijf voor 1 januari 2035 een bedrag van € 400.000,- betalen met een afstaffeling van 10% per jaar vanaf 1 januari
- Indien [zoon] het bedrijf volledig zou overnemen is er geen sprake van een nabetalingsverplichting. 2.
- De op dit moment vervallen termijnen van € 275.000,- heeft de vrouw niet aan de man betaald. De man heeft daarom beslagverlof gevraagd en verkregen op 20 augustus
- Verder is de man een dagvaardingsprocedure bij deze rechtbank begonnen, waarin hij kort gezegd (primair) nakoming heeft gevorderd van de akte van dading, ook voor de toekomstige termijnen. Er heeft een mondelinge behandeling in die zaak (met zaaknummer 252732 / HA ZA 20-345) plaatsgevonden op 16 februari
- 2.
- Op 20 april 2021 zijn de maatschap en partijen door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. Dat faillissementsvonnis en de daarbij uitgesproken faillietverklaring is na verzet vernietigd bij vonnis van deze rechtbank van 6 mei
- De bodemprocedure staat nu op de rol voor antwoordakte aan de zijde van de vrouw op 14 juli
- Wat de man wil 2.
- De man stelt zich op het standpunt dat de financiële situatie van het bedrijf zeer zorgelijk is en hij vraagt daarom kort gezegd om de vrouw te dwingen mee te werken aan de liquidatie van het bedrijf. Zo moet de vrouw volgens de man onder andere worden veroordeeld om aan een professioneel agrarisch makelaar van haar keuze opdracht te geven tot bemiddeling bij de verkoop van de onroerende zaken en opstallen die bij het bedrijf en de woning horen (of moet eiser daartoe gemachtigd worden), moet de makelaar gemachtigd worden namens de vrouw een aanbod tot aankoop te accepteren en moet de vrouw aan alle werkzaamheden en activiteiten rondom verkoop en levering meewerken. 2.
- De man onderbouwt deze vorderingen als volgt. Volgens hem nemen de schulden van het bedrijf alleen maar toe, zodat hij vreest dat hij zijn huidige en toekomstige vorderingen op de vrouw niet kan verhalen. Er is niet voor niets een faillissement uitgesproken. De vrouw geeft hem verder ook geen inzicht in de financiering. De man vindt dat het duidelijk is dat de vrouw nu en in de toekomst niet zal betalen. Daarom is het tijd om tot liquidatie over te gaan, zodat hij zijn geld krijgt. Het verweer van de vrouw 2.
- De vrouw stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van spoedeisend belang. De waarde van het bedrijf is niet gedaald, integendeel. De waarde van met name de landbouwgronden zijn de afgelopen jaren juist gestegen. Er is geen sprake van een bedrijf in nood. De vrouw verwacht de financiering voor 1 september 2021 rond te hebben, zodat zij de man kan betalen. Het oordeel van de voorzieningenrechter 2.
- De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man afwijzen, omdat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen. Hieronder licht de voorzieningenrechter dit oordeel toe. 2.
- De man vraagt om met spoed een beslissing te nemen en is daarom een kort geding begonnen. Het verschil met een reguliere procedure (bodemprocedure) is dat de eisende partij een spoedeisend belang moet hebben bij de gevraagde snelle beslissing en dat de snelheid van de procedure meebrengt dat er geen tijd is voor bijvoorbeeld nadere bewijslevering. De man heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat op dit moment sprake is van een zodanige acute of ernstige situatie dat van hem niet gevraagd kan worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de bodemprocedure al aanhangig is en op zeer korte termijn op de rol staat (14 juli 2021) voor antwoordakte aan de zijde van de vrouw. Daarna zal in die zaak naar verwachting van partijen (eind)vonnis worden gewezen. Dat de financiële situatie op het landbouwbedrijf dermate slecht zou zijn dat gevreesd moet worden dat er op het moment van een toewijzend vonnis geen vermogen meer resteert voor de man om zijn vorderingen te verhalen en dat daarom tot liquidatie moet worden overgegaan, is niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat er sprake is geweest van een faillissement kan niet tot een andere conclusie leiden, omdat partijen daar met succes verzet tegen hebben ingesteld. 2.
- Dit alles betekent dat er een spoedeisend belang ontbreekt en dat de vorderingen van de man moeten worden afgewezen. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
- wijst de vorderingen af, 3.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.